Alvorens het verhaal te beginnen zal ik U een raadsel opgeven:
De deur van het kantoor was gesloten, er werd uit het kantoor geld
vermist; zoo niet de bediende, dan is mevrouw een schurk....
Broeders, laat ons het hierbij laten.
„Maar man, begin dan toch, de avond gaat geheel verloren”.
Eertijds, d.i. sedert onheugelijke tijden, toen de dieren nog
spraken....
Nu ga ik U een verhaal doen van vriend Spin en vriend Olifant.
Wij weten allen, dat vriend Olifant niet iemand is om meê te spotten,
en dat hij een krachtig en sterk dier is.
Op zekeren morgen kwam vriend Spin, verregaand onbeschaamdweg vriend
Olifant voorstellen, om met hem een weddenschap aan te gaan, wie van
hen beiden de sterkste zou blijken te zijn.
Olifant dacht er niet verder over na, of hem misschien ook een strik
gespannen werd. Hij sprong op, stak zijn langen snuit in de lucht en
lachte zóó hartelijk, dat de kleine tandjes, die God de Heer hem gaf,
om zijn oogen en ooren schoon te maken, te zien kwamen.
Vriend Spin draaide zijn knevels op, streek zijn baard, likte zich de
lippen en ging heen, om de list, die hij zou aanwenden, Olifant het af
te winnen, te overpeinzen. Tienmaal sloeg hij zich voor het hoofd en
stampte hij met zijn grooten zwaren schoen tegen den grond, om een
middel te bedenken, om dezen grooten woudbewoner beet te nemen. Toen
het schemerde, ging vriend Spin aan het strand en floot hij, om de
grootste visch van de Spaansche groene zee tot zich te roepen; deze
visch heet Walvisch.
Een kwartiertje daarna begon de zee onstuimig te worden en schoten de
golven als bergen omhoog, terwijl deze opspoten als een vulkaan, die
uit zijn kraters lava en asch werpt.
Walvisch kwam aan wal.
Vriend Spin schrikte vreeselijk en beefde van zijn hoofd tot zijn
teenen; een rilling ging door zijn leden, en met tranen in de oogen
verzocht hij Walvisch, hem aldus aansprekende: „Ik ben een arm klein
ding te midden van alle andere schepselen en ben toch in een bittere
verzoeking gevallen. Ach, moeder der zee, gij alleen kunt mij helpen en
niemand anders ter wereld”.
„Spin, jou kwajongen, je zanikt; sedert je me aan wal geroepen hebt,
doe je niets dan smeeken en tot nu toe heb je niets gezegd”.
„Eerwaardige, ontferm u over mij, rampzalige! Ach, daar God het wil,
zal ik beginnen:
Vriend Olifant ontmoette mij op een hoek van Quatre-Bras, juist op de
plek, waar de slag het hevigst was, die daar door vriend Napoleon werd
geleverd.
Wij spraken over dien slag en hij verdiepte zich in herinneringen,
toen, omdat vriend Olifant Engelschman is, hij plotseling woest en
driftig werd. Hij wilde mij slaan, maar gelukkig voor mij, dat ik klein
ben, want ik maakte me uit de voeten en verborg me. In mijne
verontwaardiging heb ik gescholden op alle grooten der aarde en der
zee”.
„Jou kwajongen, voor mij hebt gij geen eerbied; ik zal je dat betaald
zetten”.
Wij allen weten, hoe slim Spin is.
Hij ging toen ook met Walvisch een weddenschap aan, zeggende: „Wel
groote bewoner der zee; ik ga een lang en sterk kabeltouw leenen;
daarvan zult gij het eene eind om uw middel slaan en het andere zal ik,
aan wal blijvende, om mijn middel binden; dan zullen wij op een gegeven
teeken aan het trekken gaan; brengt gij mij in zee, dan.... doch breng
ik je aan land dan... is hij, die het wint de sterkste van ons beiden.
Maar vóór alles, sta mij toe, van mijn vrouw en kinderen afscheid te
gaan nemen”.
Moeder Walvisch dacht er ook niet verder over na en zei: „ja, het is
goed.
„Twee dagen na heden zullen wij den strijd aanbinden te omstreeks drie
uur, drie minuten en eenige seconden”.
Hierdoor vond Spin tijd en gelegenheid, om naar Olifant toe te gaan en
dezen onbeschaamdweg uit te dagen.
Olifant, ofschoon geen onbeduidende, sprong op en zei: „het is goed,
jou vagebond van een kleinen kwajongen, ik zal je doen zien, wie
sterker is”.
Olifant vroeg: „op welke wijze zullen wij de weddenschap aangaan?”
„Olifant, ik zal een kabeltouw om uw middel binden en gij zult midden
in het bosch blijven, terwijl ik aan het strand zal gaan staan, met het
andere eind van het touw om mijn middel gebonden, en dan zullen wij op
een te geven teeken naar elkander toe gaan trekken en hij, die den
ander naar zich toetrekt, zal overwinnaar zijn en het recht hebben te
eischen, wat hem gelieft”.
Welnu, Broeders en Zusters, wat denkt ge, dat Spin gedaan heeft? Hij
wacht af tot op het oogenblik, dat met Walvisch was overeengekomen.
Toen gaat hij met een tros kabeltouw van 100 meter lengte naar Walvisch
toe en bindt dit om diens middel, keert terug en bindt het aan het
andere eind om Olifant’s middel, plaatst zijn broeder, overeenkomstig
een met hem gemaakte afspraak, in het midden, om het sein tot den
strijd te geven en verwijdert zich in de richting van het strand, zijn
broeder toeroepende, dat hij alleen te roepen had: „het is tijd”.
Toen het uur van den strijd gekomen was, riep de broeder van Spin: „het
is tijd”.
Olifant en Walvisch begonnen nu, in tegenovergestelde richting zich
bewegende, te trekken: Walvisch in zee en Olifant op land, zoodat geen
van beiden den andere kon zien. Dit heen en weêr trekken duurde
geruimen tijd, zonder dat deze twee gevaarten elkander konden zien of
op elkander iets winnen.
Olifant was hierover verbaasd en kon er zich geen denkbeeld van vormen.
Tot zijn geluk kwam zijn jonge zuster daar langs, die zag, dat het
kabeltouw van het water uit getrokken werd en dat de zee zeer onstuimig
was.
Spin, die ook geen gek was, bemerkte hoe het zusje van Olifant dit
alles gadesloeg, en, uit vrees dat zij dit haar broeder zou gaan
mededeelen, maakte hij zich onmiddellijk uit de voeten. Hij vluchtte
het bosch in en ging zich verbergen in het skelet van een olifant; want
hij voorzag, wat hem te wachten stond.
Het zusje van Olifant ging naar haar broeder toe en zei tot dezen: „Jou
gek, het is niet Spin, maar Walvisch in de zee, die aan het touw trekt
en daardoor is voor jou de kans op winnen verkeken”. Onmiddellijk
daarop zond Olifant aan Walvisch een boodschap, hem daarbij alles
mededeelende. Onmiddellijk ontdeden zij zich beiden van het kabeltouw.
Zij dienden een klacht in tegen Spin bij het Boschgerecht; maar Spin,
slimmer dan beiden te zamen, had zich den tijd benuttigd, om een
huwelijk aan te gaan met de Prinses van het land, zoodat hij niet meer
voor het Boschgerecht kon worden betrokken.
Welnu, Broeders en Zusters, leert hieruit, dat het niet aangaat dat
grooten der aarde zich met hun minderen inlaten.
Vriend, nu de beurt aan jou!