’Ma Akoeba, de vrouw van Spin, was eigenares van verscheidene eenden en
kippen, die ze trouw verzorgde. Maar de trots van haar kweekerij was
een groot schaap, vet als een varken en met een vacht, zoo wit als een
ijsbeer. Ieder, die ’Ma Akoeba een bezoek bracht, bewonderde het mooie
dier.
Doch de gulzige Anansi, die graag zich te goed had gedaan aan de vette
schapenbouten, schold steeds op het dier.
„Zoo’n schreeuwleelijk heb ik nog nooit gezien”, zei hij. „Het schaap
blert den ganschen dag als een baby, die geen melk genoeg krijgt. Als
ik jou was, vrouw, slachtte ik het schaap”.
Maar ’Ma Akoeba wilde daarvan niets weten.
Al maanden pijnigde Anansi zijn hersens er meê, op welke manier hij het
schapenvleesch toch zou kunnen bemachtigen.
Eindelijk, na een zeer onrustigen nacht, had hij zijn plan gemaakt.
Hij stond ’s morgens niet op en kreunde in zijn bed als een oude zieke
man. Hij liet zijn lichaam trillen, zoodat zijn vrouw dacht, dat hij
koorts had.
„Wat scheelt je toch?” vroeg ze. „Je doet zoo vreemd. Heb je koorts?”
„Neen”, antwoordde Anansi, „maar ik voel me verschrikkelijk ellendig.
Ik ben zenuwachtig en benauwd en deed den heelen nacht geen oog dicht”.
„Wat kan ik voor je doen”, vroeg ’Ma Akoeba.
„’t Beste zal zijn, dat je den Loekoe-man* raadpleegt. In het bosch,
onder den grooten Kankantrie*, zal je dien aantreffen.”
Anansi’s vrouw beloofde te gaan. Nog nooit had ze den wonderdokter
gezien, maar wel kende ze vele verhalen over wonderbaarlijke
genezingen, die hij had verricht.
Vóór ’Ma Akoeba vertrok, vroeg Anansi haar nog of ze zoo goed wilde
zijn, de kinderen meê te nemen. „Ze zijn zoo druk, en ze zouden me nog
meer van streek brengen, als ze hier zonder toezicht bleven”. Ook dat
beloofde ze.
Pas was de familie Spin vertrokken of Anansi sprong uit bed en kleedde
zich als een oude wonderdokter.
Den ouden hoogen hoed trok hij tot diep over de oogen, en de lange jas
hing tot bijna op den grond.
Zoo snel hij kon, nam hij den kortsten weg naar den heiligen boom en
zette zich daar in peinzende houding neêr.
Een oogenblik later kwamen ’Ma Akoeba en de kinderen er aan. Eerbiedig
bogen ze voor den wijzen man en het Spinvrouwtje zei klagend: „Och
Heer, geef me raad. Gij weet alles en ik in mijn domheid weet niet, wat
ik aanvangen moet. Anansi is doodziek. Zijn heele lichaam schokt en van
benauwdheid kan hij niet slapen. Wilt gij mij het middel noemen, dat
mijn man herstellen kan?”
De wonderdokter sprak eerst geen woord. Hij bleef zitten in dezelfde
peinzende houding, waarin hij ’Ma Akoeba had aangehoord.
Dan eindelijk antwoordde hij: „Ja vrouwtje, de toovergoden hebben mij
bekend gemaakt met de ziekte van uw man. Wees niet ongerust, Anansi is
eigenlijk niet ziek. Een sterk verlangen is het, dat hem pijnigt. Kunt
ge daaraan voldoen, dan wordt hij spoedig de levenslustige slimmerd,
die hij zijn heele leven is geweest”.
Aandachtig had ’Ma Akoeba geluisterd en pas was de wonderdokter
uitgesproken, of ze vroeg bijna smeekend: „O, wijze Heer, noem mij dat,
waarnaar mijn man verlangt, opdat ik spoedig aan zijn wensch kan
voldoen, als ’t me ten minste mogelijk is”.
En op een ernstigen toon antwoordde de wonderdokter: „Vrouwtje, aan
Anansi’s verlangen is niet moeilijk te voldoen. Hij smacht naar
schapenbout, vet schapenvleesch is ’t eenige, dat hem zeker en spoedig
genezen kan. Zie daaraan te komen en uw man zal herstellen”.
Met eerbiedige dankbaarheid vervuld, keerde ’Ma Akoeba naar haar woning
terug.
Maar de huichelachtige Anansi zorgde zijn vrouw voor te zijn. Hij
ontdeed zich thuis haastig van zijn vermomming en kroop weêr in bed.
Zonder Anansi te waarschuwen, slachtte het vrouwtje haar
lievelingsschaap. Ze braadde het zóó heerlijk, als ze maar kon en
bracht het Anansi.
De gulzigaard at het geheel op en liet zelfs de kindertjes toekijken,
die met hunkerende oogen den eenen hap na den anderen zagen verdwijnen.
Toen het laatste stukje vleesch naar binnen ging, zei de huichelaar:
„Lieve kinderen, neem een voorbeeld aan je goede ma, en wees als zij,
nooit gierig” [303].