Dat bij de nakomelingen der eertijds naar de bosschen gevluchte
plantageslaven, de Boschnegers, die met de Indianen het schaarsch
bevolkte binnenland van het Nederlandsche deel van Guyana bewonen, een
duidelijker uitkomende Afrikaansche volkstraditie zal worden
aangetroffen, dan bij de West-Indische stads- en plantage-negers,
behoeft den lezer na de inleidende beschouwingen betreffende de
Surinaamsche neger-folk-lore niet meer duidelijk te worden gemaakt.
In ieder opzicht is de Boschneger nog een echte Afrikaan, hoe hij ook
zijn oorspronkelijke taal verloren heeft. Door de eeuwen lange
afzondering te midden der oerwouden, waarin de Boschnegers in hunne
kampen (dorpen) langs de rivieren hebben geleefd, wordt echter niet
alleen het veel grooter aantal woorden verklaard, die nog in de
Boschneger-taal zijn overgebleven en die deels van de Goud- en
Slavenkust-talen, de Ewe-, de Tsji- en de Yoruba-talen kunnen worden
afgeleid, deels van de Kongo-talen zijn overgebleven, maar is ook het
grooter aantal van het Engelsch en het Portugeesch afgeleide woorden
begrijpelijk.
Dat ook de Boschnegers hunne anansi-tori’s, als herinneringen aan hunne
Afrikaansche afkomst, zouden bewaard hebben, en dat deze mondelinge
overleveringen eene grootere oorspronkelijkheid zouden vertoonen, dan
die der stads- en plantagenegers, wier vertellingen zich met een steeds
grooter wordend Europeesch element vermengd hebben, lag voor de hand.
Juist om deze grootere oorspronkelijkheid, die van de mondelinge
litteratuur der Boschnegers verwacht mocht worden, is het zeker te
betreuren, dat van de folk-lore dezer van de Indianen in elk opzicht
zoozeer afwijkende boschbewoners (Ph. en C. a.) zoo weinig bekend is
geworden.
De meermalen genoemde missionaris, Pater C. van Coll vertelt ons (Co.
a.) slechts, dat bij een sterfgeval de verwanten en vrienden, wanneer
de overledene een man was, op drie achtereenvolgende Zaterdagen [335]
bijeenkwamen, om anansi-tori’s te vertellen en dat voor een vrouw twee
Zaterdagen daartoe voldoende waren; doch hij heeft ons uit zijn lange
loopbaan als missionaris geen enkele anansi-tori nagelaten.
Het eenige, wat, voorzoover mij bekend is, over dit onderwerp in het
licht is gegeven, zijn een negental dierenfabels, allen eigenlijke
anansi-tori’s, die de Bisschop der Hernhutter-missie in Suriname, F.
Stähelin, door een zijner negerhelpers heeft laten opteekenen en die
verschenen zijn in de Hessische Blätter für Volkskunde (Jaargangen 1908
en 1909).
In deze vertellingen legt de Neger wederom getuigenis af van zijn
zeldzaam improvisatie-talent, zijn groot waarnemings- en
combinatievermogen, van zijn degelijke menschenkennis, zijn
kinderlijk-naïven aard en van zijn buitengewonen zin voor humor.
Zelfs in den slaventijd, toen de negers door wreede
plantage-directeuren en opzichters, doch ook door Nederlandsche
soldaten, niet zelden onverdiend, de afschuwelijkste pijnigingen en
mishandelingen moesten verduren, en soms op de meest wreedaardige wijze
ter dood werden gebracht, schijnt de scherts en de zin voor humor den
neger niet te hebben verlaten.
Wanneer, om een paar voorbeelden te noemen, de slaven besloten hadden,
hun wreede meesters te ontvluchten en in de bosschen een veilige
schuilplaats te zoeken, werd den vorigen avond bij de uitvoering van
een dans het volgende gezongen: