2. REIGER.

Er was eens een Indiaansche vrouw, die een dochter had, geboren met een

gouden ring om den vinger. Iedereen had van het geval gehoord, maar

niemand had het merkwaardige meisje gezien.

Toen Anansi deze geschiedenis vernam, wekte ze zijn eerzucht op, en hij

besloot het meisje tot zijn vrouw te nemen. Hij overlegde nu, hoe hij

het aan zou leggen, bij haar te worden toegelaten.

Aan het hoofd zijner muziekanten trok hij naar de woning van het meisje

en op zijn beleefd verzoek werd hij op het omheinde erf toegelaten. Hij

liet de muziekanten hun mooiste stukken spelen, maar deze konden het

meisje niet bekooren; haar gelaat bleef strak. Zij bleef droevig voor

zich uitstaren; zij glimlachte niet eens. Anansi, die zag, dat hij niet

vorderde, zei haar nu goeden dag en ging weêr naar huis terug.

Onderweg ontmoette hij zijn boezemvriend, heer Konijn. „Zeg, broêr

Anansi”, vroeg Konijn, „waar kom jij zoo vandaan?”, waarop Anansi

vertelde wat er gebeurd was. Toen Konijn alles had gehoord, gaf hij

Anansi te kennen, dat hij eveneens zijn geluk bij het meisje wilde gaan

beproeven. „Doe dat”, zei Anansi, „jij bent een heerlijke blanke

meneer; ik heb zoo’n idee, dat je slagen zult. Maar als het in orde

komt, deel het me in het teruggaan meê, en, wat ik zeggen wil, in dat

geval moet je mij als kamerheer te werk stellen”.

Konijn begreep niet, wat Anansi bedoelde, die stellig van plan was, hem

het meisje afhandig te maken.

Konijn begaf zich nu naar de woning van het meisje. De moeder deed hem

open en vroeg wat hij wilde. „Ik ben op zoek naar een verloofde”, zei

Konijn, „en denk haar hier te zullen vinden”. „Het spijt me, Heer

Konijn”, zei de moeder, „want ge zijt slechts een wouddier en aan een

dier wensch ik mijn dochter niet uit te huwen.”

Na eenig dralen begreep Konijn, dat hij maar moest heengaan [361].

Intusschen was Anansi buiten op Konijn blijven wachten, nieuwsgierig om

te vernemen, hoe het was afgeloopen. Toen hij nu van Konijn vernam, dat

ook deze een blauwtje had geloopen en zij samen het geval bleven

bespreken, voegde Reiger zich bij hen en luisterde gretig naar wat zij

vertelden.

Naar huis gaande, overlegde Reiger of ook hij niet een kans behoorde te

wagen, en hoe hij het zou aanleggen. Hij kleedde zich als een fijne

meneer, huurde een omnibus en reed naar het huis van het meisje, waar

hij hartelijk werd ontvangen en zóó in den smaak viel, dat reeds

dadelijk alles geregeld kon worden voor het aanstaand huwelijk.

Nu was er in het huis van het meisje een jongen, die toovenaar was, en

toen deze Reiger goed had bekeken, zei hij: „dat is geen fijne meneer;

dat is niemand anders dan Reiger, die zich verkleed heeft”.

„Je liegt”, zei het meisje, „het is mijn beminde, en geen verkleede

bedrieger”. „Heb geduld”, antwoordde de jonge man, „ik vind dat wel

uit”.

Hij volgde Reiger, eerst naar diens huis, en daarna naar den oever der

rivier, waar Reiger ging visschen. De toovenaar klom daar ongemerkt in

een boom, en terwijl Reiger zich daar met zijn arbeid bezig hield,

begon de jongen te zingen:

[Muzieknotatie]

Moderato.

My id dy, my id dy, Pyang [362], ha - lee, [363]

Come go da ri - - ver go, Pyang me.

Yak - ky, Yak - ky, Pyang, me je - - wah - - lee [364], Pyang, me.

Yak - ky, Yak - ky, Pyang, me je - wah - lee, Pyang.

Reiger had geen flauw vermoeden, dat iemand hem van een boom uit zat te

begluren.

Toen nu de toovenaar voor den eersten keer het lied had aangeheven,

richtte Reiger zich op en daardoor viel de hoed van zijn hoofd.

Toen nu de jongen het lied herhaalde, viel als vanzelf eerst de jas en

daarna het hemd van zijn lichaam en nadat de jongen het lied voor de

derde maal had gezongen, viel Reigers broek naar beneden.

De toovenaar had zich nu overtuigd, dat zijn vermoeden gegrond was, en

dat de vrijer van het Indiaansche meisje niemand anders dan Reiger was,

die zich onkenbaar had trachten te maken.

Reiger was nu, bevrijd van zijn kleeren, ijverig begonnen te visschen

en daarvan maakte de jongen gebruik, om zich ongemerkt uit de voeten te

maken.

Toen nu den daaropvolgenden dag de bruiloft zou plaats hebben [365] en

allen zich om den feestdisch geschaard hadden, stond de jonge toovenaar

op en zei: „Dames en heeren, als ge een aardig liedje wilt hooren, ik

weet er een”. Allen riepen als uit één mond: „Graag, steek van wal”!

De jonge man greep nu zijn viool, stemde die en begon te zingen:

(volgt hetzelfde lied).

Reiger schrok en riep uit: „Neen, broêr, houd op met dat lied, ik kan

het niet aanhooren. Dit lied doodde mijn grootvader en als ik het hoor

zingen, word ik bedroefd”. Maar de toovenaar ging door met spelen en

zingen en ziet, achtereenvolgens vielen weêr al de kleeren van Reiger’s

lijf.

Toen Reiger zich nu ontmaskerd zag, vloog hij door de open deur naar

buiten en verhief zich hoog in de lucht.

Ik bedoel er jou niet meê, Jack.

Mythen en sagen uit West-Indië · 第 121 / 174 题