DE SURINAAMSCHE ANANSI-TORI’S EN HARE OORSPRONG.

De vertellingen der Surinaamsche negers zijn bijna uitsluitend

dierenfabels of sprookjes, waarin aan de verschillende dieren

menschelijke hoedanigheden, zoowel lichamelijke als geestelijke, worden

toegeschreven. Evenals in de Indianenverhalen kunnen de dieren

willekeurig van dier in mensch of omgekeerd veranderen. Het aantal

vertellingen, waarin de spin, anansi, als held optreedt, is verreweg in

de meerderheid. De spin is bij den Surinaamschen neger de nationale

held, en tevens de personificatie van het negerras. Aan de spin nl.

worden de eigenschappen toegeschreven, die ook bij den neger het meest

op den voorgrond treden of die hij zoo gaarne zou willen bezitten.

De spin is buitengewoon listig, lijdt aan slapeloosheid, heeft een

taaiheid, die aan onsterfelijkheid grenst, bezit een formidabelen

eetlust en een bewonderenswaardig talent, om zich van het noodige

voedsel te voorzien. De spin toont door het spinnen van haar kunstig

web, dat zij buitengewoon knap is en „heeft de draad van haar

persoonlijkheid met het nationale leven als het ware samengeweven.” De

spin houdt er van lui te zijn, weigert de lichtste last te dragen, als

het in haar kraam te pas komt, maar kan ook, als er iets te eten valt,

met het grootste gemak het lichaam van een dooden olifant optillen.

Om anansi heen groepeeren zich talrijke andere dieren, die voor het

meerendeel tot de inheemsche fauna van Guyana behooren en na de

overbrenging der vertellingen door de negerslaven gaandeweg voor

Afrikaansche dieren in de plaats zijn getreden, terwijl er ook nog nu

en dan dieren in voorkomen, die in de herinnering hunner afstammelingen

aan het oude vaderland zijn blijven voortleven, zooals bijv. de

Olifant, die in Amerika niet voorkomt, en toch in de Surinaamsche

negervertellingen enkele malen optreedt.

Iedere diersoort wordt in de verschillende dierenfabels steeds met

dezelfde eigenschappen uitgebeeld, zoowel lichamelijke als geestelijke

en in hunne karakterschetsen der dieren toonen ook de negers

uitmuntende natuurwaarnemers te zijn.

In het algemeen kan gezegd worden, dat de neger er, evenals andere

natuurvolken, van houdt, in het licht te stellen, dat de zwakke en

hulpelooze schepselen geschapen zijn, om over de sterkere te

zegevieren—niet door kracht, maar door knapheid en listigheid. De neger

acht deze eigenschappen hooger dan brute kracht. Kleine en nietige

dieren winnen het in zijn eenvoudige vertellingen steeds van de groote

en sterke, en dat hij dit motief zoo gaarne in zijne mondelinge

overleveringen behandelt, mag hieraan worden toegeschreven, dat het

Zwarte Ras, dat steeds onderdrukt is geweest, dat zoo lang als

minderwaardig tegenover het blanke werd beschouwd, en in de

Afrikaansche wildernis tegen zoovele wilde en gevaarlijke dieren heeft

moeten strijden, geleerd heeft, dat kundigheden en list eigenschappen

zijn, waarmede hij het in zijn strijd tegen zijn medemensch en tegen de

omringende dierenwereld het verst kan brengen.

Dat de neger licht geneigd is, in dit opzicht sterk te overdrijven, dat

er een tikje verdorvenheid in zijne streken schuilt, en dat hij

geveinsdheid als een schoone eigenschap heeft leeren kennen en

listigheid als een onschatbaar middel in zijn strijd tegenover de

dieren en tegen de hebzucht van zijn blanke overheerschers heeft leeren

waardeeren, is zeker niet te verwonderen.

Het was zeker geen gemakkelijke taak, die M. H. Nahar op zich had

genomen, om het noodige materiaal voor de kennis van de Surinaamsche

neger-folklore bijeen te brengen. Terwijl het reeds zeer moeielijk is,

om uit den vloed van woorden, nu eens zacht gefluisterd, dan weêr met

kracht uitgestooten, overal den zin goed te begrijpen, het vereischt

bovendien een ongewoon taalgevoel, om in een Nederlandsche vertaling

den eigenaardigen verhaaltrant der negers behoorlijk weêr te geven

[130].

In dit opzicht hebben de door Nahar mij toegezonden vertellingen mij

wel wat teleurgesteld, want na de allernoodzakelijkste verbeteringen

verkreeg ik een tekst, die niet juist de wijze weêrgeeft, waarop de

neger zich pleegt uit te drukken, als hij aan het vertellen is. De

korte zinnen, het gebruik van den tegenwoordigen tijd, het weglaten van

het lidwoord vóór de dierennamen, ziedaar enkele eigenaardigheden, die

mij in de Surinaamsche oerwouden reeds waren opgevallen, als een neger,

omringd door aandachtige toehoorders, bij het flikkerende vuurtje aan

het vertellen was, en die ik later terugvond bij den nog te bespreken

bundel vertellingen, verzameld door Florence Cronise bij de negers van

Sierra Leone en ook in de belangwekkende verzameling, door Walter

Jekyll bij de negerbevolking van het West-Indische eiland Jamaica

bijeengebracht.

Beter in dit opzicht is het verhaal uit de geschiedenis van Vriend

Spin, dat de Heer A. G. Fernandes te Paramaribo mij verschafte, en

waarop ik later nog de bijzondere aandacht moet vestigen.

Waar het allerminst mijne bedoeling is, door deze opmerking op den

arbeid van Nahar kritiek uit te oefenen, meende ik haar den lezer toch

niet te mogen onthouden, opdat hij wete, welke waarde uit een zuiver

folkloristisch oogpunt aan Nahar’s bundel mag worden toegekend. Deze

woorden gelden natuurlijk niet voor het meerendeel der lezers van dezen

bundel, wien het meer om den inhoud, dan op den juisten vorm van de

vertelling te doen is.

De woorden van vreemde afkomst, zooals repeteeren, diagnoseeren enz.

heb ik in Nahar’s tekst niet door Nederlandsche woorden vervangen,

omdat het met voorliefde gebruiken van deftige woorden mij onder de

gesprekken met den Surinaamschen Neger als een eigenaardigheid was

opgevallen.

Nahar had bij het verzamelen van negervertellingen nog met een andere

moeilijkheid te kampen, waarop hij niet gerekend had, nl. met het bij

den Neger ingewortelde bijgeloof, waardoor hij telkens teleurgesteld

werd, wanneer hij wilde trachten, op Zondag, den voor hem geschiktsten

dag, nieuwe vertellingen machtig te worden.

Het innerlijke leven van den Neger wordt, evenals dat van den Indiaan,

zoozeer beïnvloed door zijn bijgeloof, dat om het goed te kunnen

begrijpen, eene kennis van het uitgebreide netwerk van

bijgeloovigheden, waarvan hij zich steeds omringd gevoelt, zoo niet

noodzakelijk, dan toch zeer nuttig zou zijn. Het is daarom, dat ik aan

den bundel Surinaamsche Anansi-tori’s laat voorafgaan een door M. H.

Nahar mij toegezonden opstel, getiteld: „De Anansi-tori en het

Bijgeloof”. De lezers, die meer over dit onderwerp willen vernemen,

verwijs ik naar het opstel van de Gebroeders Penard, (P. b.).

Vooral van oude negerinnen, van wie Nahar kon verwachten, de meest

oorspronkelijke vertellingen te zullen hooren, kreeg hij steeds een

weigering, op Zondag aan het vertellen te gaan, want „kerki teki habra

wi kisi dopoe [131] en mi wan kerki soema moe taki anansitori?” [132],

waren de antwoorden, die een oude negerin, eertijds slavin op de

plantage Brouwerslust (Brouroe) en nu lidmaat van de Moravische

broedergemeente, Nahar gaf, terwijl zij hem met argusoogen aanzag, diep

ademhaalde en de tong tegen haar verhemelte sloeg.

De volharding, waarmede Nahar zich van zijn taak gekweten heeft [133],

mag daarom op hoogen prijs worden gesteld, omdat zijne verzameling

negervertellingen den grondslag vormt, waarop anderen zullen kunnen

voortbouwen [134].

Met nadruk mag hier zeker wel gewezen worden op den steeds toenemenden

Europeeschen invloed, die ook de neger-folklore van Suriname bezig is

te ondergaan, en die reeds zóó groot is, dat het zeer moeielijk is,

onder de jongeren van het zwarte deel van Suriname’s bevolking

oorspronkelijke anansi-tori’s machtig te worden. Terecht drukt Nahar

dan ook in een zijner minder voor publicatie geschikte aanteekeningen

over het bijgeloof zijne teleurstelling er over uit, dat de voormalige

slavin op Brouwerslust er niet toe te brengen was, anansi-tori’s te

vertellen, „daar stellig zeer typische voor den dag zouden zijn

gekomen”.

Alvorens nu op de verschillende vertellingen een korte toelichting te

geven, in den zelfden geest, als ik bij de mondelinge overleveringen

der Indianen heb getracht te doen, zal het nuttig zijn, enkele regels

te wijden aan de vermoedelijke herkomst der Surinaamsche

negervertellingen, waarbij de Geschiedenis van den Surinaamschen Neger

ons zal moeten leiden.

In Suriname, met zijne uit zooveel verschillende elementen

samengestelde bevolking, hebben alleen de Negers hunne spinverhalen of

anansi-tori’s, waaruit blijkt, dat deze vertellingen van Afrikaanschen

oorsprong zijn. Iedereen weet dit ook in de kolonie. Werd niet de

gouddelver, die zoo bang was op Zondag anansi-tori’s te vertellen of

aan te hooren [135] door den tolk Nahar dadelijk gerustgesteld met de

woorden: „anansi-tori’s zijn immers slechts sprookjes, die door de

Afrikanen en hunne kinderen vervaardigd zijn en die hier al sedert 2 à

300 jaar bestaan”.

Onze nasporingen betreffende den oorsprong dezer vertellingen zullen

wij dus in de eerste plaats daarheen moeten richten, vanwaar indertijd

de negerslaven zijn weggehaald.

Terwijl door meerdere schrijvers de Goudkust en aangrenzende

kuststreken, de Congo en ook wel Soedan als de streken van herkomst

worden vermeld, schijnt het toch wel vast te staan, dat verreweg het

grootste deel der slaven van de Goudkust afkomstig is, waarheen de

Hollanders reeds in 1595 hun eerste handelsreis maakten, en wel meer in

het bijzonder van St. George del Mina, dat, evenals Brazilië, door den

dapperen Maurits van Nassau voor Nederland veroverd werd en dat van

1637 tot 1872 een Nederlandsche kolonie was [136].

Behalve St. George del Mina bouwden de Hollanders aan de Goudkust nog

16 andere forten en deze bezitting met het aangrenzende achterland kon

ruimschoots voorzien in de behoeften aan negerslaven, toen de

Hollanders ook in Guyana nederzettingen gingen vormen, in Essequibo in

1616, in Berbice in 1624 en in Suriname, dat Engeland bij den vrede van

Breda in 1667 aan Nederland afstond, welk bezit aan het einde van den

derden Engelschen oorlog, bij den vrede van Westminster in 1674, ten

volle bevestigd werd.

Het was vooral in de belangrijke periode van 1660–1840, ook wel het

suikertijdperk genoemd [137], dat de Hollanders zich voor hunne

ondernemingen in Guyana aan de Goudkust van de noodige slaven voorzagen

en dit aantal zal zeker niet gering geweest zijn, vooral in het

tijdperk, waarin ook Engelsch Guyana eene Nederlandsche bezitting was.

Waarom nu zouden de Hollandsche kolonisten elders in Afrika gezocht

hebben, wat in hun eigen kolonie ruimschoots te krijgen was?

Naar het Hollandsche fort Kormantijn of Koromanti, nabij het fort

Elmina, werden deze kustslaven Koromantijnen genoemd, of ook wel eens

met den naam Koffies aangeduid, naar den algemeen bij de Ashantijnen

voorkomenden naam Kofi (zie blz. 213). Want deze Koromantijnen waren de

aan de Goudkust wonende Fantijnen en de aan deze vijandig gezinde

Ashantijnen van het achterland—stammen, die in hunne lichamelijke

eigenschappen en in hunne gebruiken de stamverwantschap met den

Surinaamschen neger nog duidelijk verraden.

Doch ook van uit de Engelsche slavendepôts moeten meermalen negerslaven

in Suriname zijn ingevoerd, vooral toen vele Engelsche kolonisten zich

sedert de komst van Parham in 1652 in Suriname kwamen vestigen, om zich

op de winstgevende suikerrietcultuur toe te leggen, niet het minst in

het tijdperk tusschen de jaren 1799 en 1802 en de jaren 1804 en 1816,

toen Suriname in Engelsche handen was.

Vóór het midden der 17e eeuw kochten de Engelsche kolonisten echter

meestal slaven van de Hollanders, totdat ook zij in staat waren,

blijvende slavendepôts in West-Afrika te vestigen. Zoo richtten zij

depôts op in 1618 en 1664 aan de Gambia-rivier en in 1618, 1626, 1668

aan de Goudkust. Ook met Sierra Leone, West-Liberia en het achterland

en met de landen aan den Boven-Niger ontwikkelde zich een levendige

slavenhandel, die in het laatst der 14e eeuw in verband met de hooge

vlucht, die de suikerriet-cultuur had genomen, het toppunt bereikte.

Ook de Joden, die—gelijk bekend van Portugeeschen afkomst—een

belangrijke rol hebben gespeeld in de kolonisatie van Suriname, hebben

zeer belangrijk bijgedragen tot den invoer van negerslaven uit de

laatstgenoemde streken, want tot aan de afschaffing der slavernij

hadden zij vertegenwoordigers aan de Gambia-rivier, in Sierra Leone en

elders aan de West-Afrikaansche kust en vormden zij als het ware de

tusschenpersonen in den slavenhandel.

Wanneer dus, zooals uit dit onvolledig overzicht mag gebleken zijn,

verreweg het grootste deel der tegenwoordige negerbevolking van

Suriname mag teruggevoerd worden tot de verschillende negerstammen van

de Goudkust en het achterland, van Sierra Leone, van West-Liberia met

het achterland, van de landen aan den Boven-Niger en van het

stroomgebied der Gambia-rivier, dan dringt van zelf de vraag aan ons

op, of, hetgeen verwacht mag worden, deze afkomst nog in de taal, in de

godsdienstige gebruiken en in de folk-lore der Surinaamsche

negerbevolking sporen heeft achtergelaten.

Hoewel deze bundel uitsluitend gewijd is aan de folk-lore, mag toch op

enkele merkwaardige overeenkomsten worden gewezen, die de eerstgenoemde

uitingen van het geestelijk leven betreffen.

De Neger-Engelsche taal, door de Surinaamsche negers gesproken, is een

merkwaardig samenvoegsel van uit verschillende talen afkomstige

woorden. De slaven, die op de eerste vestigingsplaatsen met de Blanken,

nl. met Engelschen, nl. in het deel der kolonie, waar later Paramaribo

ontstond, en met Portugeesche Joden aan de Boven-Suriname-rivier

(Jodensavanne) in aanraking waren, trachtten de taal hunner meesters te

spreken en aldus ontstonden twee verschillende dialecten: het eene, het

Neger-Engelsch, het tweede het Neger-Portugeesch, die beide rijk waren

aan Afrikaansche woorden en uitdrukkingen, terwijl in het eene het

Engelsch, in het andere het Portugeesch overheerschte. Later loste zich

het laatste in het eerste op, toen de Joden naar de Hoofdstad gingen

verhuizen, maar het Neger-Portugeesch bleef toch een bijzonderen

stempel drukken op de taal der negers, waartoe o.a. behoort de neiging,

om evenals bij aanverwante Zuid-Europeesche talen, de woorden te doen

eindigen met een klinker, waardoor het Neger-Engelsch een zekere

zoetvloeiendheid eigen is, die het, evenals het Italiaansch, zoo

uitermate voor den zang geschikt maakt.

Nadat Suriname voorgoed een Nederlandsche kolonie geworden was, en

vooral ook, nadat ongeveer 46 jaar geleden het Nederlandsch de

algemeene voertaal van het Onderwijs was geworden, is de invloed van de

Nederlandsche taal op de Negertaal in onze kolonie steeds toegenomen,

zoodat men deze tegenwoordig beter Neger-Hollandsch, dan Neger-Engelsch

zou kunnen noemen.

Onder de woorden nu van Afrikaanschen oorsprong in de Neger-Engelsche

taal—want men is de negertaal in Suriname nog altijd zoo blijven

noemen—zijn er, die afgeleid moeten worden van de Tshi-taal, gesproken

door de negerstammen aan de Goudkust (meer in het bijzonder de

Ashantijnen en de Fantijnen). Spin is in de Tshi-taal anansi* [138].

Duidelijker is deze verwantschap gebleken uit eene studie van het

West-Indische eiland Jamaica, dat het meerendeel der slaven eveneens

van de Goudkust heeft gekregen (zie later). Hier heet de spin unnahncy

waarbij de klemtoon op de middelste lettergreep valt. (Je).

Op ondubbelzinnige wijze wordt de afkomst van ten minste een groot deel

der Surinaamsche negerslaven uit de Negers der Goudkust (Ashantijnen en

Fantijnen en andere de Tsji-taal sprekende stammen) aangetoond door de

namen, die in den slaventijd en ook nog lang daarna, aan de

negerkinderen werden gegeven.

Nahar, die veel onder negers verkeerd heeft, en er gekend heeft, die

den slaventijd hebben meêgemaakt, schrijft mij: „Vroeger gaven de

negers hunnen kinderen den naam van den dag hunner geboorte, voor

jongens en meisjes verschillend”.

Zoo heette een kind geboren op:

Jongen: Meisje:

Zondag Kwasi Kwasiba

Maandag Kodjo Adjoeba

Dinsdag Kwamina Abeni (Abeniba)

Woensdag Kwakoe Akoeba

Donderdag Jaoe of Jau Jaba

Vrijdag Kovi of Kofi Afi of Affiba

Zaterdag Kwami Amba (Amimba)

Dezelfde gewoonte bestaat volgens A. B. Ellis (El.) bij de Ashantijnen,

Fantijnen en andere, de Tshi-taal sprekende stammen en de afleiding van

de namen der Surinaamsche negerslaven van de bij de laatstgenoemde

stammen gebruikelijke namen zal voor ieder, die het onderstaand, aan

Ellis ontleende lijstje met de opgaven van Nahar vergelijkt,

ontwijfelbaar vaststaan: [139]

Jongen: Meisje:

Zondag Kwasi Akosua, Akwasibah, Aysi

Maandag Kwadjo Adua

Dinsdag Kobina, Kwabina Abbena, Arabak

Woensdag Kwaku Ekua

Donderdag Know, Yow, Akkor Abbak, Yabbah, Yawah

Vrijdag Kwoffi Effua, Yah

Zaterdag Kwami, Kwamina Amma, Ameminiwah

Ook met betrekking tot de godsdienstige begrippen en de gewoonten en

gebruiken zou het niet moeilijk vallen, door nauwkeurige vergelijking

in menig opzicht groote verwantschap te vinden tusschen de Surinaamsche

negers (meer in het bijzonder de Boschnegers, die nog in volmaakt

heidendom leven en buiten de aanraking met de blanken weinig of niet

veranderd zijn) [140] en de negers der Goudkust.

Beide gelooven aan een Hoofdgod (Grangado of Groote God der

Boschnegers). Deze godheid is echter te groot en te verheven, om zich

met de aardsche stervelingen in te laten. De tusschengeesten of

ondergodheden zijn daar, om zich met het lot der menschen te bemoeien

en hen goed of kwaad te doen, naarmate deze Geesten goed of kwaad

gezind zijn.

Bij de Goudkust-negers, die de Tshi-taal spreken, heet de Opperste God

Bodowissi, in de zuidelijke deelen later vervangen door een nog

hoogeren God, die Nyankupon genoemd wordt (Ba. bl. 23), en bij de

Ashantijnen Tando heet. Evenals bij de Indianen mogen aan deze Godheden

niet de beteekenis worden toegeschreven, die de Christelijke leer aan

God hecht, want de Opperste Godheden der genoemde primitieve

negerstammen zijn stoffelijke, tastbare wezens, die de gedaante en

eigenschappen van menschen hebben. Bodowissi wordt bijv. door personen

aangeroepen, die een langen tocht ondernemen, als: „Nana Bodowissi, jeh

hyen miankor jeh hyen miombah yi”, d.i. „Grootvader Bodowissi, laat ons

veilig terug keeren”.

Volgens de opvatting van de Goudkustnegers en der Surinaamsche

Boschnegers dwalen eene menigte booze geesten rond, om allerlei

onheilen te stichten. Bijna alle kwade geesten hebben, volgens hun

geloof, ook meer bepaalde verblijfplaatsen, doorgaans dieren en

planten.

De Boschnegers van Suriname vereeren den Zijdekatoenboom of de

Kankantrie*, terwijl het aan de Goudkust verschillende op dezen

woudreus gelijkende boomsoorten zijn, die in het leven der negers een

evengroote rol spelen, doch er botanisch niet mede verwant zijn. Alles

wordt gedaan, om de kwade geesten, die in den boom verblijf houden en

als de oorzaak van allerlei ziekten worden beschouwd, door het brengen

van offers gunstig te stemmen, die in Ashanti oorspronkelijk uit

menschen, later uit dieren bestonden en die zich later, evenals nu nog

bij de Boschnegers, gingen bepalen tot allerlei aftreksels van kruiden,

dranken, spijzen enz. (C. e.)

Het geloof aan een Geest, die den mensch zelven bemachtigt, hem als het

ware bezielt, treffen wij, zoowel bij de negers der Goudkust als bij de

Surinaamsche negers aan. Deze Geest heet bij de eersten kra, bij de

laatsten kra of akrá. Hij mag niet verward worden met hetgeen wij de

ziel noemen, want de kra is slechts een geest, die over den mensch

waakt, zoolang hij leeft, die zijne handelingen beheerscht en wiens

verband met het lichaam bij den dood ophoudt.

Volgens de Penards (P. b.) kan de mensch zijn kra, die zij levensgeest

van den mensch noemen, naar willekeur van zich scheiden en weêr

oproepen, en kan ook een vreemde, die er verstand van heeft, de kra van

een verwijderd persoon oproepen, ten einde hem om raad te vragen.

Iemand, die van zijn kra beroofd is, spreekt wartaal, wordt lusteloos

of ziek en sterft dikwijls.

De Tshi-taal sprekende negers der Goudkust kennen aan ieder

natuurprodukt eene kra toe en de redeneeringen, die hen, volgens Ellis,

tot dit geloof hebben geleid, komen uit een logischen gedachtengang

voort. Iemand valt op zekeren dag in de rivier, zegt deze schrijver

(El. a) van de negers, die de Tshi-taal spreken. Hij verdrinkt; het

lichaam wordt uit het water gehaald en blijkt geen teekenen van geweld

te vertoonen, die den dood hadden kunnen veroorzaken. Welke was dan de

oorzaak van den dood? vraagt de neger [141]. Water alleen doet geen

kwaad; hij drinkt het immers dagelijks; hij wascht zich er mede en

gebruikt het voor een menigte doeleinden. Hij trekt dus het besluit,

dat het water den dood van den man niet kan hebben veroorzaakt; en daar

hij een geestelijk wezen bij de hand heeft, waaraan hij het ongeluk

toeschrijft, neemt hij aan, dat de kra van de rivier, m.a.w. de in de

rivier huizende geest den man heeft gedood. Dit maakt hem bang, want

als de man, die in het water is gevallen, door den riviergeest gedood

is kunnen worden, waarom ook niet een ander—waarom niet hij zelf

misschien?

Hij tracht daarom op alle mogelijke manieren dien machtigen geest

zachter te stemmen: hij gaat hem vereeren enz.

Door de negerstammen van de slavenkust (El. a), het deel van de

West-kust van Afrika, dat zich ten Oosten van de Goudkust uitstrekt,

worden krokodillen d.w.z. bepaalde soorten daarom vereerd, omdat zij de

verblijfplaats zijn van een Geest, ook door hen kra genoemd, die bij

gebrek aan een menschelijke woning, bij den dood van een persoon in het

lichaam van een krokodil zijn verblijf heeft opgeslagen. Zulke Kra’s,

die van den mensch in lagere diersoorten zijn overgegaan en dus

achteruitgegaan zijn, worden algemeen als kwaadgezind beschouwd. Deze

achteruitgegane geesten zoeken bij voorkeur dieren tot verblijfplaats

op, die op menschen loeren. De bedoelde negers gelooven dan ook, dat

iedere krokodil, die een mensch doodt, handelt door een kwaadgezinden

geest, die in hem woont—op dezelfde wijze dus, als waarop de

Surinaamsche neger, zooals werd opgemerkt, dikwijls zijn eigen

handelingen verklaart.

Zeer merkwaardig is in dit verband de zang op het water, door den

hoofdman in een kano aangeheven, met de bedoeling, de kra van den

krokodil te vleien. De zang vangt aan met een koor, door alle

bootslieden gezongen:

Koor: Jalodeh [142], goede Geest! Leid ons, bescherm ons tegen

kwaad.

Solo: Gij zijt groot; gij zijt sterk! O, Jalodeh. Wanneer Ge het

verkoos, zoudt Gij in macht met Shango [143] kunnen wedijveren.

Maar Gij beschouwt het als onwaardig, om wreed en bloeddorstig te

zijn, en Gij geeft er liever de voorkeur aan, U zelf beroemd te

maken, door ons de weldaden van Uw vrijgeleide te laten genieten.

Wij vertrouwen op U, O, Jalodeh! Wees onzer genadig!

Koor: Jalodeh, goede Geest; geleid ons, bescherm ons tegen het

kwade.

Solo: Gij zijt zóó sterk, dat het volk U evenzeer vreest als het U

bemint. Maar Gij, wat hebt Gij te vreezen? De speer kan Uw huid

niet doorboren; de geweerkogel ketst op U af en is verloren.

Niemand kan iets tegen U doen. Niets kan U weêrstaan. Hij, dien Gij

beschermt, heeft geen waakzaamheid noodig; hij slaapt, wanneer Uw

oog op hem rust.

Wij vertrouwen op U, O, Jalodeh! Wees onzer genadig!

Koor: Jalodeh, goede Geest; geleid ons, bescherm ons tegen kwaad.

Solo: Zie, in deze kano komen reizigers uit het land der Blanken.

Laat er geen kwaad met hen gebeuren in uwe wateren, anders zoudt

Gij even boosaardig zijn als Legba [144]. Wanneer zij mochten komen

te sterven, zou het volk kunnen gelooven, dat wij ons niet

voldoende tegenover U hadden in acht genomen en geprezen. Toon den

Blanken, dat Gij menschen beschermt. Geleid ons zonder ongevallen

verder.

Koor: Jalodeh, goede Geest! Geleid ons, bescherm ons tegen

ongelukken.

Solo: Ik herinner mij nog, dat ik nog een kind was, toen mijn

moeder mij naar Uwe wateren heenbracht, en mij in het water

onderdompelde. Ik wist nog niet, dat er eenig gevaar voor mij was.

Gij waart vlak bij mij, en mijn moeder was zeer bang. Maar Gij hebt

mijn kleine leden geliefkoosd en hebt gezorgd, dat ik naar een

veilige plaats kon gaan.

Jalodeh, o, beste aller goden, geleid ons. Ik zal U altijd eeren,

en zoo mogelijk steeds meer.

Koor: Jalodeh! O, beste aller goden, geleid ons. Altijd zullen we U

eeren, ja altijd meer!....

Een overblijfsel van de vereering van de geesten der

natuurvoortbrengselen, van natuuraanbidding, heb ik op onzen tocht door

Suriname’s wildernissen (C. b.) bij onzen kok aangetroffen, wiens vader

slaaf was geweest. Vooral, als wij diep in het oerwoud gekampeerd

lagen, werd hij overmeesterd door de machtige grootheid der natuur.

„Weet u wel”, zoo zei hij mij eens, „dat alles in de natuur een Geest

heeft, zijn God, tot zelfs de steenen in de rivier, die zoo dikwijls

boot-ongelukken veroorzaken? Laten we zorgen, dat de Geesten ons

gunstig gezind zijn”.

Ook bij de Surinaamsche negers treft men nog sporen van het geloof aan

een in den mensch verblijf houdende kra of akrá aan. Wanneer een neger

nl. iets verkeerds heeft gedaan, waarvoor hij zich niet verdedigen kan,

verontschuldigt hij zich dikwijls met: „A no mi, na mi akra”. [145]

Dat, na een zóó langdurige inwerking van vreemde invloeden, bij de

negerbevolking van Suriname nog zooveel oorspronkelijks is

overgebleven, en dat bij een intiemeren omgang met dit deel der

Surinaamsche bevolking steeds meer oude herinneringen aan Afrika en den

slaventijd te ontdekken vallen, mag ons zeker niet verwonderen, als wij

aan de ruwe, dikwijls onmenschelijke behandeling denken, waaraan de

negerslaven herhaaldelijk van de zijde der kolonisten hebben

blootgestaan (Joh. blz. 113) [146] en waardoor een vurig verlangen naar

en herinneringen aan het land, waarvan zij eertijds zoo wreedelijk

waren ontrukt, bij het volk als een heiligen schat bewaard bleef.

Nog geen twee weken was ik in de kolonie, toen een negerinnetje, een

onzer dienstboden gedurende ons verblijf te Paramaribo, mijn aandacht

vroeg voor het land waaruit haar grootvader eertijds als slaaf was

weggevoerd, want toen haar gevraagd werd, voor onze phonographische

opnamen een typische negerliedje te willen zingen, hief zij met

sympathieken stem, het later door mij meermalen gehoorde, „mooi Afrika

mi lobi di”. [147]

De afkeer, die zoovelen onzer rasgenooten, helaas! ook nog in onze

dagen, jegens al wat neger is aan den dag leggen, waardoor zij het

veelal beneden hunne waardigheid achten, tot zijn innerlijk leven af te

dalen, heeft er ongetwijfeld veel toe bijgedragen, dat de Surinaamsche

neger in zijn denkwijze, zijn gewoonten en gebruiken betrekkelijk nog

zoo weinig veranderd is, en het is zeker te betreuren, dat nog niemand

van zijn verblijf in de kolonie gebruik heeft gemaakt, om die

herinneringen aan Afrika en den slaventijd op te sporen en te boek te

stellen.

Het is ook weêr aan M. H. Nahar te danken, dat ik te dezer plaatse

enkele dier oude herinneringen kan vermelden.

In een zijner mij toegezonden opstellen wordt de voorstelling verhaald,

die nog bij oude negers en ook bij de Boschnegers aangaande den

heiligen Kankantrie*, den Boesi-granman of Boesi-mama [148] wordt

aangetroffen.

De Boesi-mama is onder de beheerschers der bosschen de meest bekende.

Zij komt overeen met een mensch, alleen met dit verschil, dat hare

voeten van achteren zitten en dat zij een vreemd hoofd met lang haar

draagt. Zij kent alle geneeskrachtige kruiden, doch voor den mensch

schijnt zij er weinig gebruik van te maken, want met de menschen, die

in hare nabijheid komen, vangt zij den strijd aan, waarin zij bijna

altijd overwint. Vandaar dat hij, die in het bosch verdwaalt, er nimmer

meer uitkomt. Door Indiaansche priesters (Piai Ingies) en door droomen

is men er achter gekomen, dat het de Boesimama is, die de menschen

wegvoert.

Wanneer een man in den strijd met de Boesimama overwint, hetgeen maar

zelden voorkomt, wordt hij haar minnaar en door haar onderwezen in alle

mogelijke kunsten, die de wetenschappen ver te boven gaan.

Haar bestaan schijnt niet meer te zijn van dezen tijd, zoo eindigen

Nahar’s mededeelingen, daar er heel weinig meer over haar gesproken

wordt.

Dit bijgeloof moet uit de Goudkust zijn overgebracht, waar in alle

districten twee godheden of Geesten bekend zijn, die in, onder of te

midden van den Zijdekatoenboom huizen en den naam hebben gekregen van

Srahmantin (Srahman = geest, tin = afkorting van tsintsin = slank,

hoog) en Sasabonsum (abonsum = kwaadaardigheid, betoovering). De eerste

leeft er te midden van den hoogen Zijdekatoenboom, wiens enorme stammen

ver boven de omringende boomen van het bosch uitsteken; de tweede wordt

nu eens te midden, dan weêr onder den Zijdekatoenboom aangetroffen, nl.

daar, waar de aarde een roode kleur heeft. Hij is de vriend van

toovenaars en heksen. Hij is een monsterlijk wezen in menschengedaante,

met lang haar en een roode huidskleur. Hij heeft een voorliefde voor

menschenvleesch en belaagt en verslindt eenzame voorbijtrekkers. Men

gelooft, dat de roode kleur van de aarde van het bloed der

slachtoffers, die hij doodt, afkomstig is.

Srahmantin is een vrouwelijke Geest, eveneens van monsterlijke

gedaante, met lang haar en lange hangende borsten. Zij wordt alleen in

of te midden van de Zijdekatoenboomen aangetroffen. Zij grijpt eveneens

eenzame voorbijtrekkers aan, doch zij verslindt hen nimmer. Zij houdt

hen 4 of 5 maanden bij zich, en doet hen naar de dorpen gaan, waar zij

hare priesters of priesteressen worden, die door haar zijn ingelicht

omtrent alle geheimen, haar betreffende.

De meeningen omtrent deze Geesten loopen bij de verschillende stammen

nog al uiteen. De plaatselijke Srahmantin van een verwijderd dorp werd

gezegd twaalf hoofden te hebben. (El.)

Vooral de laatste mededeeling is van gewicht in verband met hetgeen

zooeven gezegd is omtrent den oorsprong van het bijgeloof, dat bij oude

Surinaamsche negers nog heerscht ten opzichte van den Kankantrie, en

dat vermoedelijk is voortgekomen uit de voorstelling, die de

Goudkust-negers zich van Srahmantin maken.

Dat de slaven ook het eigenaardig bootgezang, als begeleiding hunner

gelijkmatige roeibewegingen, uit Afrika naar Suriname, met zijne

talrijke rivieren, zouden overbrengen, sprak van zelf.

Werd niet meermalen de poëzie beschreven, die een tocht op een der

Afrikaansche stroomen den reiziger schenkt (zie: Bijvoegsel II),

wanneer de negerroeiers hunne eentonige roeiliederen over het water

laten klinken, en brengen zulke beschrijvingen niet levendig een

boottocht op een der Surinaamsche rivieren voor den geest, als de

zwarte roeiers hun rank vaartuig aan den voet van het machtige oerwoud

zachtkens voortbewegen en zij hunne eindelooze roeiliederen met

trillende stem uitgalmen?

Ruimschoots heb ik op den tocht door Suriname’s wildernissen

gelegenheid gehad, de poëzie van dit boto siengi der negers te leeren

waardeeren, wanneer zij, niet afgeleid door hindernissen in het

stroombed, als steengevaarten, watervallen en stroomversnellingen,

hunne stemmen den vrijen loop lieten en zij hunne korte melodieën, doch

tallooze malen herhaald, in de stilte van den vroegen morgen over water

lieten klinken.

Daar deze negerzangen, ter begeleiding der eentonige roeibewegingen, in

Suriname aan een tocht op het water even onafscheidelijk verbonden zijn

geworden, als zij zulks oorspronkelijk aan een reis op een der

Afrikaansche stroomen waren (zie: het bijvoegsel: „Avond op het water

in Sierra Leone”), zullen enkele staaltjes, die, ook ter

karakteriseering van het negergemoed, belangstelling verdienen, hier

ter plaatse evenmin mogen ontbreken, als in het verhaal, dat ik aan den

tocht gewijd heb. (C.b.)

De lezer oordeele:

No. 1.

[Muzieknotatie]

No. 2. Social dansa.

[Muzieknotatie]

A - lex - - - an - der, A - lex - an - der come and

see . . . . . . . . The watsch-man thief my gol-den

ring. Coo - - lie - - man a, hal - la! Chi - ne-

man a, hal - la! for the ring . . . . . . . . .

Het laatste lied is door negers uit de Britsche bezitting Barbados, het

meest oostelijk gelegen eiland der Kleine Antillen, medegebracht, en

wordt daar op de plantage gedurende een gemeenschappelijken dans

(Social dansa) gezongen, waarbij de dansenden, elkander de hand

houdende, een kring vormen en telkens van plaats verwisselen. Het luidt

vertaald: Alexander, kom eens zien, de wachter heeft mijn gouden ring

gestolen. Koelieman, Chinees... Gij, hallo! Zoekt de ring!

Het bootgezang, dat op onze terugreis uit de Binnenlanden van Suriname

in 1900 door een onzer negerroeiers werd aangeheven (C.b. blz. 218),

mag ook in dezen bundel niet ontbreken, omdat de neger hierin weder van

zijn buitengewoon improvisatie-talent en dichterlijke phantasie blijk

heeft gegeven, daar woorden en muziek, al naar het hem inviel, werden

voorgedragen en hij daarin op zijn wijze de geschiedenis van den tocht

heeft trachten te bezingen. Al bracht ik slechts het eerste couplet van

den merkwaardigen zang, aan de hand van Mr. Focke’s Neger-Engelsch

woordenboek, op schrift, is het niettemin zeer de aandacht waard, omdat

het de meening van Bücher helpt bevestigen, in zijn „Arbeit und

Rythmus” verkondigd, dat het gedicht zijn oorsprong dankt aan de

behoefte der natuurvolken, om hunne eentonige bewegingen door gezang te

begeleiden.

Zie hiernaast het couplet [149], waarin zelfs niet tegen den klemtoon

gezondigd wordt:

[Muzieknotatie]

O, Ni - cké rie! Mi lo - bi di, Ma dem

ber-gi de hei - - - so te. Ka - per - ka

Ki - ri mi, tja’ fracht na ki - lo - me - ter

sik - si, ma dem ber - gi de hei - - - so te.

Refrein.

Wro - ko foe joe mo - ni, Wro - ko foe joe mo - ni,

te wi de na Fal-la-wa-tra da so wi de wro-ko wi mo-ni.

Omtrent den oorsprong van dit bootgezang, Boto-siengi genoemd, bestaat

bij de negers onzer kolonie eene overlevering, die door Nahar als volgt

wordt verteld:

Mythen en sagen uit West-Indië · 第 60 / 174 题