NO. 25. DE GESCHIEDENIS VAN FINI FOETOE, BIGI BERE EN BIGI HEDE.

Er leefde eens eene oude vrouw, die een grondje bezat, even buiten de

stad. Zij voorzag in haar levensonderhoud door het verkoopen van de

produkten, die haar grondje opleverde. Zij had er cassave*, napis*,

tayers*, switi patata [304], bananen enz. op geplant en ging geregeld

naar de markt, om de opbrengst te verkoopen. Hierdoor was zij in staat,

niet alleen ruimschoots in haar onderhoud te voorzien, maar ook drie

kleinkinderen groot te brengen.

Haar kleinkinderen heetten Fini foetoe (spillebeen), Bigi bere

(dikbuik) en Bigi hede (groot hoofd).

De oude vrouw hield veel van haar kleinkinderen en deed alles, wat in

haar vermogen was, om ze tot nuttige leden der maatschappij groot te

brengen.

Zij had echter veel verdriet van hare lievelingen, daar zij

onverbeterlijke snoepers en dieven waren, trots hun jeugdigen leeftijd.

Eens op een morgen moest de oude vrouw naar de markt gaan, om als

gewoonlijk hare produkten te gaan verkoopen. Daar zij echter op haar

grondje een prachtigen dokoen-boom had met overrijpe dokoens*, welke

zij bestemd had, om als geschenk den granman aan te bieden, riep zij

hare drie kleinkinderen, voor zij van huis ging, bij elkaar,

waarschuwde hen ten strengste, om niet te snoepen van de dokoens, daar

bij ongehoorzaamheid hun een ongeluk zou overkomen.

De kinderen beloofden plechtig, te zullen gehoorzamen, waarna de

grootmoeder gerust ter markte ging.

Nauwelijks was de oude vrouw vertrokken, of de kleine bengels wierpen

begeerige blikken naar de rijpe dokoens en na fluisterend met elkander

gedelibereerd te hebben, besloot men, dat Bigi hede, die als een

geoefend klimmer bij de broêrtjes bekend stond, in den boom zou klimmen

en eenige prachtige dokoens zou plukken en voor de anderen naar beneden

zou werpen.

Zoo gezegd, zoo gedaan: fluks beklom de kleine dikhoofdige rakkert den

boom en begon hij, in plaats van de dokoens naar beneden te werpen,

zich flink te goed te doen en de een na de andere op te peuzelen.

Nadat het smulpartijtje in den boom een poosje geduurd had, vroeg

eensklaps Bigi bere aan Bigi hede of het goed smaakte.

Deze had echter zijn mond vol en daar hij niet kon antwoorden, schudde

hij met zijn dikken kop zóó hard van ja, dat zijn hoofd van den romp

viel en holder-de-bolder naar beneden viel.

Dit ziende, begon Bigi bere zóó hard te lachen, dat zijn buik, die al

tamelijk dik was van het smullen, als een bom uiteenbarstte. Fini

foetoe, dit ziende, schrok zóó hevig, dat hij het op een loopen zette,

de dokoens vergetende. Aan een breede sloot gekomen, sprong hij er

over, doch hij kwam daarbij zóó hard neêr, dat hij zijn beide

spillebeentjes brak.

De grootmoeder, thuis komende, hoorde in de verte reeds het gekerm van

Fini foetoe. Zij liet den jongen naar het hospitaal brengen, waar de

beentjes werden afgezet. De doode lichamen van Bigi hede en Bigi bere

werden zorgvuldig gekist, en, na mass’ra Krebs gewaarschuwd te hebben,

werden zij begraven onder den dokoenboom op het grondje van hun

grootmoeder.

Fini foetoe leefde nog jaren lang, maar hij moest op krukken loopen. Na

den dood der grootmoeder liet hij den dokoenboom omhakken.

Mythen en sagen uit West-Indië · 第 102 / 174 题