Er was eens in een dorp een vrouw, die drie zoons had, waarvan de
oudste Mininimi heette, de tweede Krimintaria en de jongste Kopro
Kanon.
Zij had Mininimi en Krimintaria lief, maar Kopro Kanon niet; daarom
werd hij verwaarloosd en zat hij vol schurft [319] en jaws*. Als het
etenstijd was, riep de moeder alleen de twee ouden, zingende:
Mininimi kom njam!
Krimintaria kom njam!
Kopro Kanon tan de! [320]
Arme Kopro Kanon was stokmager en stonk van vuil. Zijn moeder wilde
niets van hem weten. Ach! Arme Kopro Kanon!
De twee oudste knapen zagen er rond uit van dikte.
De duivel, die menschenvleesch lust, had zijn oogen op hen gericht en
wachtte met ongeduld een gunstig oogenblik af, om hen te vangen.
Hij was juist op wacht, toen hij hoorde, op welke wijze de knapen
geroepen werden. Den volgenden dag kwam hij ter plaatse terug en zong
het lied met een heel grove stem.
Kopro Kanon had zijn broeders lief en zei hun:
„Gaat niet, want dat is de stem uwer moeder niet. Het komt mij voor, de
duivel te zijn”.
Zij waren hem gehoorzaam.
De duivel, die begreep, dat zijn zware stem de oorzaak was, dat de
jongens niet tot hem kwamen, ging toen bij een smid, om zijn tong te
laten vijlen.
De smid verbood zijn cliënt, bakoven* te eten, als zijn tong gevijld
was, daar zijn stem anders weêr grover zou worden.
„Ik zal aan Uw bevel voldoen”, antwoordde Joost hem.
Doch geen tien minuten van de smederij zijnde, ontmoette hij een vrouw,
die bakoven rondventte. De gulzigaard kon zijn lust niet bedwingen en
vroeg haar:
„Joe no séri mi toe sensi bakóeba?” [321]
De bakove ging in één hap naar binnen.
Satan ging toen weêr de wacht houden en zong het lied met donderende
stem.
De ongelukkige Kopro Kanon waarschuwde zijn broeders weêr om niet te
gaan, daar het slechts des duivels stem kon zijn, die zoo dreunend en
dof klonk.
De verdelger der wereld ging terug naar den smid, zonder eenig succes
te hebben gehad. Zijn stem was veranderd, daar zijn tong door bakove
vergiftigd was. De smid zei hem:
„Als iemand onder behandeling van een dokter is, moet hij diens
voorschriften opvolgen; anders loopt hij gevaar. Denk niet, dat een
patiënt den dokter kan foppen, neen, hij fopt zich zelf!”
„Maar, waarom zijt gij zoo hatelijk tegen mij?” vroeg Satan.
„Omdat ge vol leugens zit, vent. Ge spreekt tegen uw geweten.”
„Ben ik dan een leugenaar?”
„Een gevaarlijke ook. Denkt ge soms, dat ik niets anders te doen heb,
dan ieder oogenblik te zitten hameren en vijlen in uw bek?”
Na een flinke bestraffing begon de smid weêr te vijlen.
„Zing het lied nog eens, opdat ik U keure.”
De duivel zong.
„Hoe is het nu, goed niet waar?”
„Dank U vriendelijk, tot wederdienst”.
Satan ging naar zijn bestemming en begon met een altstem te zingen,
waardoor de twee knapen zijn slachtoffer werden. Toen de moeder hun
riep, antwoordde Kopro Kanon met droevige stem:
Mininimi no de,
Krimintaria no de,
Kopro Kanon wawán de. [322]
De moeder ging toen naar Kopro Kanon, voedde hem van toen af en
verzorgde hem goed. Zij kwam te sterven en Kopro Kanon begroef haar.
Wie kinderen heeft, mag het eene niet boven het andere voortrekken,
maar moet van allen evenveel houden.