NO. 27. LEGENDE VAN LEISAH. II.

Er wordt verhaald, dat in zeker dorp twee echtelieden woonden, die dol

waren op kinderen, maar er zelf geen hadden.

We moeten trachten, op welke wijze dan ook, aan een kind te komen,

zeiden zij.

Eens kwam een oude vrouw bij hen aan huis, vroeg de vrouw naar haar

welstand en naar dien van haren echtgenoot. De vrouw des huizes

antwoordde met droevige stem:

„Wij zijn, met Godswil, wel”.

„Wat scheelt U dan, Mevrouw?” vroeg de oude.

De vrouw des huizes deelde hare grieven mede, waarna de oude vrouw haar

een wees van acht dagen in handen gaf.

Het kind behoorde tot de vrouwelijke kunne en kreeg den naam van

Jacoba. Zij werd opgevoed als kind des huizes. Toen zij twaalf jaar

was, moest ze voor huishoudelijke bezigheden beginnen te zorgen,

hetgeen zij met vlijt deed.

Eens wandelden de twee kinderliefhebbers langs het strand. Daar zagen

ze een meisje onbeheerd liggen en zij vroegen haar het een en ander.

Het kind werd naar huis medegenomen en kreeg den naam van Leisah.

Spoedig werd zij het troetelkindje, waarom Coba, hierover jaloersch,

haar begon uit te schelden.

De vondelinge begon te kwijnen van verdriet, omdat Coba haar aanhoudend

plaagde en treiterde.

Van dat alles vermoeid, zong zij het navolgende, waaruit haar voornemen

bleek:

Papà kári mi Leisah,

Mamà kári mi Leisah,

Coba kári mi Skóema.

Skoema mi na, Skóema mi sa tan! [312]

De arme Coba werd weggejaagd, maar Leisah hield niet op met treuren, en

op zekeren dag keerde zij terug naar de plaats, waar zij gevonden werd.

Haar pleegmoeder liep haar na als een pijl uit den boog, maar kon haar

niet inhalen.

Leisah was reeds in het water gesprongen, toen haar moeder aankwam. Wel

werd zij nog bij het lange haar gegrepen, maar door de zwaarte zakte

zij hoe langer hoe dieper en werd zij onder de golven begraven. Zoo was

Leisah weêr naar haar land teruggekeerd, omdat zij uit schuim geboren

was. De moeder, die haar troetelkind eindelijk had moeten loslaten,

hield de striemen van het haar in de hand.

Mythen en sagen uit West-Indië · 第 104 / 174 题