NO. 31. DE MEERMIN OF WATRAMAMA.

Er wordt verteld, dat het water beheerscht wordt door de Watramama.

[323]

De Watramama is half mensch, half visch; zij heeft een zacht-gele tint

als een Indiaansche, een schoon gezicht, prachtige donkere oogen en

lang zwart haar.

De Watramama houdt verblijf in kreken. Zij komt nooit anders te

voorschijn dan om hare kleinen te zoogen of om zich het haar te kammen

met den wonderkam, en wel altijd met jongvloed [324]. De menschen, die

het geluk hadden, haar te zien, vertellen dat het eene Madonna is.

Djokarto, van plantage „Pieterszorg”, zegt er een te hebben gezien in

een kreek van plantage „de Resolutie”. Zij zetelt onder in de rivieren

en vermag veel op de golven. Zij doet booten zinken en eigent zich den

inhoud toe. Nergens, bij niemand ter wereld, vindt men zooveel

rijkdommen als bij haar.

Men zegt, dat er menschen zijn, die de kunst verstaan, haar kam te

stelen, terwijl zij bezig is zich te kammen. Als de Watramama den dief

gevonden heeft, eischt zij haar kam terug en belooft in ruil een

aanzienlijke waarde aan geld. De dief echter paait haar met allerlei

beloften, en gebruikt haar om zoo te zeggen als een melkkoetje. Telkens

komt de Watramama terug en zij brengt steeds meer geld mede, tot zij

eindelijk het geluk heeft, haar kam terug te krijgen. Wil de dief den

kam niet teruggeven, dan is hij verloren. Want de eerste keer, dat hij

over het water gaat, slaat zijn vaartuig om.

Er was eens iemand die, door een kreek varende, gekerm hoorde. Toen hij

voortparelde, bemerkte hij de Watramama, die in gevaar verkeerde en hij

verschafte haar hulp. De meermin zegende hem en beloofde hem ten allen

tijde haar bijstand. De man was visscher van beroep en deed van toen af

goede vangsten. Ook raadde zij hem aan, zijn pagala [325] open te

laten, wanneer hij stadswaarts ging, en dagelijks vond hij er geld in.

De Watramama had hem verboden met iemand hierover te spreken; anders

zou zij hem moeten straffen. [326] Maar ach! het zwakke geslacht, dat

de mannen zoo dikwijls in het verderf stort, bracht ook hem in het

ongeluk.

De man had vrouw en kinderen en toen de vrouw hem steeds met geld thuis

zag komen, vroeg zij naar de herkomst. Hij liet zich niet uit, doch

toen zij sterker aandrong en hij het, om de waarheid zeggen, niet meer

kon uithouden, vertelde hij haar alles en ook wat de gevolgen hiervan

zouden zijn.

Eens op een dag begaf de visscher zich naar een plantage, maar nog eer

hij op de plaats zijner bestemming was aangekomen, was hij verdwenen.

Men zegt, dat het gevaarlijk is, de albino’s die nog al eens onder de

negers voorkomen, en Watramama-pikien [327] genoemd worden, veel over

het water te laten gaan, wanneer ze groot worden, daar de Watramama ze

dan wel eens tot zich neemt.

In den slaventijd was er een jonge neger-albino, Skroero-ki [328]

genaamd, die dikwijls op den rivierbodem neêrdaalde, om allerlei

voorwerpen te halen. De Watramama was zijn vriendin. Hij ging bij haar

eten en bleef soms dagen onder water.

Zij had hem gewaarschuwd met niemand te spreken over hetgeen hij bij

haar hoorde of zag, maar Skroero-ki voldeed niet aan dat verzoek, en

toen hij weêr op den rivierbodem daalde, kwam hij niet meer aan de

oppervlakte terug.

Visschers, die hun bedrijf uitoefenen, vangen de Watramama wel eens in

hun netten.

Doch ze laten haar dan weêr gaan, daar ze anders gevaar zouden loopen,

om met boot en al in de diepte te verdwijnen!

Mythen en sagen uit West-Indië · 第 109 / 174 题