Máss’ra, tamára joe no sa si wi móro, miauw. [336]

Den volgenden morgen was de gansche slavenmacht gevlucht (Ph.).

Dr. W. R. van Hoëvell vertelt nog een ander typisch voorbeeld van den

fijnen geest van den Neger, wanneer hij in zijn reeds aangehaald boek

(zie: blz. 219) van een doe* [337] gewaagt, die ter eere van Prins

Hendrik, Broeder van Willem III, werd gegeven, teneinde den Hoogen

Bezoeker in den waan te brengen, de gelukkigste menschen voor zich te

zien.

Prins Hendrik, zegt de schrijver, door den Gouverneur begeleid, vatte

natuurlijk den zin van het lied niet, dat de negerslaven bij den dans

zongen en hij verkeerde in dit opzicht in het geval der meeste Blanken,

die zulke feesten bijwoonden. Bijna niemand stelde zooveel belang in de

scherts en den geest der slaven, dat zij moeite deden, uit hunne

geïmproviseerde zangen te begrijpen, wat er in hun gemoed omging. En de

Gouverneur zal het toen ook wel niet begrepen hebben wat de negers

zongen. Maar al had hij het begrepen, dan nog zou hij het den Prins

niet hebben uitgelegd, toen zij zongen:

Joe sóri hem da boen

Joe móesoe sori hem da ógri toe! [338]

Eindelooze malen herhaald, moest dit lied Prins Hendrik duidelijk

maken, dat de Gouverneur eenzijdig was in zijn voorstelling. Konden de

negerslaven aan hun verkropt gemoed op ironischer en beschaafder wijze

lucht geven, dan zij het in dezen zang deden?

Om nu tot de Boschneger-anansi-tori’s terug te keeren, zoo heb ik voor

dezen bundel een spinvertelling gekozen, waarin de herinnering aan

Afrika nog het duidelijkst uitkomt, omdat een der hoofdpersonen in de

vertelling de Olifant is, het grootste landzoogdier der Afrikaansche

fauna (zie: blz. 240) en die de Afrikaansche neger zoo gaarne in zijn

dierenfabels laat optreden (Ba. en Cr. [339]). Het verhaal toont ons

tevens de groote voorliefde van den neger, om over dingen, die men in

fatsoenlijk gezelschap tegenwoordig niet aanroert, platweg te spreken

(Zie No. 23 der Stadsneger-vertellingen).

De vertelling, die in den oorspronkelijk uit de Boschneger-taal

overgebrachte Duitschen tekst geen opschrift draagt, heb ik betiteld:

HOE HEER SPIN DOOR ZIJN BEKWAAMHEID ALS GENEESHEER DE MOOIE DOCHTER VAN

DEN LANDVOOGD WIST TE KRIJGEN.

Er leefde eens een wonderschoon, lieftallig meisje, de eenige dochter

van den Gouverneur. Vooral om haar schoonheid had zij tal van

bewonderaars, die haar tot vrouw wenschten. Het waren niet alleen

menschen, die om haar hand dongen, maar ook allerlei dieren, visschen

en vogels. Spin behoorde natuurlijk ook tot de partij!

Alle mededingers zouden zoo gelukkig zijn, het mooie meisje hun vrouw

te mogen noemen, maar geen van allen was het nog gelukt, aan den eisch

harer ouders te voldoen. Alleen hij, zoo hadden deze bepaald, zal onze

dochter tot vrouw hebben, die ons den tand van een olifant ten

geschenke geeft. Ook aan Heer Spin was deze voorwaarde gesteld, maar

hij, listiger dan de andere vrijers, liet zich er niet door afschrikken

en moedeloos maken, doch begon dadelijk bij zichzelf te overleggen, hoe

hij in het bezit van een olifantstand zou kunnen komen. Slimme Spin had

spoedig zijn plan gemaakt, en zette zich dadelijk aan den arbeid, om

het uit te voeren. Hij zocht een schop en een lang, dik touw te

krijgen, en begaf zich daarna met zijn gereedschap op een hoogen berg.

Hier aangekomen, legde hij het touw neêr, en begon hij met zijn schop

tot aan den voet van den berg een weg aan te leggen, dien hij zóó breed

maakte, als hij dacht, dat de Olifant lang was. Toen hij er mede gereed

was, trok hij er op uit, op zoek naar een olifant.

Al heel gauw ontmoette hij er een, die op de wandeling was. „Vriend

Olifant”, begon Spin dadelijk, „hoe is het? Willen we samen niet wat

gaan spelen—je weet wel, ons oud spel boven op den berg?” Hoewel

Olifant zich niet herinneren kon, ooit met Spin gespeeld te hebben,

vond hij het toch wel prettig, en antwoordde hij: „Goed, laten we wat

gaan spelen”.

Boven gekomen, nam nu Spin het touw en zei tot Olifant: „Hier, neem dit

touw, en bind het stevig om mijn lichaam heen; dan moet je mij een

duwtje geven, en laat je mij op den weg, dien ik heb gegraven, den berg

afrollen. Als ik beneden ben aangekomen, moet je hard naar beneden

hollen, en zoo gauw mogelijk het touw losmaken”. Zoo gezegd zoo gedaan.

Olifant verheugde zich koninklijk, toen hij Spin den berg zag afrollen.

Toen Olifant beneden was aangekomen en zijn speelkameraad bevrijd had,

zei deze: „Dit spelletje vind ik kostelijk, jij ook niet, vriend

Olifant? Nu ben jij aan de beurt, dus laten we samen weêr naar boven

gaan!” Zoo deden ze, en toen ze weêr boven op den berg waren

aangekomen, zei Spin: „Zoo vriend, ga nu op den grond liggen, dan bind

ik jou”. Olifant deed wat Spin hem bevolen had, en toen snoerde Spin

het touw zóó stevig om zijn vier pooten, dat hij er niet een van

bewegen kon. Daarna liep Spin, zoo snel hij kon, nog eens den weg heen

en weêr, om te zien of de weg in orde was. Maar slimme Spin deed het,

om op verschillende afstanden groote steenen langs den weg te kunnen

rollen, waar de kop van Olifant zou moeten passeeren.

Toen Spin er meê klaar was, zei hij tot Olifant: „Ziezoo, mijn beste

vriend, nu kan jij er op losgaan”, en op het zelfde oogenblik gaf hij

hem een zóó krachtigen stoot, dat hij dadelijk in beweging kwam. Toen

Olifant echter aan het rollen was, stootte hij telkens zóó hard tegen

een der langs den weg liggende steenen, dat ten slotte een zijner

groote tanden afbrak. Haastig liep nu Spin naar beneden, en pakte den

afgebroken tand.

Intusschen was Olifant beneden aangekomen en woedend riep hij in zijn

benarden toestand Spin toe, dadelijk naar beneden te komen en hem te

bevrijden. Maar Spin schreeuwde hem toe: „Neen, vriend Olifant, dat zal

ik wel laten; ik verlang er heusch niet naar, om me door jou te laten

vermoorden; want dat zou je stellig doen; je begrijpt immers heel goed,

dat ik het spelletje maar verzonnen heb, om in het bezit van een van je

mooie tanden te kunnen komen!”

Spin nam nu een dikken stok, en sloeg net zoo lang op Olifant los, tot

de dood volgde. Nu pas nam Spin den tand op, verpakte hem goed in een

hoop gras, en begaf hij zich met zijn kostbaren last op weg naar den

vader van het mooie meisje. Eindelijk zag hij, vermoeid en wel, diens

woning vóór zich liggen—en na een kwartier zwoegens was zijn doel

bereikt. Wat klopte zijn hart van vreugde bij de gedachte, dat hij het

schoone meisje nu spoedig de zijne zou mogen noemen!

Voordat Spin echter op de woning toetrad, zag hij zich genoodzaakt,

even in het struikgewas ter zijde van den weg te gaan en het kostbare

pak zoolang neêr te leggen. Juist kwam toen een man, „Blindeman”

bijgenaamd, voorbij, die, toen hij het pak zag liggen, en er een

olifantstand uit te voorschijn haalde, zijn schat op nam, en er, zoo

snel hij kon, mede op de woning van den Gouverneur toeliep. Hij immers

behoorde ook onder de vrijers van zijn dochter. Toen hij binnentrad en

den mooien tand aan de ouders liet zien, gaven zij dadelijk hunne

toestemming tot het huwelijk.

Kort daarna kwam ook Spin aan de woning, maar niettegenstaande zijn

woede en zijn volhouden, dat Blindeman hem had bestolen, en dat de tand

zijn rechtmatig eigendom was, het hielp hem niet, en hij moest,

verdrietig, voor Blindeman het veld ruimen. Men schold hem op den koop

toe nog voor leugenaar en bedrieger uit.

Eenige dagen daarna werd de Gouverneur ziek, en slimme Spin wist van

zijn toestand gebruik te maken, om toch zijn doel te bereiken. Des

nachts, toen de zieke in een diepen slaap lag, sloop hij heimelijk in

de zieke-kamer, en maakte hij met een geldstuk zijn aars* dicht, zoodat

zijn stoelgang moest ophouden. De toestand van den zieke verergerde

hierdoor snel. De omstanders deden alles wat in hun vermogen was, om

den stoelgang te bevorderen, maar alles was vergeefs, en de zieke werd

hoe langer hoe zwakker.

Toen de nood het toppunt had bereikt, en niemand meer raad wist,

verscheen plotseling Heer Spin, die aanbood den zieke te genezen, onder

voorwaarde, dat men alles wat hij verlangde, blindelings zou toestaan,

en dat men beloven zou, hem tot loon alles te zullen schenken, wat hij

maar vragen zou.

Nadat de verontruste verwanten zijn verlangen hadden goedgekeurd, liet

hij dadelijk een vuur aanleggen, vroeg toen om een groote tobbe met

water en twee steenen, om de tobbe er te kunnen opzetten. Daarna nam

hij allerlei kruiden en wierp die in het water. Bij de pogingen, om de

tobbe op de twee steenen te zetten, kon ze maar niet blijven staan.

Spin echter wist raad en riep, dat hij, als derde steunpunt voor de

tobbe, het hoofd van Blindeman wilde hebben.

Hoe vreeselijk het ook was, de eenmaal gedane belofte moest gehouden

worden en men sloeg het hoofd van „Blindeman” af, en bracht het aan

Spin. Toen nu de tobbe vast boven het vuur stond, liet Spin den zieke

er boven plaatsen, en terwijl hij hem met den inhoud van de tobbe goed

waschte, viel eindelijk het geldstuk door de hitte naar beneden—en

onmiddellijk trad de zoo lang uitgebleven stoelgang op, hetgeen den

zieke in korten tijd deed herstellen.

De vreugde over Spins succes was zóó groot, dat Spin, toen hij als loon

de dochter tot vrouw vroeg, zij ook met vreugde aan hem gegeven werd.

Moraal: Wie een ander besteelt, krijgt vroeg of laat de verdiende

straf.

Mythen en sagen uit West-Indië · 第 113 / 174 题