In zeer ouden tijd leefde een zeer mooi meisje. Haar schoonheid was
even beroemd, als haar trotschheid bekend was.
Van heinde en verre kwamen voorname jongelingen haar ten huwelijk
vragen, maar geen hunner keurde zij waardig genoeg, om haar echtgenoot
te worden.
Hare schatrijke ouders hadden daarover veel verdriet en zij spoorden
haar aanhoudend aan, om toch een dezer jongelingen te kiezen, daar zij
haar gaarne gehuwd wilden zien.
Maar het meisje hield staande, dat zij niet anders zou trouwen dan met
den man, dien zij lief had en dat zij er tot dusverre geen gezien had,
die hare liefde waardig was.
Op zekeren dag nam een reuzenslang, een boa*, een menschelijke gedaante
aan, kleedde zich als een schoone jongeling aan en begaf zich naar de
woning van het meisje.
Nauwelijks hief zij hare oogen op hem of zij werd zoodanig bekoord door
zijn schoonheid, dat zij bijna flauw viel. Zij riep: „Vader, moeder,
hier is de man, dien ik bemin; en met hem wil ik trouwen”.
De ouders waren natuurlijk zeer verheugd, dat hun schoone dochter
eindelijk iemand naar haar zin gevonden had en alles werd zoo spoedig
mogelijk in gereedheid gebracht. Niets was kostbaar genoeg, om het
jonge paar te verschaffen.
De huwelijksfeesten duurden acht dagen lang. Zoo’n pracht was te voren
nooit gezien geweest.
Eindelijk moesten de jonggehuwden naar hunne nieuwe woning trekken, die
zoo prachtig mogelijk ingericht was.
Bij het afscheid nemen beloofden de ouders, dat zij den volgenden
morgen naar den welstand van het echtpaar zouden komen informeeren.
Zeer vroeg begaven zij zich daarheen, maar hoe ontstelden zij, toen
zij, bij het huis komende, een zwakke stem hoorden kermen: „Pa!! Ma!!
een zeker ding is bezig, mij in te slikken”.
Hierop werd met een grove zware basstem geantwoord: „Wij zijn aan het
spelen”.
De ouders klopten toen aan deuren en vensters, maar er werd niet
opengedaan... het angstig gekerm: Pa! Ma! ik word ingeslikt” hield niet
op, gevolgd door het ruwe antwoord: „Wij zijn aan het spelen”.
Eindelijk zei de Vader: „Er is wat met ons kind gebeurd, want zij roept
om hulp”,... en met alle kracht trapte hij de deur open, en, door zijne
vrouw gevolgd, vloog hij naar de slaapkamer, waar de Boa, die zijn ware
gedaante weêr aangenomen had, bezig was, het meisje in te slikken.
De Vader greep naar een grooten stok, verbrijzelde de ruggegraat van de
slang, en trok zoo snel mogelijk zijne dochter, die reeds half
verslonden was, uit den wijden mond van het dier, terwijl hij daarna
met een houwer zijn kop afhakte.
Het meisje, dat langen tijd lam bleef door de persing van het monster,
herstelde zeer langzaam, maar trouwde nimmer, want zij was huiverig
geworden en vreesde, dat in elken knappen man een boa verscholen was.
Vandaar het spreekwoord:
„Abóma wéri krósi” [329]. Wanneer een meisje vele huwelijksaanzoeken
afslaat, kan zij wel eens in handen vallen van een nietswaardige, die
door mooie woordjes, fraai uitgedoscht, zich weet bemind te maken, om
na het huwelijk zich in zijne ware gedaante, als een slecht mensch, te
openbaren.