CREOOLSCHE FOLK-LORE VAN ST.-EUSTATIUS.

St.-Eustatius, het voornaamste der drie aan Nederland toebehoorende

Bovenwindsche eilanden, vormt een deel der vulkanische eilandenreeks,

die, bij Saba beginnend, in Zuid-waartsche richting zich tot het

Engelsche eiland Grenada uitstrekt. Niet alleen door zijn

bodemgesteldheid, voor een groot deel uit los, zeer doorlatend en

vruchtbaar vulkanisch materiaal opgebouwd, maar ook door zijn ligging

onder den invloed van de N.O. Passaat wijkt dit eiland geheel af van

het voornaamste der Benedenwindsche eilanden, het op 800 kilometers in

Z.O. richting verwijderd liggende eiland Curaçao.

Wanneer op ruime schaal voor het vasthouden van het regenwater en voor

den aanleg van een beter wegenstelsel werd zorg gedragen, zou de bodem

van dit eiland, dat van oudsher een broeinest voor den smokkelhandel is

geweest, meer dan thans het geval is, kunnen opleveren, en zou de

armoede, die er nu overheerscht, voor betere economische toestanden

plaats maken.

De bevolking, gedeeltelijk Nederlanders en hunne afstammelingen,

gedeeltelijk uit de nakomelingen van de Negerslaven en hunne onderlinge

kruisingen voortgekomen, spreekt er algemeen Engelsch, zoodat het heel

wat moeite kost, het Nederlandsch ingang te doen vinden. Over het

algemeen staat de bevolking er op een hooger peil van ontwikkeling dan

bijv. op Curaçao, waartoe de ligging van het eiland en de toenemende

Engelsche invloed in W.-I. door de verbinding met Noord-Amerika

belangrijk heeft bijgedragen. Terwijl nl. de bevolking naast den

kleinen landbouw, waarin de toekomst van St.-Eustatius ligt, [347] het

visschersbedrijf uitoefent, doen niet weinigen dienst op vaartuigen op

Noord-Amerika, welke omstandigheid aan het peil der ontwikkeling ten

goede is gekomen en waardoor het Engelsch wel altijd de voertaal zal

blijven, hoezeer de bewoner zich steeds Statiaan (d.i. bewoner van

St.-Eustatius) en Nederlandsch onderdaan blijft voelen.

Dat door de genoemde omstandigheden het karakter der door de

Negerslaven uit Afrika medegebrachte mondelinge overleveringen hier nog

meer door vreemde invloeden zal geleden hebben, was te verwachten.

Tot voor zeer korten tijd, toen nl. het grootste deel van dezen bundel

reeds afgedrukt was, had het onderzoek naar publicaties over folk-lore

van St.-Eustatius niets opgeleverd, totdat ik door een gelukkig toeval

kennis mocht maken met den oud-gezaghebber van het eiland, die er 18

jaren heeft doorgebracht en wiens echtgenoote, Mevrouw Jo van Grol, er

een verzameling vertellingen bijeen heeft weten te brengen, waarvan ik

een der meest karakteristieke, d.w.z. een nog weinig beïnvloede

spinvertelling, in dezen bundel heb mogen opnemen [348]. De bedoelde

vertellingen zijn afkomstig van een kleurlinge, die „nurse” [349] was

bij het dochtertje van den Heer en Mevrouw van Grol, en ze in het

Engelsch heeft verteld.

Ook op St.-Eustatius behoeft de folk-lorist niet voor negatief

resultaat te vreezen; want ook hier wordt de vertelling bij allerlei

gelegenheden nog steeds in eere gehouden. Bij feesten bijv., zoo werd

mij verteld, waarop, bij fakkellicht, nog de echte ouderwetsche dansen

worden uitgevoerd, wordt de tijd ook aangenaam doorgebracht met zang en

met vertellingen „van toen en toen, waarin vooral de praatgrage oudjes

onuitputtelijk zijn”.

De spinvertelling, die hieronder volgt en getiteld is: „Braha [350]

Nanci [351] en Braha Toekema” is, merkwaardig genoeg, een variant op de

onder No. 4 van den Surinaamschen stadsneger-bundel opgenomen

anansi-tori, getiteld: „Anansi, Tijger en de doode Koe” en is blijkbaar

van denzelfden oorsprong. Opmerking verdient het, dat een rivier,

waarvan de vertelling gewaagt, op St.-Eustatius niet voorkomt. De

vertelling, of het motief voor deze, moet dus òf door slaven in de

eerste tijden der kolonisatie uit Afrika medegebracht, òf in later

tijden uit Suriname overgebracht zijn.

Mythen en sagen uit West-Indië · 第 117 / 174 题