BRAHA-[350] NANCI EN BRAHA-TOEKEMA.

Er waren twee vrienden; de een heette Braha Nanci, de ander Braha

Toekema. Allebei waren zeer lui. Ze wilden niet werken, maar leefden

liever van wat ze door stelen machtig konden worden.

Op zekeren dag zei B. N. tot B. T.: „kom, laat ons naar ’s konings

weide gaan; daar is een lekker stukje vleesch te krijgen.”

„Goed”, zei B. T., „dan moeten we in twee van de vetste ossen kruipen

en daaruit de lekkerste en vetste stukjes snijden; maar denk er om, B.

N., wanneer je bij dat stuk komt, dat zegt: tik! tik! tik!, snijd dat

er dan niet uit want dat tik! tik! tik!-stukje is het hart en zoodra je

dat er uitsnijd, valt de os dood onder je neêr”.

„Goed, B.T., ik zal oppassen”... en de beide vrienden namen hun zakken

op en begaven zich terstond op pad. Toen ze in de weide kwamen, zagen

ze verscheidene vette ossen rondloopen. „Ha! Ha! Ha!” zei B. N., „zie

je dien rooden vetten os daar, dien neem ik voor mij”. „Ha! Ha! Ha!”,

zei B. T., „in dien mooien grijzen daar kruip ik binnen!”

Zoo gezegd, zoo gedaan; de beide vrienden kropen in de twee vetste

ossen.

B. T. sneed de mooiste en vetste stukjes uit en was zeer voorzichtig,

wanneer hij bij het tik! tik! tik!-stukje kwam, en toen hij naar zijn

zin genoeg had uitgesneden, kroop hij uit den os, deed het vleesch in

den zak en keek hij rond naar B. N.

Maar deze was nog niet te zíen, daar hij zeer gulzig van aard was en

niet met weinig tevreden was, zoodat hij nog niet genoeg naar zijn zin

had kunnen uitsnijden.

B. T. werd ongeduldig en riep: „B. N., kom naar buiten”. „Ja, Ja, Ja”,

antwoordde zijn vriend, „nog dit eene vette, heerlijke stukje en dan

zal ik komen.”

Maar weêr verliepen minuten en nog kwam B. N. niet te voorschijn.

„B. N., ik zeg je, kom er uit!” riep B. T., nu werkelijk boos wordend.

„Ja, Ja, Ja, man, dit eene vette stukje nog, dan kom ik”, was het

antwoord, doch kort daarop viel de os plotseling dood neêr, want dat

eene vette stukje was het tik! tik! tik!-stukje geweest, het hart.

Toen de os dood neêrviel, wist B. N. eerst niet, wat gebeurde en van

schrik kroop hij in de pens en bleef hij daar ineengedoken en doodstil

zitten. B. T. bij den dooden os neêrhurkende, riep toen: „Ja, man, daar

zit je nu, dat komt nu van je gulzigheid; had je net als ik gedaan en

was je met weinig tevreden geweest, dan was je nu zoo ongelukkig niet

en had je het niet zoo doodsbenauwd”. Nauwelijks had hij dit gezegd, of

hij zag, tot zijn schrik, de koeienjongen van den Koning in de verte

aankomen. Hij nam zijn zak met vleesch op en liep zoo hard hij loopen

kon, weg.

De koeienjongen, den mooisten os van den Koning dood vindende, holde

dadelijk naar den Koning, om Hem het gebeurde mede te deelen. De Koning

gelastte hem, den os te slachten en Hem de stukken te brengen. Dit

gebeurde; alleen de ingewanden enz. enz. gaf de koeienjongen aan een

arme, oude vrouw.

Deze vrouw ging met alles naar de dicht bijzijnde rivier, om het schoon

te maken. Toen ze nu de pens opensneed, sprong B. N. met zóó groot

lawaai en geschreeuw er uit, dat het arme vrouwtje van schrik op den

grond viel. „Jou, leelijk oud wijf!” schreeuwde B. N., „daar zit ik

kalm en rustig aan den oever een dutje te doen en daar kom jij met je

vuile boel en bespat mijn mooie kleeren... Schaam je je niet—geef hier

dien viezen rommel en ga terstond naar huis, anders zal er nog wat met

jou gebeuren”.

En de arme, oude vrouw, bang voor den grooten barschen man, liet alles

op den grond liggen en liep, zoo hard zij loopen kon, weg.

Toen de vrouw uit het gezicht was, begon B. N. hartelijk te lachen, nam

de boel op, wiesch alles goed schoon, stopte het in den zak en ging

zijn vriend opzoeken. Eindelijk vond hij deze, en vertelde hem, hoe hij

ontsnapt was en bovendien, hoe hij dat arme vrouwtje voor den gek had

gehouden, en haar alles ontnomen had.

„Je bent me een slimme kerel!” zei B. T.; „maar neem een goeden raad

van mij aan, en laat je voortaan nooit meer door je gulzigheid

verleiden.”

De twee vrienden gingen nu verder en kwamen voorbij een huis, waar zoo

juist een oude vrouw gestorven was. Zij traden er binnen en dadelijk

begonnen zij met de familie meê te huilen en te schreeuwen, alsof de

dood van die oude moeder ook hen ter harte ging en zij ook veel van

haar gehouden hadden.

Ja, ze dreven de schijnheiligheid zóó op, dat ze zeurig eentoonig

begonnen te zingen:

„Een goede vrouw is zij geweest,

De grootste eer zij haar gebracht!”

„Kom!”, lieten ze er op volgen, „trek haar beste, zwart-zijden japon

aan; omhang haar met al haar goud en zilver, dan zullen we allen te

zamen roepen om haar, zoo rijk versierd, aan hen te toonen en zullen we

voor haar zingen en bidden. Doch”, zoo gingen ze verder, „om haar alle

eer te bewijzen, haal dan ook nog een ham, een blik boter, reuzel,

kaas, suiker, twintig pond varkensvleesch, sigaren, twee flesschen

wijn, twee flesschen rum, twee flesschen jenever, twee pond koffie

en... zet dat alles op groote tafels om haar heen”.

De familie, die zeer rijk en zeer bijgeloovig was, en daarbij het

prettig vond, om aan vrienden en kennissen al haar moois en sieraden te

kunnen vertoonen, deed, wat B. N. en B. T. zeiden. En toen alles klaar

was, schaarden allen zich om de doode heen.

De twee vrienden vingen toen weêr met hun eentoonig liedje aan:

„Een goede vrouw is zij geweest;

De grootste eer zij haar gebracht!”

Ach, zoo besloten zij, die arme vrouw was zoo’n goede moeder, laten we

voor haar zingen en bidden en zorgen, dat de booze geesten [352] haar

niet komen halen!” En zoo bleven zij uur aan uur doorzingen, geen

vermoeienis kennende.

Eindelijk vielen een paar gasten in slaap, zoodat de beide vrienden

steeds zachter en eentoniger begonnen te zingen, totdat op het laatst

allen in zoete rust waren gezongen.

Steeds doorzingende, stonden de beide vrienden eindelijk op, namen de

doode de gouden en zilveren sieraden af, die zij in hun wijde zakken

borgen en stopten vleesch, wijn, kortom al wat op de tafel stond in een

grooten mand, en gingen ten slotte, steeds doorzingende, de kamer en de

deur uit. Eenmaal buiten zijnde, vluchtten zij met mand en al het bosch

in, waarin ze in een oogwenk verdwenen waren.

De familieleden en kennissen, die den geheelen dag reeds bij het lijk

hadden gezongen en ook daarbij veel gegeten en gedronken hadden, bleven

rustig doorslapen en werden eerst tegen den morgen wakker.

Nog half slapende, keken ze naar de doode en van de doode naar de

tafels, en tot hun grooten schrik zagen ze, dat alles, alles gestolen

was.

Een algemeen gejammer brak los; men verweet elkander, die twee vreemde

mannen geloofd te hebben en men begon bij het lijk van de oude moeder

te vechten en te schelden.

En... onderwijl, op een veilige plek in het bosch, zaten B. N. en B.

T., onder den grootsten pret, zich te goed te doen aan de gestolen

eetwaren en bewonderden zij de fraaie gouden en zilveren sieraden!

Mythen en sagen uit West-Indië · 第 118 / 174 题