NEGER-VERTELLINGEN VAN JAMAICA.

Nancy-Stories.

Het West-Indische eiland Jamaica heeft een zeer belangrijke rol

gespeeld in de geschiedenis van het negerras in de nieuwe wereld

(Joh.). Het schijnt, dat reeds in 1517 Negerslaven naar Jamaica zijn

overgebracht, toen de Spanjaarden er zich op de suikerriet-cultuur

gingen toeleggen. Toen het eiland in 1655 in het bezit van de

Engelschen kwam, vluchtten zeer vele negers naar de bergen. Aan deze

wegloopers gaf men den naam van „Cim arrones” (= bewoners der bergen),

waaruit later de naam Marrones [353] werd. Toen men in 1673 de

riet-cultuur meer systematisch begon te drijven en er zich niet minder

dan 1 200 Engelsche kolonisten (uit Suriname) op het eiland kwamen

vestigen, zoodat zeer vele zwarte werkkrachten noodig waren,

ontwikkelde zich van lieverlede een uitgebreide slavenhandel op Afrika.

In 1673 waren ongeveer 1905 negers op Jamaica werkzaam, de marrones

niet meegerekend, een getal dat in 1690 reeds tot 40,000 gestegen was.

De behoefte aan zwarte arbeidskrachten deed zich nog meer gevoelen,

toen in 1721 de koffie werd ingevoerd, zoodat in 1807, toen de

slavernij er werd opgeheven, zich reeds 323,827 negers op Jamaica

bevonden.

Deze waren bijna uitsluitend uit West-Afrika aangevoerd. De marrones

(„marroons” in het Engelsch) kwamen van Guinea tusschen de

Gambia-rivier en Sierra Leone en van de Goudkust; de Koromantijnen,

eveneens van de Goudkust, terwijl er ook van het Niger-delta, van Lagos

en Dahomey en van de Congo en Angola zijn aangevoerd.

Evenals wij dit voor Suriname hebben trachten aan te toonen, is het wel

zeker dat verreweg het grootste deel der negerslaven van Jamaica van de

Goudkust afkomstig is, waar de Engelschen tusschen 1680 en 1807

slavendepôts hadden, en dat ook uit de meer oostwaarts gelegen deelen

van de kust van Guinea negers naar het eiland kwamen.

Deze afkomst vinden wij nu ook hier weder bevestigd door het feit, dat

het grootste deel van de Neger-folk-lore van Jamaica tot de Goudkust

met het achterland moet worden teruggevoerd en ook door de

overblijfselen van de Afrikaansche taal, die nog in het Neger-Engelsch

van Jamaica worden aangetroffen en die afgeleid moeten worden van de

Tshitaal der Ashantijnen en Fantijnen (Joh. blz. 276). [354] Het

Afrikaansche element is in de taal der Jamaica-negers veel meer door

het Europeesche, hier het Engelsche element, verdrongen, dan in

Suriname, zoodat hun taal een verafrikaansd Engelsch mag genoemd

worden.

Kan het nu verwonderen, dat ook in het leven der Jamaicaansche Negers

de Spinvertellingen (hier „Nancy-Stories” genoemd) een belangrijke rol

spelen?

Hetgeen Uncle Remus voor Georgia gedaan heeft (Ha.), deed Jekyll voor

Jamaica (Je.), en uit hun arbeid is ten duidelijkste gebleken, dat op

Jamaica het Afrikaansche element veel meer door het Europeesche

verdrongen is, dan in Georgia. Want van de 50 vertellingen, door Jekyll

medegedeeld, zijn zeker 11 uit Europa ingevoerd, en, hetgeen

eigenaardig is, eenigen schijnen hun weg naar het eiland gevonden te

hebben uit Portugal over Afrika.

Een groot deel der Jamaicaansche vertellingen zijn, hetzij zij tot de

echte Anansi-vertellingen behooren of niet, dezelfde dierenfabels of

sprookjes, den lezer reeds uit Suriname bekend, en behooren tot

dezelfde type als de Uncle Remus-serie (Ha.) en de talrijke

vertellingen van de West-kust van Afrika (Ba en Cr.). Alle dieren, die

er in voorkomen, stellen menschelijk denkende wezens voor, en zijn ook

hier gepersonifieerd door vóór den naam van het dier een voorvoegsel te

plaatsen, uit de Europeesche talen afkomstig, hetzij dit Mr., Brer (van

Brother) enz. luidt.

De naam „Annancy”, zooals op Jamaica de spin heet, zegt voor de afkomst

der vertellingen genoeg. Ook hier vinden wij de zelfde anansi der

Neger-vertellingen uit Suriname en de Goudkust terug, met zijn

formidabelen eetlust en zijn vele streken om aan voedsel te komen, met

zijn vrees voor den dood, waaraan hij op allerlei manieren tracht te

ontkomen, met zijn voortdurend streven, om oneenigheid onder de dieren

te stichten enz., om van vele andere overeenkomstige eigenschappen niet

te spreken, die een zelfden oorsprong der vertellingen verraden.

Opvallend is het, dat de schildpad, die elders zoo dikwijls in de

Neger-vertellingen optreedt, op Jamaica gemist wordt, doch hier

vervangen wordt door de pad—hetgeen begrijpelijk is, want de schildpad

(steeds wordt aan de Goudkust en de Slavenkust, wanneer dit dier in de

vertellingen optreedt, een landschildpad bedoeld) komt op Jamaica niet

voor. Enkele malen treedt ook hier „Brer Rabbit” op, die echter weinig

meer herinnert aan het traditioneele karakter, uit de vertellingen van

de Goudkust en Sierra Leone bekend.

Het luipaard, dat zoo dikwijls in de West-Afrikaansche

negervertellingen optreedt, is evenals in Suriname op Jamaica vervangen

door den tijger, hoewel de jagoear er, evenals vele andere voor de

Zuid-Amerikaansche fauna karakteristieke zoogdieren, ontbreekt.

Jekyll herinnert er aan, dat de spin in de vertellingen steeds in zulk

een slecht daglicht wordt gesteld, hetgeen wellicht hieraan moet worden

toegeschreven dat de verhalen meestal een moraliseerend karakter

hebben, en het laten uitkomen der slechte eigenschappen de bedoeling

zal hebben, het luisterende volk beter te maken.

Evenals voor mij tijdens ons verblijf in de Surinaamsche oerwouden een

plotseling uit het achter onze kampplaats gelegen negerkampement tot

mij komende schaterlach het teeken was, dat een onzer arbeiders een

anansi-tori aan het vertellen was en een geestigheid debiteerde, zoo is

ook voor de negers op Jamaica het luisteren naar „Nancy-stories” de

geliefkoosde tijdpasseering na volbrachten dagtaak; en wanneer

plotseling uit een groepje negers op het veld een schaterlach opstijgt,

kan men er zeker van zijn, dat een „Story-teller” bezig is „Bro’er” of

„Mr. Annancy” een of andere geestigheid te laten zeggen of doen.

Opmerking verdient het nog, dat meerdere vertellingen uit Jekyll’s

bundel leeren, waarom de spin te midden van een bananentros leeft (en

niet zooals in Suriname in „beslagruimten”), hetgeen niet vreemd is,

omdat zijne „Nancy-stories” op de cultuurondernemingen van het groote

eiland werden bijeengebracht, waar sedert jaren een uitgebreide

bananencultuur wordt uitgeoefend,

Het drietal „Nancy-stories”, die ik voor dezen bundel uit Jekyll’s boek

heb uitgekozen, zullen den lezer daarom zeker welkom zijn, omdat de

schrijver ook de melodieën heeft tusschengevoegd, waarmede de verteller

zijne verhalen steeds laat afwisselen.

Op Jamaica schijnt de moraliseerende bedoeling der negervertellingen

geheel op den achtergrond te zijn geraakt. Zij worden hier bijna

uitsluitend tot ontspanning verteld, en de beleefdheid schijnt daar

mede te brengen, dat de verteller zijn verhaal eindigt met: „Jack

Mantora me no choose any”, waarmeê hij wil zeggen: „Deze vertelling is

noch gericht tot jou, Jack (d.i. een willekeurige toehoorder) noch tot

een der anderen”.

Mythen en sagen uit West-Indië · 第 119 / 174 题