Er was eens een Indiaansche vrouw, die een dochter had, geboren met een
gouden ring om den vinger. Iedereen had van het geval gehoord, maar
niemand had het merkwaardige meisje gezien.
Toen Anansi deze geschiedenis vernam, wekte ze zijn eerzucht op, en hij
besloot het meisje tot zijn vrouw te nemen. Hij overlegde nu, hoe hij
het aan zou leggen, bij haar te worden toegelaten.
Aan het hoofd zijner muziekanten trok hij naar de woning van het meisje
en op zijn beleefd verzoek werd hij op het omheinde erf toegelaten. Hij
liet de muziekanten hun mooiste stukken spelen, maar deze konden het
meisje niet bekooren; haar gelaat bleef strak. Zij bleef droevig voor
zich uitstaren; zij glimlachte niet eens. Anansi, die zag, dat hij niet
vorderde, zei haar nu goeden dag en ging weêr naar huis terug.
Onderweg ontmoette hij zijn boezemvriend, heer Konijn. „Zeg, broêr
Anansi”, vroeg Konijn, „waar kom jij zoo vandaan?”, waarop Anansi
vertelde wat er gebeurd was. Toen Konijn alles had gehoord, gaf hij
Anansi te kennen, dat hij eveneens zijn geluk bij het meisje wilde gaan
beproeven. „Doe dat”, zei Anansi, „jij bent een heerlijke blanke
meneer; ik heb zoo’n idee, dat je slagen zult. Maar als het in orde
komt, deel het me in het teruggaan meê, en, wat ik zeggen wil, in dat
geval moet je mij als kamerheer te werk stellen”.
Konijn begreep niet, wat Anansi bedoelde, die stellig van plan was, hem
het meisje afhandig te maken.
Konijn begaf zich nu naar de woning van het meisje. De moeder deed hem
open en vroeg wat hij wilde. „Ik ben op zoek naar een verloofde”, zei
Konijn, „en denk haar hier te zullen vinden”. „Het spijt me, Heer
Konijn”, zei de moeder, „want ge zijt slechts een wouddier en aan een
dier wensch ik mijn dochter niet uit te huwen.”
Na eenig dralen begreep Konijn, dat hij maar moest heengaan [361].
Intusschen was Anansi buiten op Konijn blijven wachten, nieuwsgierig om
te vernemen, hoe het was afgeloopen. Toen hij nu van Konijn vernam, dat
ook deze een blauwtje had geloopen en zij samen het geval bleven
bespreken, voegde Reiger zich bij hen en luisterde gretig naar wat zij
vertelden.
Naar huis gaande, overlegde Reiger of ook hij niet een kans behoorde te
wagen, en hoe hij het zou aanleggen. Hij kleedde zich als een fijne
meneer, huurde een omnibus en reed naar het huis van het meisje, waar
hij hartelijk werd ontvangen en zóó in den smaak viel, dat reeds
dadelijk alles geregeld kon worden voor het aanstaand huwelijk.
Nu was er in het huis van het meisje een jongen, die toovenaar was, en
toen deze Reiger goed had bekeken, zei hij: „dat is geen fijne meneer;
dat is niemand anders dan Reiger, die zich verkleed heeft”.
„Je liegt”, zei het meisje, „het is mijn beminde, en geen verkleede
bedrieger”. „Heb geduld”, antwoordde de jonge man, „ik vind dat wel
uit”.
Hij volgde Reiger, eerst naar diens huis, en daarna naar den oever der
rivier, waar Reiger ging visschen. De toovenaar klom daar ongemerkt in
een boom, en terwijl Reiger zich daar met zijn arbeid bezig hield,
begon de jongen te zingen:
[Muzieknotatie]
Moderato.
My id dy, my id dy, Pyang [362], ha - lee, [363]
Come go da ri - - ver go, Pyang me.
Yak - ky, Yak - ky, Pyang, me je - - wah - - lee [364], Pyang, me.
Yak - ky, Yak - ky, Pyang, me je - wah - lee, Pyang.
Reiger had geen flauw vermoeden, dat iemand hem van een boom uit zat te
begluren.
Toen nu de toovenaar voor den eersten keer het lied had aangeheven,
richtte Reiger zich op en daardoor viel de hoed van zijn hoofd.
Toen nu de jongen het lied herhaalde, viel als vanzelf eerst de jas en
daarna het hemd van zijn lichaam en nadat de jongen het lied voor de
derde maal had gezongen, viel Reigers broek naar beneden.
De toovenaar had zich nu overtuigd, dat zijn vermoeden gegrond was, en
dat de vrijer van het Indiaansche meisje niemand anders dan Reiger was,
die zich onkenbaar had trachten te maken.
Reiger was nu, bevrijd van zijn kleeren, ijverig begonnen te visschen
en daarvan maakte de jongen gebruik, om zich ongemerkt uit de voeten te
maken.
Toen nu den daaropvolgenden dag de bruiloft zou plaats hebben [365] en
allen zich om den feestdisch geschaard hadden, stond de jonge toovenaar
op en zei: „Dames en heeren, als ge een aardig liedje wilt hooren, ik
weet er een”. Allen riepen als uit één mond: „Graag, steek van wal”!
De jonge man greep nu zijn viool, stemde die en begon te zingen:
(volgt hetzelfde lied).
Reiger schrok en riep uit: „Neen, broêr, houd op met dat lied, ik kan
het niet aanhooren. Dit lied doodde mijn grootvader en als ik het hoor
zingen, word ik bedroefd”. Maar de toovenaar ging door met spelen en
zingen en ziet, achtereenvolgens vielen weêr al de kleeren van Reiger’s
lijf.
Toen Reiger zich nu ontmaskerd zag, vloog hij door de open deur naar
buiten en verhief zich hoog in de lucht.
Ik bedoel er jou niet meê, Jack.