Eens op een Zondag,—den dag, waarop men zich nog al eens verveelt—wilde
ik den tijd trachten te dooden door naar eene gelegenheid te zoeken, om
eenige anansi-tori’s op te doen.
Ik noodigde daartoe eenige gasten ten mijnent uit en wachtte op een
geschikt oogenblik, om het verzoek tot hen te richten, mij eenige
anansi-tori’s te willen vertellen.
„Voor de mooisten heb ik wel eenige sigaren over”.
De heeren lachten uit volle borst:
„Wo! taki anansi-tori bigi-bigi dei, Kà!” [184]
„Wel, waarom niet?”
„Je weet toch, dat anansi-tori’s niet ieder oogenblik mogen verteld
worden en vooral niet als het dag is; hij die er zich niet aan houdt,
moet zich een ooghaar uittrekken”. [185]
„Och kom, je kent er een massa, dat weet ik”.
„Dat is waar, maar op dit oogenblik mag ik er U geen enkele vertellen,
want kerki sidòn kabà. [186] Vandaag is het een dag om te zingen en
vroolijk te zijn”.
„Wel man, wees toch niet zoo dom en vertel er mij eenigen, dan geef ik
je sigaren”.
De man antwoordde mij niet en ging weg. Een der overigen zuchtte en
sloeg zijn blikken naar boven. Ik vroeg hem wat dat beteekenen moest,
waarop hij met neêrgeslagen oogen en zachte stem antwoordde:
„Máss’ra, joe a no wan pikíen, joe kánkan Sranam krioro, en joe sabi
srefi sani anansi-tori wanni taki”. [187]
„Arnitri”. [188]
„En je bent nog zoo bijgeloovig en wilt geen anansi-tori’s vertellen?
Foei man, schaam je wat!”
Ik vroeg hem daarop, om welke reden men geen anansi-tori’s bij dag wil
vertellen en waarom, als er gevraagd wordt „vertel een anansi-tori”,
men steeds ten antwoord krijgt „mi no sabi” [189].
Meneer de gouddelver stond op en vroeg mij op eenigszins heftigen toon
of ik dan niet wist, dat de skietnis of de anansi-tori tooverij is?
Eenige mijner vrienden, die bij het gesprek tegenwoordig waren, konden
zich niet inhouden, en schaterden het uit, waarop de gouddelver
vertrekken wilde.
„Word toch niet boos, vriend, het is immers maar gekheid”.
„Ja, maar ik word door jelui uitgelachen, en jelui denkt, dat ik lieg;
om U de waarheid te zeggen, anansi-tori’s zijn dingen, die niet maar
zoo besproken worden en die in een sterfhuis thuis hooren, niet bij ons
op dit oogenblik.
Je weet toch dat, als iemand begraven is, des avonds déde-hóso [190]
gehouden wordt en er gezongen wordt en dat daarna eerst verteld wordt
van de daden van Spin.
Om die zelfde anansi-tori’s heb ik een man eens een pak slaag gegeven.
Luister:
„Ik was in een sterfhuis en begon eenige pittige anansi-tori’s te
vertellen, toen een onverzochte gast mij telkens in de rede viel. Ik
vertelde van anansi, die de bakroe* [191] genezen had, toen die snapper
mij toeriep:
„Je liegt, vent”.
Ik deed alsof ik het niet hoorde, en ging verder. Doch al weêr viel de
man mij in de rede:
„Joe no de taki na tori boen”. [192]
Ik kookte inwendig, meneer, en gaf hem geen antwoord, want dat was hij
niet waard. U moet weten, hij behoorde tot de déde-hóso aratta. [193]
Toen ik eindelijk zóóver met het verhaal gevorderd was, dat de bakroe
door anansi genezen was, viel de vent me alweder in de rede, zeggende:
„Ik kan me niet begrijpen, hoe jelui je door dien man voor den gek kunt
laten houden; weet je dan niet, dat hij u maar wat zit voor te liegen?”
[194]
Toen ik het woord liegen hoorde, kon ik me niet meer inhouden; ik stond
op en gaf hem een muilpeer, die zóó hard aankwam, dat hij onderste
boven op den grond tuimelde. De overige gasten hadden er echter plezier
in, dat die déde-hóso aratta mij eens aan de kaak stelde; ze waren niet
tot bedaren te krijgen, totdat een hunner opmerkte:
„Je moet niet driftig worden, dat is juist de pret te a koti na tori”.
[195]
De gasten trachtten de déde-hóso aratta te kalmeeren, waarop deze het
woord nam en ook een anansi-tori begon te vertellen. Hem mocht echter
niemand in de rede vallen. Ik keek hem strak aan, en raadt eens, wat
hij mij durfde te zeggen:
„Jij mag naar mijn mond kijken, maar jou mondje moet je houden, vriend,
want anansi-tori’s moet je nog gaan leeren”.
„Joe si, fa gajoe de soekoe mi nande trobi”. [196]