Er waren twee vrienden; de een heette Braha Nanci, de ander Braha
Toekema. Allebei waren zeer lui. Ze wilden niet werken, maar leefden
liever van wat ze door stelen machtig konden worden.
Op zekeren dag zei B. N. tot B. T.: „kom, laat ons naar ’s konings
weide gaan; daar is een lekker stukje vleesch te krijgen.”
„Goed”, zei B. T., „dan moeten we in twee van de vetste ossen kruipen
en daaruit de lekkerste en vetste stukjes snijden; maar denk er om, B.
N., wanneer je bij dat stuk komt, dat zegt: tik! tik! tik!, snijd dat
er dan niet uit want dat tik! tik! tik!-stukje is het hart en zoodra je
dat er uitsnijd, valt de os dood onder je neêr”.
„Goed, B.T., ik zal oppassen”... en de beide vrienden namen hun zakken
op en begaven zich terstond op pad. Toen ze in de weide kwamen, zagen
ze verscheidene vette ossen rondloopen. „Ha! Ha! Ha!” zei B. N., „zie
je dien rooden vetten os daar, dien neem ik voor mij”. „Ha! Ha! Ha!”,
zei B. T., „in dien mooien grijzen daar kruip ik binnen!”
Zoo gezegd, zoo gedaan; de beide vrienden kropen in de twee vetste
ossen.
B. T. sneed de mooiste en vetste stukjes uit en was zeer voorzichtig,
wanneer hij bij het tik! tik! tik!-stukje kwam, en toen hij naar zijn
zin genoeg had uitgesneden, kroop hij uit den os, deed het vleesch in
den zak en keek hij rond naar B. N.
Maar deze was nog niet te zíen, daar hij zeer gulzig van aard was en
niet met weinig tevreden was, zoodat hij nog niet genoeg naar zijn zin
had kunnen uitsnijden.
B. T. werd ongeduldig en riep: „B. N., kom naar buiten”. „Ja, Ja, Ja”,
antwoordde zijn vriend, „nog dit eene vette, heerlijke stukje en dan
zal ik komen.”
Maar weêr verliepen minuten en nog kwam B. N. niet te voorschijn.
„B. N., ik zeg je, kom er uit!” riep B. T., nu werkelijk boos wordend.
„Ja, Ja, Ja, man, dit eene vette stukje nog, dan kom ik”, was het
antwoord, doch kort daarop viel de os plotseling dood neêr, want dat
eene vette stukje was het tik! tik! tik!-stukje geweest, het hart.
Toen de os dood neêrviel, wist B. N. eerst niet, wat gebeurde en van
schrik kroop hij in de pens en bleef hij daar ineengedoken en doodstil
zitten. B. T. bij den dooden os neêrhurkende, riep toen: „Ja, man, daar
zit je nu, dat komt nu van je gulzigheid; had je net als ik gedaan en
was je met weinig tevreden geweest, dan was je nu zoo ongelukkig niet
en had je het niet zoo doodsbenauwd”. Nauwelijks had hij dit gezegd, of
hij zag, tot zijn schrik, de koeienjongen van den Koning in de verte
aankomen. Hij nam zijn zak met vleesch op en liep zoo hard hij loopen
kon, weg.
De koeienjongen, den mooisten os van den Koning dood vindende, holde
dadelijk naar den Koning, om Hem het gebeurde mede te deelen. De Koning
gelastte hem, den os te slachten en Hem de stukken te brengen. Dit
gebeurde; alleen de ingewanden enz. enz. gaf de koeienjongen aan een
arme, oude vrouw.
Deze vrouw ging met alles naar de dicht bijzijnde rivier, om het schoon
te maken. Toen ze nu de pens opensneed, sprong B. N. met zóó groot
lawaai en geschreeuw er uit, dat het arme vrouwtje van schrik op den
grond viel. „Jou, leelijk oud wijf!” schreeuwde B. N., „daar zit ik
kalm en rustig aan den oever een dutje te doen en daar kom jij met je
vuile boel en bespat mijn mooie kleeren... Schaam je je niet—geef hier
dien viezen rommel en ga terstond naar huis, anders zal er nog wat met
jou gebeuren”.
En de arme, oude vrouw, bang voor den grooten barschen man, liet alles
op den grond liggen en liep, zoo hard zij loopen kon, weg.
Toen de vrouw uit het gezicht was, begon B. N. hartelijk te lachen, nam
de boel op, wiesch alles goed schoon, stopte het in den zak en ging
zijn vriend opzoeken. Eindelijk vond hij deze, en vertelde hem, hoe hij
ontsnapt was en bovendien, hoe hij dat arme vrouwtje voor den gek had
gehouden, en haar alles ontnomen had.
„Je bent me een slimme kerel!” zei B. T.; „maar neem een goeden raad
van mij aan, en laat je voortaan nooit meer door je gulzigheid
verleiden.”
De twee vrienden gingen nu verder en kwamen voorbij een huis, waar zoo
juist een oude vrouw gestorven was. Zij traden er binnen en dadelijk
begonnen zij met de familie meê te huilen en te schreeuwen, alsof de
dood van die oude moeder ook hen ter harte ging en zij ook veel van
haar gehouden hadden.
Ja, ze dreven de schijnheiligheid zóó op, dat ze zeurig eentoonig
begonnen te zingen:
„Een goede vrouw is zij geweest,
De grootste eer zij haar gebracht!”
„Kom!”, lieten ze er op volgen, „trek haar beste, zwart-zijden japon
aan; omhang haar met al haar goud en zilver, dan zullen we allen te
zamen roepen om haar, zoo rijk versierd, aan hen te toonen en zullen we
voor haar zingen en bidden. Doch”, zoo gingen ze verder, „om haar alle
eer te bewijzen, haal dan ook nog een ham, een blik boter, reuzel,
kaas, suiker, twintig pond varkensvleesch, sigaren, twee flesschen
wijn, twee flesschen rum, twee flesschen jenever, twee pond koffie
en... zet dat alles op groote tafels om haar heen”.
De familie, die zeer rijk en zeer bijgeloovig was, en daarbij het
prettig vond, om aan vrienden en kennissen al haar moois en sieraden te
kunnen vertoonen, deed, wat B. N. en B. T. zeiden. En toen alles klaar
was, schaarden allen zich om de doode heen.
De twee vrienden vingen toen weêr met hun eentoonig liedje aan:
„Een goede vrouw is zij geweest;
De grootste eer zij haar gebracht!”
Ach, zoo besloten zij, die arme vrouw was zoo’n goede moeder, laten we
voor haar zingen en bidden en zorgen, dat de booze geesten [352] haar
niet komen halen!” En zoo bleven zij uur aan uur doorzingen, geen
vermoeienis kennende.
Eindelijk vielen een paar gasten in slaap, zoodat de beide vrienden
steeds zachter en eentoniger begonnen te zingen, totdat op het laatst
allen in zoete rust waren gezongen.
Steeds doorzingende, stonden de beide vrienden eindelijk op, namen de
doode de gouden en zilveren sieraden af, die zij in hun wijde zakken
borgen en stopten vleesch, wijn, kortom al wat op de tafel stond in een
grooten mand, en gingen ten slotte, steeds doorzingende, de kamer en de
deur uit. Eenmaal buiten zijnde, vluchtten zij met mand en al het bosch
in, waarin ze in een oogwenk verdwenen waren.
De familieleden en kennissen, die den geheelen dag reeds bij het lijk
hadden gezongen en ook daarbij veel gegeten en gedronken hadden, bleven
rustig doorslapen en werden eerst tegen den morgen wakker.
Nog half slapende, keken ze naar de doode en van de doode naar de
tafels, en tot hun grooten schrik zagen ze, dat alles, alles gestolen
was.
Een algemeen gejammer brak los; men verweet elkander, die twee vreemde
mannen geloofd te hebben en men begon bij het lijk van de oude moeder
te vechten en te schelden.
En... onderwijl, op een veilige plek in het bosch, zaten B. N. en B.
T., onder den grootsten pret, zich te goed te doen aan de gestolen
eetwaren en bewonderden zij de fraaie gouden en zilveren sieraden!