NO. 32. DE BOA IN DE GEDAANTE VAN EEN SCHOONEN JONGELING.

In zeer ouden tijd leefde een zeer mooi meisje. Haar schoonheid was

even beroemd, als haar trotschheid bekend was.

Van heinde en verre kwamen voorname jongelingen haar ten huwelijk

vragen, maar geen hunner keurde zij waardig genoeg, om haar echtgenoot

te worden.

Hare schatrijke ouders hadden daarover veel verdriet en zij spoorden

haar aanhoudend aan, om toch een dezer jongelingen te kiezen, daar zij

haar gaarne gehuwd wilden zien.

Maar het meisje hield staande, dat zij niet anders zou trouwen dan met

den man, dien zij lief had en dat zij er tot dusverre geen gezien had,

die hare liefde waardig was.

Op zekeren dag nam een reuzenslang, een boa*, een menschelijke gedaante

aan, kleedde zich als een schoone jongeling aan en begaf zich naar de

woning van het meisje.

Nauwelijks hief zij hare oogen op hem of zij werd zoodanig bekoord door

zijn schoonheid, dat zij bijna flauw viel. Zij riep: „Vader, moeder,

hier is de man, dien ik bemin; en met hem wil ik trouwen”.

De ouders waren natuurlijk zeer verheugd, dat hun schoone dochter

eindelijk iemand naar haar zin gevonden had en alles werd zoo spoedig

mogelijk in gereedheid gebracht. Niets was kostbaar genoeg, om het

jonge paar te verschaffen.

De huwelijksfeesten duurden acht dagen lang. Zoo’n pracht was te voren

nooit gezien geweest.

Eindelijk moesten de jonggehuwden naar hunne nieuwe woning trekken, die

zoo prachtig mogelijk ingericht was.

Bij het afscheid nemen beloofden de ouders, dat zij den volgenden

morgen naar den welstand van het echtpaar zouden komen informeeren.

Zeer vroeg begaven zij zich daarheen, maar hoe ontstelden zij, toen

zij, bij het huis komende, een zwakke stem hoorden kermen: „Pa!! Ma!!

een zeker ding is bezig, mij in te slikken”.

Hierop werd met een grove zware basstem geantwoord: „Wij zijn aan het

spelen”.

De ouders klopten toen aan deuren en vensters, maar er werd niet

opengedaan... het angstig gekerm: Pa! Ma! ik word ingeslikt” hield niet

op, gevolgd door het ruwe antwoord: „Wij zijn aan het spelen”.

Eindelijk zei de Vader: „Er is wat met ons kind gebeurd, want zij roept

om hulp”,... en met alle kracht trapte hij de deur open, en, door zijne

vrouw gevolgd, vloog hij naar de slaapkamer, waar de Boa, die zijn ware

gedaante weêr aangenomen had, bezig was, het meisje in te slikken.

De Vader greep naar een grooten stok, verbrijzelde de ruggegraat van de

slang, en trok zoo snel mogelijk zijne dochter, die reeds half

verslonden was, uit den wijden mond van het dier, terwijl hij daarna

met een houwer zijn kop afhakte.

Het meisje, dat langen tijd lam bleef door de persing van het monster,

herstelde zeer langzaam, maar trouwde nimmer, want zij was huiverig

geworden en vreesde, dat in elken knappen man een boa verscholen was.

Vandaar het spreekwoord:

„Abóma wéri krósi” [329]. Wanneer een meisje vele huwelijksaanzoeken

afslaat, kan zij wel eens in handen vallen van een nietswaardige, die

door mooie woordjes, fraai uitgedoscht, zich weet bemind te maken, om

na het huwelijk zich in zijne ware gedaante, als een slecht mensch, te

openbaren.

Mythen en sagen uit West-Indië · 第 110 / 174 题