Er wordt verteld, dat het water beheerscht wordt door de Watramama.
[323]
De Watramama is half mensch, half visch; zij heeft een zacht-gele tint
als een Indiaansche, een schoon gezicht, prachtige donkere oogen en
lang zwart haar.
De Watramama houdt verblijf in kreken. Zij komt nooit anders te
voorschijn dan om hare kleinen te zoogen of om zich het haar te kammen
met den wonderkam, en wel altijd met jongvloed [324]. De menschen, die
het geluk hadden, haar te zien, vertellen dat het eene Madonna is.
Djokarto, van plantage „Pieterszorg”, zegt er een te hebben gezien in
een kreek van plantage „de Resolutie”. Zij zetelt onder in de rivieren
en vermag veel op de golven. Zij doet booten zinken en eigent zich den
inhoud toe. Nergens, bij niemand ter wereld, vindt men zooveel
rijkdommen als bij haar.
Men zegt, dat er menschen zijn, die de kunst verstaan, haar kam te
stelen, terwijl zij bezig is zich te kammen. Als de Watramama den dief
gevonden heeft, eischt zij haar kam terug en belooft in ruil een
aanzienlijke waarde aan geld. De dief echter paait haar met allerlei
beloften, en gebruikt haar om zoo te zeggen als een melkkoetje. Telkens
komt de Watramama terug en zij brengt steeds meer geld mede, tot zij
eindelijk het geluk heeft, haar kam terug te krijgen. Wil de dief den
kam niet teruggeven, dan is hij verloren. Want de eerste keer, dat hij
over het water gaat, slaat zijn vaartuig om.
Er was eens iemand die, door een kreek varende, gekerm hoorde. Toen hij
voortparelde, bemerkte hij de Watramama, die in gevaar verkeerde en hij
verschafte haar hulp. De meermin zegende hem en beloofde hem ten allen
tijde haar bijstand. De man was visscher van beroep en deed van toen af
goede vangsten. Ook raadde zij hem aan, zijn pagala [325] open te
laten, wanneer hij stadswaarts ging, en dagelijks vond hij er geld in.
De Watramama had hem verboden met iemand hierover te spreken; anders
zou zij hem moeten straffen. [326] Maar ach! het zwakke geslacht, dat
de mannen zoo dikwijls in het verderf stort, bracht ook hem in het
ongeluk.
De man had vrouw en kinderen en toen de vrouw hem steeds met geld thuis
zag komen, vroeg zij naar de herkomst. Hij liet zich niet uit, doch
toen zij sterker aandrong en hij het, om de waarheid zeggen, niet meer
kon uithouden, vertelde hij haar alles en ook wat de gevolgen hiervan
zouden zijn.
Eens op een dag begaf de visscher zich naar een plantage, maar nog eer
hij op de plaats zijner bestemming was aangekomen, was hij verdwenen.
Men zegt, dat het gevaarlijk is, de albino’s die nog al eens onder de
negers voorkomen, en Watramama-pikien [327] genoemd worden, veel over
het water te laten gaan, wanneer ze groot worden, daar de Watramama ze
dan wel eens tot zich neemt.
In den slaventijd was er een jonge neger-albino, Skroero-ki [328]
genaamd, die dikwijls op den rivierbodem neêrdaalde, om allerlei
voorwerpen te halen. De Watramama was zijn vriendin. Hij ging bij haar
eten en bleef soms dagen onder water.
Zij had hem gewaarschuwd met niemand te spreken over hetgeen hij bij
haar hoorde of zag, maar Skroero-ki voldeed niet aan dat verzoek, en
toen hij weêr op den rivierbodem daalde, kwam hij niet meer aan de
oppervlakte terug.
Visschers, die hun bedrijf uitoefenen, vangen de Watramama wel eens in
hun netten.
Doch ze laten haar dan weêr gaan, daar ze anders gevaar zouden loopen,
om met boot en al in de diepte te verdwijnen!