Heer Spin was getrouwd met ’Ma Akoeba. Hij werd gezegend met een
twaalftal kinderen en moest hard werken, om zijn gezin te kunnen
onderhouden. Moeder de vrouw, die een liefhebster was van pluimvee,
hield er een heele fokkerij op na.
Spin, door zorgen ter neêr gedrukt, stelde alles in het werk, om er wat
van machtig te worden. Het mocht hem echter niet lukken. Toen bedacht
hij de volgende list.
Heer Spin wist, dat zijn echtgenoote bang was voor blanken,
voornamelijk voor Amerikanen, die zij voor gevaarlijke menschen hield.
Hij deelde haar nu mede, dat een Amerikaansch kapitein ’s avonds om
zeven uur zou komen soupeeren, en zei haar, dat alles dan klaar moest
zijn.
Even over zessen ging heer Spin uit om te wandelen, en klokslag zeven
kwam hij als Amerikaan verkleed terug.
„Good evening”.
„Nàvoen kaptin”. [283]
’Ma Akoeba maakte een kósi [284] en zond haar dochter naar binnen om
het licht aan te steken.
„No, no, no, me git sore hai,” [285] schreeuwde de kapitein.
De kapitein at naar hartelust; en toen hij klaar was, zei hij op
woesten toon tegen ’Ma Akoeba:
„Zeg tegen Anansi als hij thuis komt, dat ik op hem ben blijven
wachten, maar dat ik eindelijk ben weggegaan, toen hij niet kwam
opdagen; morgen kom ik weêr en dan hoop ik hem aan te treffen. Bedank
hem vast voor het goede onthaal.”
’Ma Akoeba, niet beter wetende, groette hem vriendelijk, waarna hij
vertrok.
Heer Spin ontdeed zich van zijn Amerikaansch kostuum, en kwam na een
half uur weêr thuis.
’Ma Akoeba, nog niet bekomen van den schrik, deelde haar echtgenoot het
voorgevallene mede en verzocht hem, den volgenden dag niet uit te gaan,
uit vrees voor den Amerikaan.
„Waarom bang te zijn, kind, hij is toch een mensch als jij.
„Je hebt hem toch goed onthaald, hoop ik?”
„Ja zeker en hij heeft goed gegeten ook. Er is niets overgebleven dan
de beentjes van de gebraden dóksi. [286] Hij komt me voor, een
gulzigaard te zijn”.
„Mensch, je kent je wereld niet, anders had je je wel duizendmaal
bedacht, voor je zoo iets zei”.
„Hoe? Ken ik mijn wereld niet”, antwoordde Akoeba bits, die niet op
haar mondje gevallen was.
„Je begrijpt toch wel, dat hij niet zooveel gegeten zou hebben, als het
hem niet gesmaakt had, dat is juist een aanbeveling voor je, moedertje!
Hij is een echte Amerikaan; het spijt me geducht, dat ik niet thuis
was. Heeft hij niet naar whisky gevraagd?” voegde Spin er bij.
„Neen, maar doe me een genoegen en breng dien man niet meer in huis”.
Heer Spin zette de list voort en verscheen elken avond als Amerikaan
verkleed, tot hij op een zekeren dag met een tamarinde-zweep werd
afgeranseld.
Anansi, die geen pijn kon verdragen, schreeuwde het uit en riep „’Ma
Akoeba, sla me niet, ik ben immers maar Anansi, je echtgenoot”.
’Ma Akoeba geloofde hem niet en sloeg maar door. Als iemand het tooneel
gezien had, zou hij medelijden gehad hebben met heer Spin; want op het
laatst kreeg hij een zóó harden zweepslag over het middenlijf, dat hij
haast in tweeën gesneden werd. Van dit oogenblik moest de spin met een
in tweeën gekloofd lichaam loopen.