INHOUD DER SURINAAMSCHE NEGERVERTELLINGEN.

Wenden wij ons nu in de eerste plaats tot de Surinaamsche

negervertellingen of anansi-tori’s.

Evenals in de mondelinge litteratuur der Goudkustnegers treedt ook in

de meeste Surinaamsche negervertellingen de spin als hoofdpersoon op.

Mr. Spider in de vertellingen uit Sierra Leone is hier, evenals bij de

Goudkustnegers Anansi. Vreemde invloeden, gedeeltelijk Nederlandsche,

gedeeltelijk Engelsche, die sedert de overbrenging der slaven op

West-Indischen bodem op de folklore der negers hebben ingewerkt, hebben

blijkbaar op hun geliefden held niet den minsten vat gehad, want in de

Surinaamsche vertellingen vinden wij volkomen denzelfden Spin terug,

van welken zoo dikwijls door de Negers van de Goudkust en aanverwante

stammen wordt verteld. [170]

Daar, zooals ik reeds heb opgemerkt, de spin als de personificatie van

het zwarte ras wordt beschouwd, van zijne vele deugden, maar ook van

zijne ondeugden, en de meest op den voorgrond tredende

karaktereigenschappen van den Neger door eeuwen heen dezelfde zijn

gebleven, mag de onveranderlijkheid van zijn Held, hoewel met hem naar

elders overgebracht, in het minst niet verwonderen.

Door Anansi’s buitengewone slimheid en geslepenheid en zijn lichten

slaap ontsnapt hij aan alle listen en lagen, die tegen hem gespannen

worden, en is hij als het ware onsterfelijk. Telkens weet hij nog juist

bijtijds te ontsnappen en aan den dood te ontkomen.

Vreemd mag het daarom schijnen, dat Anansi in No. 22, getiteld: „Heer

Spin en de Bliksem”, met zijn gansche familie vernietigd wordt.

Spin heeft ook in Suriname een onbegrensden eetlust en weet zich door

allerlei listen en streken van het noodige voedsel te voorzien. Wanneer

er gebrek is aan voedsel—dat in Suriname met den vruchtbaren bodem en

visch-rijkdom der rivieren voor den Neger wel nimmer voorkomt—weet

Anansi altijd wel wat machtig te worden. Ieder verlangen, dat bij hem

opkomt, weet hij, dank zij zijn ongeëvenaarde vindingrijkheid, te

bevredigen, al moet hij zich daartoe nu eens als Amerikaan verkleeden,

om zich te goed te doen aan gebraden eend (No. 18, getiteld: „Anansi

als Amerikaan verkleed”), dan weêr als loekoe-man* te verschijnen, om

zijn vrouw, Ma Akoeba onmiddellijk bereid te vinden, een schapenbout

voor hem gereed te maken (No. 24, getiteld: „Hoe Anansi aan

schapenvleesch kwam”). In Anansi’s laatste streek handelt hij nog

volkomen als zijn stamgenoot in Sierra Leone, die van het geloof van

het volk in den Geestenbezweerder of den „Country fashion-man” partij

trekt, om zijn doel te bereiken (Cr.).

Ook de Surinaamsche neger laat Anansi dikwijls door de neus spreken

(No. 16, getiteld: „Spin wedt den tijger te berijden”) en laat hem

dikwijls schreeuwen als hij liegt.

Het meerendeel der in Suriname bijeengebrachte dierenfabels, hetzij

Anansi er in optreedt, (dus echte anansi-tori’s) (No. 1–24) of niet

(No. 25–33), behoort tot de fabels, waarin de dieren, die er in

optreden, doorgaans als menschelijke wezens worden voorgesteld, met

hunne goede en slechte karaktereigenschappen, met hunne gewoonten en

gebruiken. De tijger, met welk dier ook hier de jagoear wordt bedoeld,

en die in niet minder dan acht vertellingen van dezen bundel optreedt,

viert zijn verjaardag. (No. 14, getiteld: „Tijger’s verjaardag”) speelt

tot tijdverdrijf een oud-Afrikaansch spel, met de zg. Awari-bángi* (in

No. 6, getiteld: „Hoe Heer Spin zijn schuldeischers betaalt”) en doet

zelfs „een kleintje in de broek”, (in No. 4, getiteld: „Spin, Tijger en

de doode koe”); de dieren houden wedstrijden in hardloopen, en gaan

daarbij weddenschappen aan, dingen naar de hand van Koningsdochters

enz. enz. Evenals in de Afrikaansche negervertellingen worden de namen

der dieren doorgaans voorafgegaan door Heer [171] of Broeder [172]. In

Suriname is anansi doorgaans Heer, en brengt hij het somtijds tot

Gouverneur.

Anansi’s vrouw, moeder Akoeba (naam van een meisje, op Woensdag

geboren), spreekt haar man wel eens aan met „mi Kaptin” [173], in welk

ambt zijne bedrevenheid in de Surinaamsche anansi-tori’s herhaaldelijk

in het licht wordt gesteld (No. 1, getiteld: „Heer Spin, die een half

dorp verovert”). Ook in Sierra Leone wordt door de negers gaarne

verteld van de streken, die „Cappen Spider” [174] uithaalt.

Hoewel deze dierenfabels ongetwijfeld de meest oorspronkelijke, n.l.

van Afrikaanschen oorsprong zijn, hebben zij in den loop der tijden

blijkbaar belangrijke wijzigingen ondergaan door de vervanging van de

vertegenwoordigers der Afrikaansche fauna door die der Surinaamsche

wouden. [175]

De negers zijn buitengewoon vindingrijk en improviseeren en

phantaseeren er maar op los—de meest typische staaltjes van dit talent

heb ik op den tocht door de binnenlanden der Kolonie bij mijne negers

kunnen opteekenen (C.b.). Als uitmuntende waarnemers houden zij er van,

de gewoonten der dieren, van de grootsten tot de kleinsten, na te gaan

en er hunne verklaring voor te geven, en het is begrijpelijk, dat er

van eene herinnering aan de Afrikaansche dieren- en plantenwereld niet

veel meer is overgebleven. Toch schijnt het in Afrika meest opvallende

dier, dat op ieder mensch steeds een machtigen indruk maakt, in

Suriname door den neger nog niet geheel vergeten te zijn, nl. de

olifant, die wij in de vertelling No. 18, getiteld: „Verhaal uit het

leven van vriend Spin” aantreffen en er nog steeds met het Afrikaansche

woord Azau of Asaw wordt aangeduid. [176]

In den loop der tijden hebben Afrikaansche dieren voor verwante vormen

der Surinaamsche fauna plaats gemaakt—zooals voor het luipaard: de

tijger, die in Suriname niet voorkomt, doch waarmede daar steeds de

jagoear bedoeld wordt; voor den aap in algemeenen zin: de brulaap; voor

den vos: de kraboe dagoe* of krabbenhond enz.—en het behoeft geen

verwondering te wekken, dat ook dieren, die in dat deel van Afrika,

vanwaar de slaven naar Suriname werden overgebracht, geen verwanten

hebben en om de een of andere reden de aandacht trokken, gaandeweg in

hunne dierenfabels werden opgenomen. Als voorbeeld noem ik o.a. de

awari*, de buidelrat (zie No. 29, getiteld: „Ondank is ’s werelds

loon”), een tot Amerika beperkt geslacht der buideldieren, door de

negers als kippendief zoozeer gehaat.

Welk dier de Surinaamsche neger op het oog heeft, als hij vertelt van

de slimme streken van „het konijn”, is moeilijk te zeggen. Is dit nog

dezelfde „cunnie [177] Rabbit”, waarover de inboorlingen van

West-Afrika zoo gaarne opsnijden, en waarmede, zooals reeds werd

opgemerkt [178], het dwergmuskusdier*, Hyomoschus aquaticus bedoeld

wordt, een dier, dat in Suriname niet voorkomt, of is hiervoor in de

plaats getreden de Agoeti*, door de Surinaamsche negers koni koni

genoemd?

Het is duidelijk, dat waar de negers zich vrij gemakkelijk naar hunne

nieuwe omgeving weten te schikken en er steeds behagen in scheppen,

over zaken en toestanden te redeneeren en philosopheeren, de

Europeesche invloed in hunne vertellingen zich meer en meer heeft doen

gevoelen. Deze invloed moet reeds uitgegaan zijn van de eerste

kolonisten, meer in het bijzonder van hunne kinderen, die de slaven ook

met hunne sprookjes bekend wilden maken; en later, toen de slavernij

werd afgeschaft en er een intiemere verhouding tusschen negers en

blanken ontstond, moet de Europeesche invloed in de negervertellingen

steeds meer op den voorgrond getreden zijn.

Zoo vindt de lezer in het reeds genoemde verhaal: „Uit het leven van

vriend Spin” zelfs de herinnering aan Napoleon [179] en aan den slag

bij Quatrebras in 1815 bewaard, en in No. 18, getiteld: „De Spin als

Amerikaan verkleed” vindt hij een uiting van den haat der negers tegen

Amerikanen, die in den laatsten tijd ten behoeve der goud-exploitatie

en andere ontginningen van delfstoffen herhaaldelijk de kolonie

bezoeken, terwijl wij in de vertelling No. 21, getiteld: „Heer Spin als

landbouwer” zelfs melding gemaakt vinden van het uitgeven van perceelen

tot uitbreiding van den kleinen landbouw, waarmede eerst geruimen tijd

na de opheffing der slavernij een aanvang is gemaakt.

Niet minder dan tien van onze verzameling Surinaamsche

negervertellingen eindigen met een moraal, waarmede de toehoorders hun

voordeel kunnen doen, zooals No. 14, getiteld: „Tijger’s verjaardag”,

No. 17, „Verhaal uit het leven van Vriend Spin”, No. 28, „Verhaal uit

het land van Ma Soemba” en No. 32, „De boa in de gedaante van een

schoonen jongeling” enz.

Een tweetal vertellingen, waarin anansi niet optreedt, (No. 26 en 27:

Legende van Leisah I en II) leeren, hoe de strepen in menschenhanden

zijn ontstaan.

De overigen geven een verklaring, hetzij van den lichaamsbouw der spin

(No. 19, Heer Spin en de waternimf en No. 18, Anansi als Amerikaan

verkleed), hetzij van hare leefwijze tusschen de reten van muren [180]

(zg. beslagruimten) en in allerlei verborgen schuilhoeken (o.a. No. 1,

getiteld: „Anansi, die een half dorp verovert”, No. 2, „Spin en de

prinses”, en No. 5, „Anansi en zijn kinderen”); vertellen van Anansi’s

formidabelen eetlust, waarvoor hij dikwijls gestraft wordt. (No. 7,

„Een feest bij de Waternimf”); stellen het voortdurend streven van Heer

Spin in het licht, om vijandschap onder de dieren te stichten, (No. 21,

„Heer Spin als landbouwer”), of moeten leeren, op welke wijze de spin

door allerlei streken overal, tot zelfs in vorstenwoningen gekomen is.

(No. 3, „Het Huwelijk van Heer Spin”). No. 15, getiteld: „Spin voert

den Dood in”, is hierom merkwaardig, omdat ook in verschillende

negervertellingen, die in West-Afrika zijn opgeteekend, de Dood als een

persoon voorkomt, evenals deze voorstelling voorkomt in „Brother

Annancy and Brother Death” van den door Jekyll (Je) op Jamaica

bijeengebrachten bundel.

Vreemd mag het schijnen, dat Anansi, die in de Negerfolk-lore voor

onsterfelijk doorgaat, in No. 22 „Anansi en de bliksem” met zijn

gansche familie vernietigd wordt.

Belangrijk zou het zijn, uit een veel grooter aantal vertellingen, dan

waarover tot nu toe beschikt kan worden, aanknoopingspunten te zoeken

met de vertellingen van de negers van West-Afrika. Hier mag de aandacht

gevestigd worden op de groote overeenkomst van No. 16, „Spin wedt

Tijger te berijden” met „Mr. Turtle makes a riding-horse of Mr.

Leopard” uit de verzameling van Miss Cronise; op de merkwaardige

overeenkomst van het „Verhaal uit het leven van Vriend Spin” (No. 17)

met „Spider, Elephan’ en Pawpawtamus” van denzelfden oorsprong (Zie

Bijvoegsel II „Avond op het water in Sierra Leone”), doch met dit

verschil, dat het nijlpaard in Suriname vervangen is door „de walvisch,

de grootste visch (?) van de Spaansche groene zee”; op „No. 4, Anansi,

Tijger en de doode Koe”, die een variant is op „Mr. Spider pulls a

supply of beef” in de verzameling van Miss Cronise en eindelijk op het

voorkomen ook in onze verzameling van een bekende verschijning in de

mondelinge litteratuur der negers, nl. de teerpop (No. 9, „Spin en de

Krekel”) die wij in de bekende Uncle Remus serie, in Noord Amerika

verzameld, als de „Tar Baby” aantreffen en in de verzameling uit Sierra

Leone van Miss Cronise als „the Wax Girl” weêrvinden. Ook de oorzaak

van den eigenaardigen lichaamsbouw der spin vinden wij in een der

vertellingen van den door Miss Cronise bijeengebrachten bundel vermeld,

nl. in de vertelling „Why Mr. Spider’s waist is small”, terwijl er ten

slotte nog de aandacht op gevestigd wordt, dat een aantal vertellingen

der Surinaamsche negers, evenals die van de negers der Goudkust en van

Sierra Leone, van een hongersnood verhalen, die onder de dieren was

uitgebroken. (Zie: „Spin, Olifant en Hippopotamus” in Bijvoegsel II).

Daar de neger in weinige landen zóó gemakkelijk aan den kost kan komen

als in Suriname en daar er dus wel nimmer voor hem van hongersnood

sprake zal zijn geweest, blijkt hier wederom eene herinnering aan

Afrika, waar tijden van groote voedselschaarschte herhaaldelijk

voorkomen, niet alleen door veelvuldige oorlogen (in vroegere tijden)

en vernieling door branden, doch ook door langdurige droogte en door

gemis aan de noodige zorg voor de toekomst bij den aanplant van een

voldoende hoeveelheid rijst.

Tot de categorie van vertellingen, die de groote liefhebberij van den

neger illustreeren, om onwelvoegelijkheden te vertellen (zie blz. 234),

behooren een tweetal, die ik in dezen herdruk van Nahar’s verzameling

heb weggelaten, doch voor welke ik uit de nieuwe reeks Anansi-tori’s,

door A. P. Penard onlangs in het licht gegeven, er een uit koos

(getiteld: „Ieder volwassen man moet een rood zitvlak hebben”, No. 32),

dat den kinderlijken aard van den neger, die in al zijne handelingen

tot uiting komt, leert kennen.

Ten slotte mag er nogmaals aan herinnerd worden, dat evenals in

West-Afrika, in Suriname langen tijd professioneele

anansitori-vertellers hebben bestaan, die meer bepaaldelijk de

sterfhuizen afliepen, om na de begrafenis den achterblijven den

afleiding te bezorgen. [181] In den onlangs verschenen bundel

Surinaamsche Anansitori’s, verzameld door A. P. Penard (P. c.) herdenkt

de schrijver twee beroemde Surinaamsche sprookjesvertellers, beiden

echte déde-hóso arátta (sterfhuisratten, zie blz. 248). De eerste was

Abraham Negentien, aldus genoemd, omdat hij een grooten teen miste; de

tweede was Swieti-ba-Wieliblo-a-faja-kiri so-woep (d.i.

Zoete-broer-Willy, blaas het licht uit, zoo: woep!) Beiden waren groote

humoristen, wier komisch voordragen hunne landgenooten zich nog

herinneren zullen.

De litteratuur van een volk mag de beste uiting van diens zieleleven

worden genoemd en daar de mondelinge litteratuur van den Surinaamschen

neger nog weinig bekend is, en bij eene beoordeeling van de zwarte

bevolking onzer kolonie de slechte eigenschappen doorgaans breed worden

uitgemeten en van de vele goede karaktereigenschappen dikwijls gezwegen

wordt [182], heb ik gemeend een goed werk te doen, om in de laatste

mijner bijdragen tot de kennis van Suriname, die een uitvloeisel zijn

van mijn reis in 1900, de aandacht te vestigen op de belangrijke

neger-folklore, die evenals zoo veel oorspronkelijks bij de

natuurvolken, bezig is te verdwijnen.

Mythen en sagen uit West-Indië · 第 65 / 174 题