NANSI EN TEMEKÓE- [344]TEMEBÈ [345].

Op een keer, dat Nansi op het open veld rondliep, kwam hij langs een

tamarinde*. Opkijkende, om te zien of er geen rijpe vruchten aan den

boom waren, die hij voor zijn vrouw zou kunnen plukken voor het

bereiden van tamarinde-water en tamarinde-pap, zag hij een man in den

boom zitten. Het gezicht van den man was geheel bedekt met een doek,

die van zijn voorhoofd tot zijn knieën afhing, en hij was bezig

pinda’s* te eten uit een bak, dien hij op zijn schoot had. „Dat is

zeker een vreemde geschiedenis”, zei Nansi, „maar laat ons zien, of ik

ook niet eenige pinda’s kan eten, zonder dat die oude heer het merkt;

zijn gezicht is toch heelemaal bedekt”.

Stilletjes klom Nansi den boom in en ging tegenover den pinda-eter

zitten, die zijn komen niet scheen op te merken, daar hij met eten

voortging. Nansi gluurde in het bakje en zag, dat er nog veel pinda’s

in waren; hij wachtte, totdat de man zijn hand uit het bakje haalde, en

toen stak hij zelf de hand er in, haalde een handvol pinda’s er uit en

begon te eten. En zoo staken zij om beurten de hand in het bakje,

totdat er slechts één pinda over was. Had Nansi zich nu tevreden

gesteld met hetgeen hij reeds op had, en zich weêr uit den boom laten

zakken, dan was alles goed afgeloopen; maar hij stak de hand in het

bakje, om de laatste pinda er uit te halen.

Hoe dat zoo gebeurde, begreep hij zelf niet, maar op hetzelfde

oogenblik stak ook de man zijn vingers in het bakje. De twee handen

ontmoetten elkander—en Nansi voelde vijf sterke vingers zijn hand

omsluiten. Wat Nansi ook deed om zijn hand te bevrijden, het hielp

niet. Op het laatst begon hij den man te smeeken, hem los te laten.

„Daar komt niets van in”, zei de man, „je hebt mijn pinda’s zitten

opeten, zonder dat ik je er verlof toe gegeven had: nu laat ik je niet

gaan. Mijn beenen kunnen mij niet meer dragen; daarom zal je mij van nu

af op je rug moeten dragen. Wij zullen voortaan bij elkaar blijven.

Klim uit den boom en draag mij naar je huis”. Hoe kwaad Nansi ook was,

hij was verplicht te doen wat de man vroeg, omdat hij de overtuiging

had, dat, als hij weigerde, hij met zijn sterke vingers gewurgd zou

worden.

Zoo klom dan Nansi uit den boom en toog huiswaarts. De schrik van zijn

vrouw, Shi Maria, en van haar kinderen, toen zij Nansi met den man op

zijn rug zagen binnenkomen, was niets, vergeleken bij hun droefheid,

toen zij hoorden, dat de man niet van plan was, Nansi’s rug te

verlaten. Maar ook dat beteekende weinig bij hetgeen nog stond te

gebeuren.

Toen het etenstijd was en Shi Maria het eten opbracht, dat zij heel

lekker had klaar gemaakt, om Nansi een kleinen troost in zijn ellende

te geven, deed de man plotseling den mond open en zei:

„Temekóe-Temebè!” Op hetzelfde oogenblik was het, alsof zoowel Nansi

als Shi Maria en de kinderen met lamheid geslagen werden; geen van

allen kon een vin verroeren. De man ging toen zitten en at zich den

buik vol; slechts enkele ellendige stukken liet hij voor de anderen

over.

Zoo ging het dagen en dagen lang voort. Dag aan dag werden Nansi, zijn

vrouw en kinderen al treuriger en magerder. Hoe bij de hand Nansi ook

was, hij kon maar geen middel verzinnen, om zich zijn metgezel van den

hals te schuiven. Eindelijk sloeg Shi Maria voor, om bij God te gaan

[346], als de man goed in slaap was, en om God te vragen, wat hij doen

moest, om den last van zijn rug te wentelen.

De man was nauwelijks in slaap, of Nansi ging bij God, wien hij

verzocht, hem een middel aan de hand te doen, om den man kwijt te

raken; want zijn krachten begonnen zichtbaar af te nemen. God zei tegen

hem: „zoodra de man zegt „Temekóe-Temebè” moet ge onmiddellijk het

laatste woord Temebè herhalen; dan zal het de man zijn, die machteloos

wordt, zoodat ge hem zult kunnen dooden. Maar let wel: op je weg naar

huis zal je drie vruchtboomen zien, een guave*, een zuurzak* en een

schopappelboom*. Eet geen van die vruchten, omdat, als je het wèl doet,

je inplaats van het woord, dat ik je geleerd heb, den naam van de

vrucht, die je gegeten hebt, herhalen zult”.

Welgemoed ging Nansi huiswaarts, maar al weêr bedroog hem zijn

gulzigheid, evenzoo als zij hem in den tamarindeboom parten gespeeld

had; hij bereikte nauwelijks den guaveboom of hij nam er een vrucht

van, en at die op.

Het is wel niet noodig te zeggen, dat alles gebeurde, zooals God

voorspeld had: toen de man de gebruikelijke woorden had uitgebracht,

wilde Nansi het woord zeggen, dat God hem geleerd had, maar in plaats

van „Temebè”, riep hij „guave!”

„Hoe is het mogelijk, dat je zoo dom kon wezen: ga maar weêr bij God en

vraag het woord te mogen weten, dat je zeggen moet”, zei Shi Maria,

toen hij maar niet op het woord kon komen.

Nog eenmaal ging Nansi bij God, die hem hetzelfde als den vorigen keer

herhaalde, maar weêr at hij onderweg een van de verboden vruchten; wel

was hij den guaveboom voorbij geloopen, zonder een vrucht er van te

plukken, maar hij bezweek voor de verleiding van een zuurzak: hij nam

er van en at de vrucht. Dezelfde geschiedenis als met de guave

herhaalde zich: Nansi riep „zuurzak” in plaats van „Temebè”.

Nansi kon zich de haren uit het hoofd rukken van kwaadheid, maar er

viel niets anders te doen, dan voor de derde maal bij God te gaan.

Shi Maria wanhoopte reeds; want zij wist, dat Nansi’s gulzigheid hem

weêr er toe zou brengen, een van de vruchten te eten. Dit begreep ook

Nansi’s jongste spruit, die even bij de hand was als zijn vader: daarom

zon hij op een middel, om bij God te gaan met zijn vader, zonder dat

deze er iets van merkte; hij besloot nl. de gedaante van een klis aan

te nemen, en hechtte zich aan ’s vader’s broek, toen Nansi weêr bij God

ging.

Bij God komende, vertelde Nansi zijn ongeluk: met een flinke berisping,

zooals hij zulks verdiend had, kreeg Nansi voor de derde maal te

hooren, wat hij doen en voornamelijk wat hij laten moest. Ook het

zoontje hoorde alles.

Wat Shi Maria verondersteld had, gebeurde: Nansi at weêr een vrucht:

twee van de drie boomen ging hij voorbij maar de schopappels waren zóó

verlokkend, dat hij er een vrucht van plukte en deze opat.

Op etenstijd geschiedde weêr hetzelfde; maar toen Nansi riep:

„schopappel!” schreeuwde zijn zoontje boven vaderlief uit: „Temebè!” en

op hetzelfde oogenblik werd de man volkomen machteloos. Nansi smeet hem

nu op den grond, en doodde hem. Maar in plaats dat Nansi nu voldaan

was, daar hij immers van den man bevrijd was, nam hij een mes, sneed

een stuk vleesch uit ’s man’s lichaam en at het op. Nauwelijks was het

vleesch in zijn keel verdwenen, of zijn mond veranderde in een snoet,

zooals de varkens dien heden ten dage hebben; want toen ter tijd hadden

de varkens mooie snoetjes.

„Je hebt je verdiende loon”, zei Shi Maria tot haar man, „wie dreef je

er toe, om van het vleesch van dien man te eten”?

Nansi was zeer neerslachtig, zooals wel te begrijpen was: met zijn

varkenssnoet durfde hij nu alleen ’s avonds laat of in den vroegen

morgen vòòr het licht was, uit te gaan, daar hij bang was, dat zijn

vrienden hem zouden uitlachen.

Eens op een morgen wandelde hij aan den kant van een breed water, toen

hij daar dichtbij een varken zag, dat een mooien snoet had. Hij dacht

bij zich zelf: och, kon ik ook zoo’n snoet hebben! Meteen kwam de

gedachte bij hem op, om met Varken van gelaat te verwisselen.

„Heer Varken”, zoo begon hij, „wat lijkt dit water schoon en frisch;

een bad daarin zal lekker zijn. Zou u niet een bad met mij willen

nemen?” „Waarom niet”, antwoordde het varken. „Maar weet u wel, heer

Varken”, zoo ging Nansi voort, „dat we, voordat we te water gaan, onzen

snoet moeten afnemen, daar ik gehoord heb, dat water niet goed is voor

den mond van mensch en dier”. „Ik heb er niets tegen”, zei het Varken.

Daarop namen nu Nansi en Varken beiden hun snoet af en gingen te water.

Het water was zóó frisch, dat Varken naar het midden zwom. Toen Nansi

nu zag, dat vriend Varken ver genoeg was, liep hij het water uit, pakte

den snoet van Varken, zette hem op, voordat Varken aan land was en liep

weg. Zoo moest Varken den snoet van Nansi aandoen.

En van toen af is het, dat de varkens in den grond wroeten, om den

snoet te zoeken, dien zij voorheen hadden.

Mythen en sagen uit West-Indië · 第 116 / 174 题