INLEIDENDE BESCHOUWINGEN.

Tot de opgaven, die ik mij gedurende mijne onderzoekingsreis door de

binnenlanden van het Suriname-district Nickérie in September en October

van het jaar 1900 (C.b.) gesteld had, behoorde ook het bijeenbrengen

eener verzameling dieren.

Van deze en gene zijde waren mij wenken medegegeven en wenschen kenbaar

gemaakt, die ik, al naar de omstandigheden zulks gedoogden, zou

trachten te bevredigen. Onder de diergroepen, die tot de wenschen onzer

zoölogen behoorden, was mij ook een groep van spinnen genoemd, waarvan

de kennis, ook uit een dierengeographisch oogpunt, van belang werd

geacht.

Reeds op den tweeden dag van onzen tocht bleek mij echter, dat op mijne

negers, die als roeiers en als dragers dienst deden, en wien ik voor

het verzamelen van dieren premiën had uitgeloofd, voor zoover het

spinnen gold, niet veel te rekenen zou vallen, want „een spin, [124]

het verstandigste en slimste dier, mag niet gedood worden”, voegden

mijne roeiers mij toe, mij verwijtend aanziende, toen ik tegen de tent

van mijn boot een jacht op een snelloopende, langpootige soort wilde

beginnen, na reeds een der voor deze brooze wezens medegenomen

reageerbuisjes met spiritus te hebben gevuld.

Enkele mijner zwarte roeiers, niet bestand tegen de macht van het

aardsche slijk, beloofden mij wel tegen een verhoogde premie in het

verzamelen van spinnen behulpzaam te willen zijn, doch tegenover het

meerendeel was ik genoodzaakt, door negeroogen onbespied, mijn wreede

jacht uit te voeren.

De groote eerbied, dien de negers voor een spin koesteren, is zeker bij

de wreedheid, waaraan zij zich vaak tegenover andere dieren schuldig

maken, opvallend, en geen wonder is het dan ook, dat in de scheppingen

der rijke negerphantasie de spin schering en inslag is; want ik

overdrijf zeker niet, wanneer ik zeg, dat in de vertellingen der

Surinaamsche negers de spin tien tegen één de heldenrol speelt.

Het mag zeker bevreemding wekken, dat waar in den laatsten tijd zooveel

studie wordt gemaakt van de mondelinge overleveringen der natuurvolken,

en waar men tracht het oorspronkelijke in hunne vertellingen van het

door vreemden invloed bijgevoegde te onderscheiden, nog zoo weinig aan

de spinverhalen, de anansi-tori’s der Surinaamsche negers, gedacht is.

Men moet al zeer weinig opmerkingsgave en weinig zin tot onderzoek

hebben, om niet spoedig bij eene kennismaking met het zwarte deel der

Surinaamsche bevolking tot de ontdekking te komen, welk een belangrijke

plaats de anansi-tori in het leven van den neger inneemt.

Waar bij alle gebeurtenissen des levens, die voor den geest afleiding

vragen, boeiende lectuur of inspannende arbeid en studie onze gedachten

een andere richting kunnen geven, daar heeft de Neger zijn lange

anansi-tori’s, die hem na volbrachten arbeid aangenaam bezig houden,

die hem in oogenblikken van droefheid tot troost zijn, en die hem

gedurende de kwellingen van het lastige insektenheir in de oerwouden

verlichting geven.

Herinnert zich niet menig oud-Surinamer nog zeer goed de langdurige

anansi-tori’s, waarmede de nène [125], voor zijn bed gezeten, hem in

slaap trachtte te brengen? (zie No. 26 van dezen bundel). Ook in

Suriname deed de anansi-tori in déde-hóso [126] nog niet lang geleden

opgeld, zóó zelfs dat in Paramaribo anansi-tori-vertellers waren, die

van het eene sterfhuis naar het andere gingen en er steeds welkom

waren.

Voor een neger-arbeider op expeditie door de oerwouden is de

anansi-tori eveneens een ware uitkomst. Wanneer op onzen tocht door de

eindelooze wildernissen de muskieten ons plaagden of de kleine

patatten-luizen* het lichaam met brandend jeukende bulten overdekt

hadden en aan slapen niet te denken viel, zochten onze negers vaak

afleiding door hunne anansi-tori’s.

Meermalen schepte ik er genoegen in, het primitief kampement onzer

negers, die hunne hangmatten tusschen de boomen, op korten afstand van

onze tent, hadden opgehangen, te gaan bezoeken, wanneer zij na het

nuttigen van hun eenvoudig, doch overvloedig maal aan het vertellen

waren. Bij de flikkerende vlammen van het kampvuur vond ik een onzer

arbeiders, in zijn hangmat gezeten, omringd door een aantal

toehoorders, op wier gelaat de grootste aandacht en een innig genoegen

te lezen waren.

De verteller sprak gemakkelijk, met mooie accentuatie en met

bewonderenswaardige stembuiging—soms fluisterend, om daarna met

langzame stemverheffing zijn woorden met kracht uit te stooten. Nu eens

sprak hij vermanend, dan weêr vragend en al kon ik wegens onvoldoende

kennis der Neger-Engelsche taal het verhaal niet volgen, toch liet de

uitnemende verteller niet na, indruk op mij te maken, en wist hij het

verlangen bij mij op te wekken, met den inhoud dier negervertellingen

kennis te maken.

Toen wij te Paramaribo verblijf hielden, deed ik een poging daartoe,

toen een der tochtgenooten, H. van Cappelle Jr., een aantal

phonographische opnamen van negerliederen wilde machtig worden, waartoe

een onzer bedienden ons in de gelegenheid stelde. Op de bijeenkomst,

die in diens nederige woning, aan een zijstraat van de Saramaccastraat,

plaats had, had hij nl. een aantal negers, negerinnen en kleurlingen

uitgenoodigd, die zich bereid hadden verklaard, liederen ten beste te

geven.

Aan het einde van den avond verzocht ik een der aanwezigen, ook eens

een anansi-tori te willen vertellen, waarop een 15-jarig negerinnetje

naar voren trad, zich zonder eenigen schroom voor de horen van de

phonograaf [127] neêrzette en met mooie zeggingskracht, die bij ons

allen bewondering wekte, zonder haperen haar „Boen no habi tangi” [128]

ten beste gaf.

Ik vroeg de vertelster, mij de Nederlandsche vertaling van den

dierenfabel te willen ter hand stellen, waaraan zij den volgenden dag

voldeed, doch waaruit tot mijn teleurstelling bleek, dat zij geen

typische anansi-tori had gekozen, omdat anansi, de spin, er niet als

held in optreedt.

Toch heeft de eenvoudige vertelling niet nagelaten, indruk op mij te

maken, omdat een ieder, die met de „onbeschaafde” volken of met de

eenvoudige bewoners van het platteland heeft omgegaan, zal moeten

erkennen, dat de waarheid der daarin verkondigde moraal steeds meer aan

het licht komt, naarmate men de groote centra der „beschaving” nadert.

Dat de Neger, wiens karaktereigenschap, voor zoover het den door den

omgang met den „beschaafden” blanke nog weinig bedorven neger geldt,

getrouwheid, onbaatzuchtigheid, innige verknochtheid en dankbaarheid

is, deze treurige waarheid door de dieren laat verkondigen, is niet te

verwonderen. Wij zien immers, hoe zorgvuldig hij, evenals alle

natuurvolken, de dieren om hem heen in hun doen en laten bespiedt, en

hoe hij daardoor in staat wordt gesteld, bij hen, nevens vele hoogere

gaven, die wij met ons zooveel beperkter waarnemingsvermogen over het

hoofd zien, dikwijls een grooter mate van welwillendheid en

onbaatzuchtigheid jegens soortgenooten op te merken, dan wij in de

„beschaafde” wereld de menschen veelal jegens elkander aan den dag zien

leggen.

De jeugdige Creoolsche had met hare eenvoudige vertelling mijne

belangstelling in de Surinaamsche negerfolklore nog meer geprikkeld en

het verlangen bij mij opgewekt, in het bezit te komen van eene

verzameling Surinaamsche negervertellingen, die wellicht voldoende stof

voor eene studie over dit onderwerp zouden kunnen opleveren.

Daar weinigen het Nederlandsch voldoende machtig zijn, om een

anansi-tori in onze taal over te zetten, of den lust hebben, de

dikwijls langdradige vertellingen op schrift te brengen, had ik weinig

verwachting dat mijne pogingen, om meerdere negervertellingen bijeen te

brengen, slagen zouden.

Toch was het weder mijn ijverige tochtgenoot en goede kenner van den

Surinaamschen neger, C. van Drimmelen, die mijn wenschen bevredigde en

die in den Javaansch-Maleischen tolk M. H. Nahar te Paramaribo den man

vond met genoeg belangstelling voor negerfolklore om, geheel

belangeloos, zijn tijd en zijn krachten aan dit onderwerp te wijden.

Het meerendeel der vertellingen, die Nahar bijeen bracht, verdienen den

naam anansi-tori’s, omdat de spin er de heldenrol in speelt, en zijn

daarom zeer leerrijk, omdat, hoezeer het sprookje ook gewijzigd moge

zijn, dit ook bij de negers der Goudkust zoozeer vereerde dier, zooals

nader zal blijken, door de overbrenging der vertellingen naar

West-Indië hoegenaamd niets van zijn karaktereigenschappen verloren

heeft.

Doch hoe belangwekkend deze naïve vertellingen voor een studie van het

volksleven ook mogen zijn, het moet erkend worden, dat zij in een

beschaafde taal overgebracht, veel van hare pittigheid en

oorspronkelijkheid verliezen. Want slechts dan kan men ze ten volle

genieten, wanneer men de Neger-Engelsche taal machtig is, en men ze

zelf hoort vertellen. Want datgene, wat deze vertellingen der negers

juist zoo smakelijk en belangwekkend maakt, nl. de krachtige

uitdrukkingen, met stemverheffing uitgesproken, het plotselinge

gedempte gefluister, de herhaalde uitroepen, de gesticulaties, de

klank- en spraaknabootsingen en niet het minst de korte liedjes, die er

tusschen door worden gezongen—dit alles is zeer moeielijk op schrift

weêr te geven.

Wanneer de Neger met zijne rijke phantasie en zijn kinderlijken aard,

die zich in velen zijner handelingen uit, uren achtereen geboeid kan

worden door vertellingen van koningen, prinsen en prinsessen, van

feesten onder de waterdieren, van spinnen, die ongezadeld op tijgers

rijden enz., zullen ook onze kinderen, die gaarne droomen van een

wonderland, waar de dieren als menschen handelen en spreken kunnen, in

die eenvoudige sprookjes een rijke bron van genot vinden. Maar ook voor

hen, die gaarne willen doordringen in het zieleleven van een

menschenras, dat in elk opzicht de antipode mag genoemd worden van het

Roode of Indiaansche ras, dat vóór de komst der blanke en zwarte

bevolking, heer en meester van het land was, zullen de in dezen bundel

bijeengebrachte voortbrengselen der negerphantasie, hoop ik, welkom

zijn, omdat zij er ongetwijfeld den Neger van een betere zijde in

leeren kennen, dan men gewoon is, dit zoo lang verdrukte ras af te

schilderen.

Mogen de sprookjes en dierenfabels, waarmede nu ook het groote, lezend

publiek kennis zal kunnen maken, wel niet de waarde bezitten van de

vertellingen, die Stanley, te midden der Afrikaansche wouden, in de

stille avonduren om het kampvuur door zijne zwarte metgezellen gedaan

werden [129] en die de groote ontdekkingsreiziger slechts dan

opteekende, wanneer een echte inboorling uit het binnenland aan het

woord was, toch zullen ze niet nalaten, een blik te leeren slaan in de

diepste roerselen der negerziel en de overtuiging kunnen schenken, dat

in de toekomst van het Negerras veel verwacht zal kunnen worden.

Mij heeft de lijvige bundel anansi-tori’s, door Nahar bijeengebracht,

aangename oogenblikken verschaft. Ik zag weêr vóór mij het in

duisternis gehulde machtige oerwoud, hier en daar phantastisch verlicht

door de flikkeringen van de vuurtjes onzer negers; ik hoorde de forsche

heldere stem van den verteller, afgewisseld door den schaterlach der

toehoorders; het was weêr alsof ik, liggende in de hangmat, de

doordringende negerstemmen langzaam hoorde wegsterven en of de

vreemdsoortige, elke minuut vermeerderende geluiden van het nachtelijk

dierenconcert weder uit het machtige oerwoud tot mij kwamen.

Mythen en sagen uit West-Indië · 第 59 / 174 题