Er heerschte opschudding in de dierenwereld. Alle wouddieren waren
opgeroepen, om een dag na volle maan op de groote savanne* te
verschijnen, waar bígi króetoe [330] zou worden gehouden, om te
beslissen over het lot van Ba’ Tigri [331], die zich had schuldig
gemaakt aan het zwaarste misdrijf, dat een dier kan worden ten laste
gelegd, nl. grove beleediging zijner moeder.
De aanklaagster, de verdachte en de getuigen ondergingen een scherp
verhoor, waardoor wettig en overtuigend kwam vast te staan, dat Ba’
Tigri zich had schuldig gemaakt aan een doodzonde en daarom den
verschrikkelijksten dood behoorde te sterven, welke het dierenbrein
maar kon bedenken.
Poema* stelde voor, hem den hongerdood te laten sterven, Tapir* wilde
hem eerst radbraken, daarna ophangen, Sneki [332] voelde er meer voor,
hem op een zacht vuur te roosteren of hem met een gloeiende tang
vleesch uit het lijf te nijpen tot de dood er op zou volgen—een in den
slaventijd zeer gebruikelijke strafoefening op weerspannige negers. Een
ander weêr wilde den veroordeelde levend villen en zoo ging het voort,
maar de vrouwelijke dieren vonden die straffen niet verschrikkelijk
genoeg, verlangden in deze nog het oordeel te hooren van Kees-Keesi*
[333], den rechtsgeleerden raadsman van de Kroetoe; maar hoe men ook
riep, Kees-Keesi kwam niet te voorschijn, en eerst nu bleek het, dat
hij niet ter vergadering verschenen was.
Eindelijk stond er een dier op, dat beweerde, hem een paar dagen te
voren te hebben ontmoet, keurig aangekleed, en in een zelfs voor zijn
doen buitengewoon vroolijke stemming. Kees-Keesi had aan spreker
verteld, dat hij verloofd was en op weg was naar Apenstad, waar hij het
mooiste, liefste en zachtzinnigste apinnetje zou gaan trouwen, dat ooit
den huwbaren leeftijd had bereikt. Sedert had niemand meer iets van hem
gehoord of gezien.
Eensklaps echter hoorde men Sabakoe*, de schildwacht [334], roepen:
„daar komt Kees-Keesi aan”, en werkelijk, enkele minuten later trad hij
de vergadering binnen en stond hij voor den stoel van den voorzitter.
Met stomme verbazing sloegen allen Aap gade, en geen wonder, want zijn
voorkomen gaf er wel aanleiding toe. De anders zoo in de puntjes
gekleede en gekapte Kees-Keesi zag er verfomfaaid, ja, haast ontoonbaar
uit; zijn hoedje was ingedeukt, en het lint hing er aan flarden bij;
zijn das was hij kwijt, zijn boord was losgerukt, zijn jasje en broek
waren gescheurd, zijn gezicht droeg sporen van in aanraking te zijn
geweest met scherpe nagels. Uit alles bleek ten duidelijkste, dat hij
gevochten had en daarbij met een tegenpartij te doen had gehad, die
niet voor de poes was.
Op de vraag van Poema, waar hij van daan kwam en hoe hij in dien
toestand was geraakt, antwoordde Kees-Keesi opgewonden, en terwijl de
woorden hem haast in de keel bleven steken: „Van mijn bruiloft. Ik ben,
moet jullie weten, sedert gisteren getrouwd, en mijn vrouw, die
beweerde, dat ik te veel naar de bruidsmeisjes keek, heeft mij in dien
toestand gebracht, waarin jelui mij nu ziet”.
De vrouwelijke dieren glimlachten om het verhaal van Kees-Keesi,
beweerden medelijden met hem te hebben; de mannelijke noemden hem
botweg een stommeling, omdat hij zich louter uit ijdelheid, zonder de
gevaren te overdenken, in altijd durende slavernij had begeven.
De zaak tegen Tígri zou nu verder voortgang kunnen hebben. Kees-Keesi
werd op de hoogte gebracht der beraadslagingen en ten slotte
uitgenoodigd een straf te bedenken, evenredig aan de door Ba’ Tígri
gepleegde misdaad. Kees-Keesi bedacht zich niet lang, want nauwelijks
waren de tot hem gesproken woorden geuit, of hij sprak deze
gedenkwaardige woorden: „Geachte vergadering, laat Ba’ Tígri trouwen”.
En aldus werd besloten.