NO. 24. HOE ANANSI AAN SCHAPENVLEESCH WIST TE KOMEN.

’Ma Akoeba, de vrouw van Spin, was eigenares van verscheidene eenden en

kippen, die ze trouw verzorgde. Maar de trots van haar kweekerij was

een groot schaap, vet als een varken en met een vacht, zoo wit als een

ijsbeer. Ieder, die ’Ma Akoeba een bezoek bracht, bewonderde het mooie

dier.

Doch de gulzige Anansi, die graag zich te goed had gedaan aan de vette

schapenbouten, schold steeds op het dier.

„Zoo’n schreeuwleelijk heb ik nog nooit gezien”, zei hij. „Het schaap

blert den ganschen dag als een baby, die geen melk genoeg krijgt. Als

ik jou was, vrouw, slachtte ik het schaap”.

Maar ’Ma Akoeba wilde daarvan niets weten.

Al maanden pijnigde Anansi zijn hersens er meê, op welke manier hij het

schapenvleesch toch zou kunnen bemachtigen.

Eindelijk, na een zeer onrustigen nacht, had hij zijn plan gemaakt.

Hij stond ’s morgens niet op en kreunde in zijn bed als een oude zieke

man. Hij liet zijn lichaam trillen, zoodat zijn vrouw dacht, dat hij

koorts had.

„Wat scheelt je toch?” vroeg ze. „Je doet zoo vreemd. Heb je koorts?”

„Neen”, antwoordde Anansi, „maar ik voel me verschrikkelijk ellendig.

Ik ben zenuwachtig en benauwd en deed den heelen nacht geen oog dicht”.

„Wat kan ik voor je doen”, vroeg ’Ma Akoeba.

„’t Beste zal zijn, dat je den Loekoe-man* raadpleegt. In het bosch,

onder den grooten Kankantrie*, zal je dien aantreffen.”

Anansi’s vrouw beloofde te gaan. Nog nooit had ze den wonderdokter

gezien, maar wel kende ze vele verhalen over wonderbaarlijke

genezingen, die hij had verricht.

Vóór ’Ma Akoeba vertrok, vroeg Anansi haar nog of ze zoo goed wilde

zijn, de kinderen meê te nemen. „Ze zijn zoo druk, en ze zouden me nog

meer van streek brengen, als ze hier zonder toezicht bleven”. Ook dat

beloofde ze.

Pas was de familie Spin vertrokken of Anansi sprong uit bed en kleedde

zich als een oude wonderdokter.

Den ouden hoogen hoed trok hij tot diep over de oogen, en de lange jas

hing tot bijna op den grond.

Zoo snel hij kon, nam hij den kortsten weg naar den heiligen boom en

zette zich daar in peinzende houding neêr.

Een oogenblik later kwamen ’Ma Akoeba en de kinderen er aan. Eerbiedig

bogen ze voor den wijzen man en het Spinvrouwtje zei klagend: „Och

Heer, geef me raad. Gij weet alles en ik in mijn domheid weet niet, wat

ik aanvangen moet. Anansi is doodziek. Zijn heele lichaam schokt en van

benauwdheid kan hij niet slapen. Wilt gij mij het middel noemen, dat

mijn man herstellen kan?”

De wonderdokter sprak eerst geen woord. Hij bleef zitten in dezelfde

peinzende houding, waarin hij ’Ma Akoeba had aangehoord.

Dan eindelijk antwoordde hij: „Ja vrouwtje, de toovergoden hebben mij

bekend gemaakt met de ziekte van uw man. Wees niet ongerust, Anansi is

eigenlijk niet ziek. Een sterk verlangen is het, dat hem pijnigt. Kunt

ge daaraan voldoen, dan wordt hij spoedig de levenslustige slimmerd,

die hij zijn heele leven is geweest”.

Aandachtig had ’Ma Akoeba geluisterd en pas was de wonderdokter

uitgesproken, of ze vroeg bijna smeekend: „O, wijze Heer, noem mij dat,

waarnaar mijn man verlangt, opdat ik spoedig aan zijn wensch kan

voldoen, als ’t me ten minste mogelijk is”.

En op een ernstigen toon antwoordde de wonderdokter: „Vrouwtje, aan

Anansi’s verlangen is niet moeilijk te voldoen. Hij smacht naar

schapenbout, vet schapenvleesch is ’t eenige, dat hem zeker en spoedig

genezen kan. Zie daaraan te komen en uw man zal herstellen”.

Met eerbiedige dankbaarheid vervuld, keerde ’Ma Akoeba naar haar woning

terug.

Maar de huichelachtige Anansi zorgde zijn vrouw voor te zijn. Hij

ontdeed zich thuis haastig van zijn vermomming en kroop weêr in bed.

Zonder Anansi te waarschuwen, slachtte het vrouwtje haar

lievelingsschaap. Ze braadde het zóó heerlijk, als ze maar kon en

bracht het Anansi.

De gulzigaard at het geheel op en liet zelfs de kindertjes toekijken,

die met hunkerende oogen den eenen hap na den anderen zagen verdwijnen.

Toen het laatste stukje vleesch naar binnen ging, zei de huichelaar:

„Lieve kinderen, neem een voorbeeld aan je goede ma, en wees als zij,

nooit gierig” [303].

Mythen en sagen uit West-Indië · 第 101 / 174 题