„Wie van U allen”, vroeg ik aan eenige negers, die bij elkander
waren, „kan mij toch uitleggen, om welke reden gedurende het roeien
moet gezongen worden, en wel met zulke lange tonen, die het lied
haast onverstaanbaar maken”.
Geen hunner kon mij hierop antwoorden, toen een oude neger
binnenkwam, die het raadsel wist op te lossen.
„Wel vriend”, vertelde hij, „in den slavenstand heerschte er
discipline, zoo U weet; zelfs vrouwen moesten de riemen aanpakken
en dit ging onder een doodelijke stilte, zoodat men wel een speld
kon hooren vallen”.
„Je weet toch, dat er plantages zijn, die 3 tot 4 watra’s [150] van
de stad verwijderd zijn”.
„De blanken verveelden zich op zoo’n reis, doch de slaven niet
minder. Deze begonnen toen heel zachtjes, binnensmonds op een
zingenden toon met elkander te spreken, waarop de aangesprokene op
den zelfden zingenden toon antwoord gaf. De blanken vonden dit heel
aardig en luisterden graag naar het steeds luider wordende gezang,
daar het de reis bekortte”.
„Van toen af werd er door het volk gezongen, en zoo is het
melancholische bootgezang onafscheidelijk verbonden aan een tocht
op de Surinaamsche rivieren”.
Evenals de negers der Goudkust bezitten de Surinaamsche negers een
schat van zinrijke spreekwoorden, die voor ieder voorval, voor iedere
omstandigheid des levens kunnen dienen en die blijk geven van een hooge
levensphilosophie.
Daar deze spreekwoorden er, evenzeer als de anansi-tori’s, toe kunnen
bijdragen, om het zieleleven van den neger beter te kunnen begrijpen en
te waardeeren, heb ik een aantal dezer spreekwoorden als aanhangsel aan
den bundel Surinaamsche negervertellingen toegevoegd. [151] (Zie
Bijvoegsel I).
Ellis (El. a en b) deelt niet minder dan 120 aphorismen in zijne
meermalen aangehaalde werken mede, van welke ik de merkwaardigsten, na
de Surinaamschen, in het Bijvoegsel I heb overgenomen.
Hierbij moge worden opgemerkt, dat de Yoruba’s de wijsheid van een
persoon beoordeelen naar het aantal spreekwoorden, die hij kent.
Op expeditie in Suriname schepte ik er meermalen behagen in, met de
negers alleen zijnde, nu en dan een spreekwoord te zeggen, hetgeen een
algemeene verbazing wekte, want niemand wilde gelooven, dat ik ze in
bakrà kóndre [152] geleerd had.
Welke van de spreekwoorden der Surinaamsche negers uit Afrika zijn
medegebracht, welke in onze kolonie ontstaan zijn, is niet gemakkelijk
te beantwoorden. Door zijn groote verbeeldingskracht en
vindingrijkheid, door zijn aanleg tot wijsgeerige bespiegelingen kost
het den neger, nimmer verlegen, het rechte woord op het geschikte
oogenblik te pas te brengen, weinig moeite, steeds nieuwe spreekwoorden
te bedenken. Met zijn kritischen geest weet hij toestanden in de
kolonie zeer juist te beoordeelen en zoo moet in lateren tijd het
spreekwoord: Sranam-kóndre da hassi-tére: tidè a wai so, tamára a wai
so [153], ontstaan zijn.
Deze weinige voorbeelden mogen voldoende zijn, om aan te toonen, dat in
de uitingen van het geestelijk leven van den Surinaamschen neger nog
tal van herinneringen voorkomen aan zijn afkomst van de negers der
Goudkust.
Tot de belangrijkste dezer herinneringen behooren zeker wel de
spinverhalen, de anansi-tori’s, die door de negers der Goudkust, die de
Tshi-taal spreken—en ook in Sierra Leone—overal verteld worden.
Doorgaans is het in dit gebied Anansi of Annancy, de spin, die als held
in de vertellingen optreedt. Volgens eene overlevering aan de Goudkust
stamt het geheele menschdom van een groote spin af [154] en de
vereering, die dit dier daardoor geniet, de belangrijke plaats, die dit
bij ons zoozeer verafschuwde dier in de gedachten der Goudkust-negers
inneemt, heeft anansi tot den hoofdpersoon hunner talrijke vertellingen
gemaakt.
Bij andere meer oostelijk en zuidelijk wonende stammen, o.a. bij de
Yoruba’s, die de oostelijke helft der slavenkust bevolken [155] is het
echter de schildpad, die als de stamvader van het menschdom wordt
beschouwd, en die dan ook de hoofdpersoon in hunne vertellingen is
geworden. Zulk eene vertelling heet bij hen alo, hetgeen beteekent:
iets wat verzonnen is.
Beide dieren hebben deze vereering te danken aan de merkwaardige
eigenschappen, die zij zoowel in lichaamsbouw als in leefwijze
vertoonen. Ten opzichte van de spin is het, zooals reeds werd
opgemerkt, de kunstvaardigheid en het geduld, waarmede zij haar web
maakt en de slimme wijze, waarop zij aan voedsel weet te komen, die
voor de negers de aanleiding zijn geweest, haar dikwijls in
menschengedaante, doch altijd met menschelijk denkvermogen voor te
stellen.
Dat bij de Yoruba’s van de slavenkust, doch evenzeer bij de
Bantoe-negers van Aequatoriaal West-Afrika (N.), de schildpad in de
verhalen de plaats van de spin inneemt, mag hieruit verklaard worden,
dat de schildpad [156] voor het volk een niet minder geheimzinnig dier
is dan de spin. De schildpad doet immers geen enkel dier kwaad; hij
maakt op geen enkel dier jacht, zelfs niet op het kleinste insekt, doch
leeft slechts van de vruchten, die in het bosch naar beneden vallen
[157] of van paddestoelen.
De Inboorlingen zeggen, dat de schildpad slechts twee vijanden heeft,
tegen wie hij zich niet verdedigen kan, nl. den mensch, die het dier
voor heilige ceremoniën wil hebben en de reuzenslangen (in Afrika de
Pythons), die in staat zijn, het dier kapot te drukken en het met
pantser en al inslikken. Volgens hen is dus de schildpad haast immuun
tegen de aanvallen en dus tegen de vernietiging, zoodat zij voor hen
het zinnebeeld werd van een lang leven. Ook is zij in staat, lang te
vasten; zij is stil, langzaam en zeer voorzichtig in hare bewegingen;
zij weet zich op ongewone wijze aan het oog te onttrekken—kortom dit
dier vereenigt in zich alle eigenschappen, die voor het volk synoniem
zijn geworden met kracht en list. In het Niger-delta wordt de schildpad
dan ook als de heerscher onder de dieren beschouwd, evenals bij de
Bantoe-stammen (N.) [158], en hier niet alleen om hare zooeven genoemde
eigenschappen, doch vooral ook, omdat schildpadden overal in
Aequatoriaal West-Afrika voorkomen, zelfs op plaatsen, waar andere
dieren ontbreken.
Belangrijk is het, waar eenzelfde vertelling op verschillende, soms ver
van elkander verwijderde plaatsen wordt aangetroffen—te verklaren,
hetzij door overbrenging van de plaats van oorsprong, hetzij door een
onafhankelijk ontstaan van dezelfde denkbeelden en phantasieën op
verschillende plaatsen (Ba. blz. 20)—de veranderingen vast te stellen,
die de helden der verhalen hebben ondergaan.
Terwijl het in de vertellingen der negers van Sierra Leone (Cr.) en van
de Goudkust (Ba.), waar de Tshi-taal gesproken wordt, doorgaans de spin
is, hier Mr. Spider genoemd, over wiens heldendaden verteld wordt, bij
de Yoruba’s van de oostelijke deelen der Slavenkust en bij de
Bantoe-stammen van Aequatoriaal West-Afrika daarentegen de schildpad,
die als Trorkey of Mr. Turtle ook in vele Sierra Leone-vertellingen
optreedt, hebben de negers van Zuid-Afrika als nationale held een dier,
dat zij Cunnie [159] Rabbit noemen en dat ook herhaaldelijk in de
verhalen de Goudkust-negers optreedt.
Miss Cronise en H. W. Ward, meenen, volgens de determinatie van een
bevoegd dierkundige, dat wij hier allerminst met een „rabbit”, een
konijn te doen hebben, doch dat de neger het dwergmuskusdier*
(Hyomoschus aquaticus) op het oog heeft, een klein eenigzins op een
konijn gelijkend tweehoevig zoogdier, dat in slimheid weinig voor de
spin onderdoet en daarom eveneens door de inboorlingen wordt vereerd.
In de vertellingen van de negers van Sierra Leone gaan Mr Spider en
Cunnie Rabbit steeds als vrienden met elkander om, ten minste wanneer
hunne belangen niet te zeer uiteenloopen. Dit blijkt uit een meermalen
voorkomenden aanhef in de vertellingen: „Two cunnie meet up, de one
cunnie, de odder cunnie” [160] enz. Vermelding verdient, dat deze
rabbit in de bijgevoegde illustraties der Sierra Leone-verzameling
steeds met kleine horens wordt afgebeeld, en meer gelijkt op een kleine
Antilopensoort, hetgeen ten eenenmale onjuist is. (Zie het verklarend
register).
In deze verhalen, evenals in die van zoovele andere Negerstammen,
blijkt de neger behoefte te gevoelen, om in deze uitingen van het
zieleleven de zwakke onschuld te laten zegevieren over de ruwe kracht,
een verschijnsel, dat ik reeds uit de geschiedenis van het negerras
verklaard heb (zie blz. 204).
Dat sluwheid het meestal boven kracht wint, hiervan is de neger overal
in Afrika doordrongen (zie o.a. in „Avond op het water”, Bijvoegsel
II). Wij treffen deze waarheid ook aan in de reeds aangehaalde
vertellingen, door inboorlingen aan Stanley gedaan (zie blz. 203), en
waarin nu eens door een aardig bedrog of sluwe krijgslist de loeiende
buffel het onderspit moest delven voor het scherpe vernuft van het
konijntje, dan weêr de hond het won van zijn forschen meester, het
luipaard.
In de spinvertellingen van de Goudkustnegers, die de Tshi-taal spreken
(in de zg. Anansi-sem, afgeleid van Anansi-asem) wordt de spin Aiya
Anansi (= vader Spin) genoemd, toebedeeld met groote slimheid en behebt
gedacht met veel streken; evenals de lagere goden laat men hem
doorgaans door de neus spreken.
Aan de Goudkust heeft men speciale vertellers—evenals bij de Yoruba’s,
die over de slimheid van de schildpad [161] vertellen. Zulke personen
(bij de Yoruba’s akpalo of kpa alo genoemd) maken hun ambt van het
vertellen van dierenfabels en sprookjes en gaan van de eene plaats naar
de andere. Behalve deze heeft elk negerdorp een of meer talentvolle
vertellers. Wanneer het volk weet, dat er zich iemand onder hen
bevindt, die deze gave in bijzondere mate bezit, vragen zij hem, als de
omstandigheden er zich voor leenen (meestal in rusttijden, vaak zelfs
des nachts), een vertelling te doen en bieden hem tabak, kolanoten* en
kauris* aan.
Wanneer de verteller een voldoend aantal toehoorders om zich heen
verzameld heeft, zegt hij: mijn verhaal is ongeveer zoo en zoo, terwijl
hij den naam van den held noemt; of: mijn verhaal handelt over een man
(vrouw), die dit of dat gedaan heeft. Wanneer dan het auditorium heeft
geantwoord: wij luisteren, begint de verteller.
Welk een belangrijke plaats de vertellingen in het leven van den
West-Afrikaanschen neger innemen, blijkt wel uit de slotregels eener
pakkende vertelling in het belangwekkende werkje van Florence Cronise
en Henry Ward—niet alleen voor Sierra Leone, doch ook voor het verder
oostwaarts liggende gebied (Ivoorkust, Goudkust en Slavenkust)
geldend.—„Bijna den ganschen nacht was met vertellen in een der hutten
doorgebracht en nog waren sommigen wakker genoeg, om naar meer te
verlangen. Sorpee was juist bezig, om zich voor te bereiden voor een
volgende vertelling, toen allen een vogel hoorden schreeuwen. „Dah fowl
craze”, [162] riep Oleemah uit, die juist zijn vertelling geëindigd
had, en niet kunnende gelooven, dat de morgen reeds aanbrak, stond hij
op, om zijn hoofd buiten de hut te steken.
„Nar true word dah fowl duh talk”, [163] zei hij, toen hij de eerste
teekenen van den naderenden dag had gezien. De wolken hingen zwaar, de
regen had opgehouden, en de dampen begonnen op te trekken”.
„Oleemah, door deze teekenen er aan herinnerd, dat het leven niet
uitsluitend verdichtsel [164] is, liep naar buiten en begaf zich naar
zijn hut. En, toen hij het sein aan de anderen had gegeven, om op te
staan en huiswaarts te keeren, voelde iedereen, dat de nacht goed
besteed was geweest”.
Ook in Sierra Leone is de Spin (Mr. Spider) de nationale held, de
personificatie van den volksaard, en worden de op den voorgrond
tredende eigenschappen van het Zwarte Ras en die, naar welke het
streeft, aan de spin toegeschreven. Ook daar is Spin buitengewoon slim,
heeft hij [165] een lichten slaap, een onverzadiglijken eetlust, en
bezit hij een ongeëvenaard talent om aan voedsel te komen. Als het te
pas komt, weigert hij ook maar den lichtsten last te dragen, doch als
er iets te eten valt, is hij je man, om zelfs een olifant te tillen.
In verschillende dorpen zijn zg. „story-tellers” (sprookjesvertellers)
zeer in aanzien, omdat zij beter dan anderen van de volkslegenden op de
hoogte zijn en in het vertellen uitmunten. In Sierra Leone maken zelfs
negers van het vertellen van sprookjes een broodwinning en reizen van
het eene dorp naar het andere, waar zij steeds welkom zijn.
Niet zelden worden de verhalen met een bepaalde bedoeling verteld en de
Neger is slim genoeg om te begrijpen, tot wien in het bijzonder de
leerrijke vertelling gericht is. Dat de dierenfabels of sprookjes, die
in Sierra Leone en in de overige deelen der Goudkust verteld worden,
vooral de bedoeling hebben, de toehoorders beter te maken, blijkt o.a.
hieruit, dat, wanneer de verteller bemerkt, dat de moraal aan de
aandacht van den persoon, die men in het bijzonder op het oog heeft,
door een of anderen reden ontsnapt is, hij dikwijls onmiddellijk met
een andere vertelling begint, dat met dezelfde moraal eindigt.
Overal waar deze mondelinge overleveringen op de plaats, waar zij
ontstonden, zijn opgeteekend, blijken zij een haast nog belangrijker
plaats in het geestelijk leven van het volk in te nemen, dan de
litteratuurvoortbrengselen bij de volken der moderne cultuur.
Daar de onuitputtelijke schat van legenden en sprookjes, die de
mondelinge litteratuur der negers bevat, het gansche leven van den
Neger weêrgeeft, mag een uitgebreide, folkloristische studie, ook uit
een ethnologisch oogpunt, van belang geacht worden.
De meeste verzamelingen geven echter alleen het goede in den Neger
weêr. Hij vertelt echter ook graag verhalen, die uit een
wetenschappelijk oogpunt niet zonder beteekenis zijn, doch die voor een
lezerskring, voor welken deze bundel bestemd is, afgekeurd moesten
worden.
Jammer genoeg, is op de belangwekkende negerfolklore eerst de aandacht
gevestigd, nadat een lange inwerking van Europeesche invloeden reeds
veel van het oorspronkelijke had weggenomen.