Cuenta di Nansi.
In vier dagen varens bereikt men per stoomschip uit Paramaribo het vóór
de Venezuelaansche kust liggende eiland Curaçao [341], dat èn door deze
gunstige ligging voor den handel èn door zijn droog klimaat geheel
andere economische toestanden in het leven heeft geroepen, dan die,
welke wij in het tropische regenwoud-gebied van Zuid-Amerika, waartoe
Guyana behoort, hebben aangetroffen.
Ook op de physische en geestelijke eigenschappen der bewoners hebben
beide factoren, na eeuwenlange inwerking, een belangrijken invloed
uitgeoefend.
De oorspronkelijke bevolking van Curaçao en andere eilanden zal hier
buiten beschouwing moeten blijven, daar reeds in 1634, toen de
Nederlanders zich van het eiland meester maakten, nadat het sedert 1527
een Spaansche bezitting was geweest, er slechts 1415 Indianen over
waren gebleven, die er ten slotte, evenals op de meeste West-Indische
eilanden, geen nakomelingen van zuiver ras hebben achtergelaten.
De negers, tot welke wij ons hier dus zullen moeten bepalen, en die er
na den vrede van Munster als slaven zijn ingevoerd, hebben zich na
hunne vrijverklaring op veel uitgebreider schaal met de overige
bewoners vermengd, zoodat kleurlingen er de onvervalschte negers ver
overtreffen, welke laatsten grootendeels buiten Willemstad, de
hoofdstad van het eiland, worden aangetroffen.
De Curaçaosche negers zijn tengevolge van het droge klimaat en door de
grootere inspanning, die van hen vereischt wordt, om aan den kost te
komen, tot krachtig gebouwde, taaie, voor zwaren arbeid geschikte
menschen geworden. De, hoewel niet onvruchtbare, doch dorre
bodemgesteldheid dwingt hen tot werken en door den werkzamen aard van
den Curaçaoschen neger en door zijn gewilligheid, ook buiten de
slavernij plantage-arbeid te verrichten—in tegenstelling van den
Surinaamschen neger, die weinig behoeft te doen, om te eten te hebben
en die plantage-arbeid, vroeger in slavernij verricht, een schande
vindt—zou het eiland bij behoorlijke watervoorziening tot hoogere
welvaart gebracht kunnen worden, waar onder hen nu veelal armoede moet
heerschen (Ko).
Is dus aan den eenen kant de oorspronkelijke werkzame aard van den
neger op Curaçao veel minder verloren gegaan dan in Suriname, aan den
andere kant heeft zijn langdurige aanraking met Spaansch sprekende
naburen in zijn doen en laten wijzigingen tot stand gebracht, die ook
op zijn uit Afrika medegebrachte mondelinge overleveringen hunnen
invloed hebben doen gelden.
Wanneer ik hier nu nog bijvoeg, dat zoo goed als alle negers en
kleurlingen van het eiland tot de katholieke kerk zijn overgegaan, mag
het niet bevreemden, dat de dierenfabel nog meer dan in Suriname onder
vreemden invloed verbasterd is.
De omgangstaal op Curaçao is niet het Neger-Engelsch (tegenwoordig
beter Neger-Hollandsch genoemd), doch het papiamento, dat een patois
is, gevormd uit een mengsel van gebroken Spaansch en Portugeesch en van
verbasterde Nederlandsche en Engelsche woorden, die dikwijls zoozeer
verminkt zijn, dat men het oorspronkelijke woord moeilijk meer
herkennen kan. Behalve deze elementen, komen er nog woorden van
Indiaanschen en Afrikaanschen oorsprong in voor, die echter ver in de
minderheid zijn.
Het papiamentsch, dat een zeer lange geschiedenis achter zich heeft, is
gaandeweg de volkstaal geworden, die voor het Nederlandsch in de
kolonie niet heeft kunnen wijken en waarvan de Neger, kinderlijk als
hij uit zijn aard is, zich gaarne bedient, wegens de kernachtige, naïve
wijze, waarop hij er zich in kan uitdrukken en wegens de vele
zoetvloeiende woorden, die het hem mogelijk maken, ze door
verschillende stembuigingen meer te zingen, dan te spreken (Ko.).
Wat nu de Neger-vertellingen betreft, die op Curaçao Cuenta di Nansi (=
vertellingen van Spin) worden genoemd, ook in deze, oorspronkelijk uit
Afrika, meer in het bijzonder van de Goudkust-negers afkomstige
dierenfabels treedt nansi nimmer zelf verhalend op. Ook hier zijn het
voorvallen uit zijn leven, die door een ander verteld worden. Speciale,
daarin zeer bedreven vertellers worden op Curaçao „hinchado di cuenta”
genoemd.
Weinig is er tot nu toe aangaande dit onderwerp in het licht gegeven,
hetgeen te betreuren is, daar het verzamelde materiaal het mogelijk zou
gemaakt hebben, de wijzigingen te leeren kennen, die door vreemden
invloed in een zelfde uit Afrika afkomstige dierenfabel tot stand zijn
gekomen.
Wij zijn slechts aangewezen op enkele cuenta di nansi, opgenomen in het
derde jaarverslag van het Geschied-, Taal-, Land- en Volkenkundig
Genootschap te Willemstad, waarvan de verzamelaar vermoedelijk J. H. J.
Hamelberg was, en uit welke een hier als voorbeeld moge dienen.
Pogingen, om hier te lande bij Oud-Curaçao’ers onuitgegeven cuenta di
nansi machtig te worden, mislukten, omdat, hoewel het bestaan dezer
overleveringen bij het meerendeel niet onbekend was, niemand in staat
was, mij een voorbeeld te verschaffen. Dat een in een katholieke
inrichting aldaar opgevoed negermeisje zelfs van deze negervertellingen
nimmer gehoord had, illustreert wel genoegzaam de veranderingen, die
het volkseigen onder den invloed der missie ondergaat.
Veel minder moeilijk bleek het mij echter, bij Oud-Surinamers de
verzameling anansi-tori’s uit te breiden—eene ervaring, die in
overeenstemming is met het mij medegedeelde feit, dat er in Suriname
over het algemeen een intiemer verhouding bestaat tusschen het zwarte
en het blanke element, dan op Curaçao.
Maar hoe ook vreemde, meer in het bijzonder katholieke invloed op de
volkstraditie van den neger op Curaçao moge hebben ingewerkt [342],
zijn oorspronkelijk karakter heeft er, evenmin als dat van Heer Spin,
in het minst niet door de overbrenging uit Afrika geleden, zoodat hier
dus de waarheid van het West-Afrikaansche spreekwoord bevestigd wordt,
dat luidt: „Waar de mensch ook heentrekt, altijd neemt hij zijn
karakter meê” (zie blz. 384).
Na de toelichtingen bij de Surinaamsche anansi-tori’s mag hier ten
aanzien van de cuenta di nansi met de opmerking volstaan worden, dat
onder de enkele voorbeelden, die van de Curaçaosche negerfolklore in
het licht zijn gegeven, varianten voorkomen op niet slechts in
Suriname, doch ook in West-Afrika opgeteekende spinvertellingen—„Nansi
en de teerpop” [343] bijvoorbeeld van Hamelberg’s verzameling komt
overeen met No. 9, getiteld „Spin en Krekel” in onzen bundel, en met
„Spider discovers the Waxgirl” uit Sierra Leone (Cr.)—en dat de door
mij in dezen bundel opgenomen spinvertelling: „Temekóe-Temebè” tot de
categorie der fabels behoort, die een verklaring moeten geven van den
lichaamsbouw van diersoorten.