Wie vindt het niet vervelend, ziek te zijn!
Ik ten minste vind het verschrikkelijk. Ja, ziek zijn, dat is wat. Maar
geen ongeluk zoo groot of er is geluk bij. Mijn néne [305] komt mij
dikwijls bezoeken en toen ze mij op zekeren dag ziek vond, was ze
treurig gestemd en zeide „mi góedoe pikíen mass’ra, san’ doe joe agen”.
[306] „Mi de síki, néne” [307] was dan het antwoord. Op verzoek van
mijn moeder zou néne mij wat afleiding bezorgen, door mij een
anansi-tori te vertellen. Eerst maakte zij eenige gebaren, haalde diep
adem en toen begon zij:
Vroeger waren al onze vaders hanen.....
Nu, een moeder had drie dochters; en de vader van die meisjes was een
haan, die in de struiken nabij het huis woonde. Wanneer Moeder voeder
had voor Vader, zong ze driemaal:
Kakkadoedel, kakkadoedel! [308]
Iffi joe biérti, kom mi da. [309]
Vader kwam dan te voorschijn en na den inwendigen mensch versterkt te
hebben, verdween hij weder in het struikgewas.
Op zekeren dag zou Mama inkoopen gaan doen in de stad. Het oudste der
meisjes, Mina geheeten, zou dien dag voor Vader zorgen. Het jongste
kind werd naar school gezonden, en de twee anderen gingen lekkernijen
koopen met het geld, dat de moeder had gegeven, om eten voor Vader te
koopen.
Toen nu Vader vroeg, waar zijn middageten gebleven was, antwoordde Jet,
de tweede dochter, dat Mina bezig was met koken. Vader verdween toen
weêr in zijn struik.
De beide meisjes gingen nu beraadslagen, wat ze zouden doen. Eindelijk
kwamen ze overeen, Vader te slachten en hem Moeder als spijs voor te
zetten.
Zoo gezegd, zoo gedaan.
Mina zong driemaal:
Kakkadoedel, kakkadoedel!
Iffi joe biérti, kom mi da!
Vader verscheen als gewoonlijk. Hij werd gevangen genomen en geslacht.
Inmiddels kwam het jongste kind uit school en vond hare zusters druk
bezig, in een kuil achter de keuken veêren te begraven. Zij mocht
Moeder niets vertellen van hetgeen zij gezien had. Vader werd in de
soep gekookt en de kinderen smulden naar hartelust.
Toen Moeder thuis kwam en naar Vader vroeg, antwoordde Mina:
„Eenige makkers zijn Vader komen halen, om te gaan kaarten”.
Toen was Moeder gerust. Ze kreeg haar aandeel van de soep, maar kon
toch niet eten. Het was alsof ze een voorgevoel had, dat het Vaders
vleesch was.
Het jongste dochtertje had evenwel verklaard, dat toen ze thuis kwam,
Mina en Jet bezig waren veêren te begraven in een kuil achter de
keuken.
Moeder vatte toen argwaan. Ze vroeg Mina of hetgeen ze haar als maal
had voorgezet Vaders vleesch niet was. Mina antwoordde natuurlijk
ontkennend.
Doch toen Vader weken wegbleef en maar niet terugkwam, werd Moeder boos
op Mina.
Leisah, de jongste, ten einde raad, liep naar de rivier en zong:
Papà kári mi Leisah, [310]
Mamà kári mi Leisah,
Mina kári mi Skoema! [311]
Moeder liep haar na, maar zij kon haar kind nog slechts bij het haar
grijpen. Leisah verdronk en Moeder behield eenige strepen in de palm
harer hand.
Arme Leisah!
Sedert dien tijd hebben alle menschen strepen in de palm van de hand.