„Weet je wat, als je hier gekomen bent om me weg te jagen, heb je het
maar te zeggen, dan zal ik gaan”.
„Hari hoedoe! Hari hoedoe!” [198]
Toen sprong ik voor de tweede maal op, en gaf hem een zóó harden mep,
dat hij met zijn koffie en beschuiten op den grond tuimelde. Voor de
tweede maal sloeg ik een mal figuur, want de gasten hadden plezier en
lachten mij uit.
Van dien dag af heb ik besloten nooit meer anansi-tori’s te vertellen,
omdat zij mij een ongeluk zouden kunnen bezorgen. Is U het niet met mij
eens?”
Ik zuchtte, gaf den man twee sigaren, en o, wonder! toen kwam hij los
en begon hij mij door tal van voorbeelden op het gevaar te wijzen,
waaraan men zich door het vertellen van anansi-tori’s blootstelt.
Hij vertelde mij o.a. dat hij, sedert hij die klappen in het sterfhuis
had uitgedeeld, pijn aan zijn arm gekregen had en niet zoo goed meer
werken kon.
„Die man moet bepaald een gevaarlijke inenting hebben gehad, want door
hem ben ik ziek geworden en sukkel ik voortdurend. Daarom, meneer,
geloof mij, waar ik ook ben, als er anansi-tori’s verteld worden, ga ik
heen, want steeds mi han de kisi anansi; [199] en, pikien mass’ra [200]
als ik U een raad mag geven, dan is het deze: hoor ze ook niet aan,
want dat zijn dingen, die den mensch kwaad kunnen doen”.
Onder het gesprek kwam onze waschvrouw binnen, die ik als nog veel
bijgelooviger dan den gouddelver had leeren kennen. Zij was ter kerke
geweest, en na ons gegroet te hebben, kwam ze bij ons zitten. Doch niet
zoodra had zij vernomen, over welk onderwerp wij het hadden, of ze
wilde opstaan en weggaan.
Maar toen ze pogingen daartoe deed, schreeuwde zij: mi foetoe de kisi
anansi [201] en mij met een woedenden blik aanziende, zeide zij:
„Ma pikien mass’ra, na Gado dei joe sa taki anansi-tori!” [202]
Mijn zuster, die ook tegenwoordig was, had schik in den angst harer
oude waschvrouw en kon niet laten te zeggen:
„Mijn tijd! [203] Wasje, ik ben blij, dat anansi je te pakken heeft”.
Eenigen tijd daarna stond de vrouw op en ging zich verkleedden onder ’t
zingen van een lied. De gouddelver scheen ook schik te hebben in het
geval en begon haar uit te lachen.
„Jij kent Gods weg niet, anders zou jij, zoo’n oude man, den Zondag
niet bederven met die dwaasheden”.
„Die vrouw is gek”.
Er volgde nu een algemeene scheldpartij, waarbij de vrouw den
gouddelver voor Azéman*, Leba* en meer dergelijke lieflijkheden
uitmaakte.
Ik weêrhield den gouddelver, die woedend was opgestoven, en Wasje, die
boos naar boven was geloopen, kwam kort daarna even naar beneden, mij
toeroepende, dat ik haar den Zondag bedorven had; doch ik had nog niet
genoeg, want ook de gouddelver, angstig geworden door de op hem
gerichte vurige blikken der vrouw, kwam mij weder die verwenschte
anansi-tori’s verwijten, er bijvoegende, dat de vrouw een Azéman moest
zijn, getuige hare roode oogen en hare naar den grond gerichte teenen.
De gouddelver was geheel van streek en vervolgde:
„Heb ik U straks niet het gebeurde met dien déde-hóso aratta verteld,
en nu schijnt het zich te zullen repeteeren, maar Gode zij dank, dat
Hij mijne driften heeft doen stillen, anders had ik de vrouw geslagen
en na so soema de déde nanga leigi bere. [204] Heb ik nu geen gelijk,
dat ik geen anansi-tori’s wil vertellen? U ziet er nu zelf de gevolgen
van”.
„Je bent driftig”, zei ik, „anansi-tori’s zijn immers slechts
sprookjes, die door de Afrikanen en hunne kinderen vervaardigd zijn en
die hier al 2 à 300 jaar bestaan”.
„Ja, maar meneer, de Afrikanen waren ook niet gedoopt en er waren toen
nog geen kerken. Ze wisten van niets en ze deden ook kwaad. Zij hebben
de Bakróes, de Azémans, Afreketes of Lebas ingevoerd”.
„Zeg mij eens wat een Azéman is”, vroeg ik.
„Hm, meneer, een Azéman is een geest, die de gedaante van een neger kan
aannemen”.
„Dat is het niet wat ik bedoel, je moet er mij eens een beschrijven”.
„Meneer, joe no moe haksi alla sanni so fini-fini en joe wanni go dipi
nanga mi”. [205]
Doch toen hij zag, dat ik niet tevreden was, zei hij:
„De meeste oude menschen (negers), die roode oogen hebben en naar den
grond gerichte teenen, behooren tot die klasse. Een Azéman voedt zich
met menschenbloed. Hij of zij—want vrouwen zoowel als mannen doen
het—bezit de kunst, om het lichaam van het vel te ontdoen en daardoor
de macht van een joroka* te verkrijgen, gesloten huizen binnen te
dringen en de menschen bloed uit te zuigen. Is het bloed bitter, dan
braakt de Azéman het weêr uit, doch smaakt het, dan gaat hij voort met
zuigen, totdat de persoon sterft.”
De waschvrouw stond op, met aandacht luisterend en toen ik vroeg, hoe
men kan weten, dat er een Azéman in de buurt is, antwoordde de vrome
waschvrouw:
„Hm, we a no de koti brau faja; mi ben si wan na srafoe tem na pranasi,
a ben de kom driengi basia Kofi wefi.—Wè! datti a noti jete, bakra
kondre, bakra srefi kan taki. [206] Ik ging het bosch in, en daar trok
er een de rivier over vóór de plantage de Morgenstond; hij begon ons
uit te schelden en wij hem ook. Die zelfde Azéman is toen gevangen
genomen in de Boven-Commewijne door de Piai-iengis. [207] Ik kan me nog
goed herinneren uit mijn jeugd, dat er een op plantage Brouwerslust
gevangen genomen werd. Sanì de!” [208]
Ik vroeg toen op mijn beurt, hoe een Azéman gevangen genomen kan
worden, als hij de gedaante van een geest kan aannemen, en de kunst
bezit, een gesloten huis binnen te gaan, zonder een deur of raam te
openen, dan de menschen uit te zuigen en weêr te vertrekken, zonder dat
iemand er iets van merkt of voelt.
„Wel”, zei de vrouw, „de Azéman verdooft de plek met zijn lippen en
zuigt daarna het bloed uit. De tong van zoo’n Azéman is als chloroform,
meneer!”
„Maar ik wil weten, hoe men hem vangt”.
„Wel, die kunst bezitten de indianen, doch ook negers”, zei de
gouddelver. „Ik heb gehoord, dat men hem vangt met rauwe rijst; daar
waar hij gewoon is te komen, loert men op hem, nadat rijst of ook wel
abónjera* (sesamzaad) achter de deur is neêrgelegd. De Azéman kan dan
niet verder, en begint de korrels stuk voor stuk op te pikken. Doch
door hetgeen men bij de korrels heeft neêrgelegd, zooals de nagels van
de Man-gronuil, [209] vallen de korrels weêr neêr, zoodat de Azéman tot
aan het aanbreken van den dag blijft doorpikken. Dan echter is zijn lot
beslist, want zoodra het zonlicht op hem schijnt, valt hij dood neêr”.
„Op Brouwerslust hebben ze de Azéman op een andere wijze gevangen”, zei
de waschvrouw.
Hij had zijn vel onder een matta-mátta [210] gelegd in de keuken. Twee
rijpe mannen hebben het opgenomen en in pekel gelegd; daarna plaatsten
zij het weêr onder de mat. Toen de Azéman terugkwam, kon hij zijn
mantel niet meer aantrekken, daar hij in de pekel gekrompen was.
Men zeide, dat het de zwager was van den bastiaan Kofi”.
„Wat hebben ze toen met hem gedaan?”
„Met een prasára sisíbi [211] afgeranseld, en hij is gestorven ook. Ik
herinner me nog goed, dat dien avond een soesà* werd gegeven en dat
zijn jorokà bij de dansers kwam.
De waschvrouw wist nog andere manieren te vertellen, waarop men den
Azéman in handen kan krijgen, allemaal herinneringen uit haar jeugd,
toen zij als slavin op een plantage werkte en er rare dingen gebeurden.
Ik luisterde met aandacht en toen zij uitgesproken had, riep ik uit:
„ben jij nu de waschvrouw, die geen anansi-tori’s wil vertellen!”
Des avonds kwam de gouddelver ons weêr bezoeken. Het gesprek kwam
alweder op de geheimzinnige wereld, want nauwelijks gezeten, begon de
man te vertellen van de bakróe, een gevaarlijk element, op een mensch
gelijkend.
„De bakróe wordt door menschenhanden gemaakt. De wintiman [212] vormt
hem eerst uit plantenslijm; daarna brengt hij hem naar huis en plaatst
hem onder een banaan; nadat hij dan eenige formulieren heeft opgezegd,
gelijkt hij op een jongen van drie jaar.
Hij bezit een bovennatuurlijke kracht, gooit de sterkst gespierde
mannen omver, is gehoorzaam en voldoet aan zijn’s meester’s opdracht.
De bakróe bezit de macht, om zich in het binnenste van het mensch te
nestelen. Is hij eenmaal binnengedrongen, dan is er geen professor of
arts ter wereld, die hem er uit weet te krijgen; alleen de dátra [213]
of wintiman* kan het doen.
De dátra behandelt zijn patiënt op een zeer vreemde wijze; deze moet in
een tobbe water zitten en ondergaat een bad, daarna wordt hij door de
assistenten met een prasára-sisíbi afgeranseld. De wintiman geraakt dan
in een abnormalen toestand, spreekt indiaansch, afrikaansch en de taal
der boozen. Is de patiënt genezen, dan moeten nog enkele formaliteiten
plaats vinden, zooals het betalen van wegen en paden (offeren).
„Maar”, zoo viel de waschvrouw in de rede, „ik heb wel eens gehoord,
dat er ook kópro bakróe [214] bestaan, die niet zoo gemakkelijk te
verwijderen zijn, daar deze listiger zijn dan de dátra zelf. Alleen een
Indiaansche piaiman kan hem wegkrijgen.
„Er komen ook onbeheerde bakróes voor; deze houden verblijf in trenzen*
of ook wel in groote boomen, die op spaan-hoekoe [215] staan, zoodat ik
bang ben ’s avonds alleen te loopen”.
„Tot dezelfde familie”, begon de gouddelver weêr, „behoort ook de léba.
Meneer, maar daar kan ik U niet veel van vertellen, want deze schijnt
uit te sterven, hetgeen met de bakróe niet het geval is”.
„De léba is een mensch, die vol schurft en ongedierte zit en in lompen
gehuld is; U zoudt hem niet kunnen herkennen, hoewel hij op een mensch
gelijkt”.
„Dat kan niet zijn”, merkte de waschvrouw op, „de léba is een soort
joroká; des nachts om twaalf uur zijn er te vinden op spaan-hoekoe.
Raakt de léba iemand aan, dan gaat diens ziekte op hem over. Máss’ra,
’sanì de! [216] De blanken weten het heel goed, maar ze spreken het
tegen, om de menschen er niet aan te doen gelooven.
Later vroeg ik aan verschillende inboorlingen naar deze dingen en zij
verklaarden gehoord te hebben, dat ze bestaan. Doch de gouddelver en de
waschvrouw hielden vol, ze gezien te hebben.
„Máss’ra”, zeide de vrouw, „U bent pas komen kijken, en we leven nu in
een verlichten tijd; wat U niet weet of niet gezien hebt, behoeft U
niet te ondervinden. Vraagt U eens aan oude menschen, dan zult U
hooren, wat er alzoo in den slaventijd gebeurde. Er werden
verschillende feesten gegeven, zooals de Doe*, de Banjà*, de Soesà*”,
zeide zij, terwijl zij de tong tegen haar verhemelte sloeg; „ik deed
niet onder voor de beste dansers, bája [217], het is zoo aangenaam de
kwakwà [218] te hooren spelen! Als ik aan dien tijd denk, komt alles
mij nog als den dag van gisteren voor oogen.
„Bij alles wat heilig is”, zoo ging zij met zachte stem voort, „zoo
verzeker ik U, dat alles wat ik nu vertellen zal, waarheid is, omdat
blanken er niet aan gelooven willen, en maar steeds volhouden, dat het
bijgeloof is.
„Welnu dan, ik heb bijgewoond, toen men winti* danste, dat een man een
gloeiend kapmes, dat een half uur in het vuur was geweest, heeft
afgelikt, totdat het ijzer geheel bekoeld was. De man kreeg niet het
minste letsel. Daarna nam de wintiman een scheermes en sneed
verschillende anderen de tong af. Van een vrouw sneed hij die geheel
af, en legde haar op een wit bord met spiritus, om haar daarna weêr aan
het stuk, dat nog in den mond was blijven zitten, vast te lijmen. Geen
mensch die zien kon, waar de tong afgesneden was geweest!
„De vroegere negers—Máss’ra, no plei fóeloe nánga dem [219]—deden een
heele boel!
„Er was een bekend weglooperskamp, genaamd no méri mi [220]; daar werd
op de schildpad gekeken (voorspeld), zeggen de oude menschen en alles
kwam uit; zij verstonden de ware zwarte kunsten. Máss’ra, U zult me
niet gelooven, maar er zijn nog van die soort geweren, wier kogels niet
raken, al mikt men nog zoo juist”.
„O ja, dat is een feit,” merkte de gouddelver op, „ma’ a de dàngra
soema hede.” [221]
„Hm,” zuchtte de vrome waschvrouw, „ge moogt er niet aan gelooven, maar
die dingen bestaan, dat weet men zelfs tot in bakrà kóndre.” [222]
„Mass’ra, u gelooft zeker ook niet aan wísi [223] maar het bestaat
hoor! Ze hebben moeite gedaan, om mij van kant te maken, maar mi akrâ
[224] is sterker dan het hunne”.
„Mijnheer er zijn verborgenheden, geloof mij” verzekerde de gouddelver.
„Op de voormalige plantage Groot-Meerzorg kon de rietmolen geen dienst
doen, alvorens hij een menschenlever of een menschenhart ten geschenke
had gekregen”.
„A móro bétre wi kiri tàki” [225] merkte de waschvrouw op, „sribi de
kíli mi”. [226]
De gouddelver stond op en ging heen.
Wasje ging naar boven en alvorens haar slaapkamer binnen te gaan,
strooide zij rijstkorrels voor de deur.
Gran tàngi foe dem bakrà di opo dem sóema hai di men’ tàpoe [227] dacht
ik, en teleurgesteld, dat ik heden geen anansi-tori’s had mogen hooren,
zocht ook ik mijn legerstede op.