NO. 47. LEGENDE VAN MAPAJAWARI OF DE UITROEIING DER MENSCHENETERS. (C.)

Penalo ame weipiompo. Eertijds, voor nog de grootvader van mijn

grootmoeder geboren was, leefden er talrijke Indianen langs de oevers

der Coppename. Zij waren gelukkig, want overal kwam het wild talrijk

voor en in de kreken en rivieren krioelde het van visschen.

Omstreeks dezen tijd leefden aan de Coppename een Kalienja, Mapajawari

geheeten en zijn vierjarig zoontje Kenaime. Mapajawari was een

visscher, die vooral uitmuntte in het zetten van springmanden* voor

Anjoemara’s*.

Eens op een dag nam Mapajawari zijn zoontje mede, om hem deze manier

van visschen te leeren. De manden had hij geledigd en, tevreden over de

vangst, had hij zich aan den oever te slapen gelegd, terwijl Kenaime

zich met zwemmen vermaakte.

Het begon langzamerhand laat te worden, en toen de kleine jongen,

verlangend terug te gaan, zijn vader riep, kreeg hij geen antwoord. De

vader bleef doorslapen.

Toen Kenaime nu den pot, waarin de Anjoemara’s gekookt moesten worden,

met water vulde, zag hij, toen hij het oog over de rivier liet gaan,

tot zijne verbazing een korjaal met Roodhuiden naderen. „Vader”, riep

hij verschrikt, „daar komen Itioto’s*”. Maar Mapajawari stoorde zich

niet aan het geroep en bleef doorslapen, en Kenaime, bevreesd voor het

ongewone, klom in een boom, ook om beter naar de Itioto’s te kunnen

kijken. Kort daarna waren zij nabij en landden zij op de plaats, waar

Mapajawari lag te slapen, en nog voor Kenaime goed begreep, wat er

gebeurde, lag zijn vader zielloos neêr.

De Itioto’s sneden daarop het hoofd van Mapajawari af en hingen het op

aan een tak, slechts eenige schreden verwijderd van de plaats, waar

Kenaime zich verscholen hield. Het lichaam van den verslagene sneden

zij in stukken en deze wierpen zij in den pot, die bestemd was voor de

Anjoemara’s.

Sprakeloos van ontzetting zag Kenaime dit vreeselijke schouwspel aan.

Hij zag, hoe de Itioto’s het gekookte en op den barbakot geroosterde

vleesch van zijn vaders lichaam aten en hoe zij zich, verzadigd, voor

den nacht begonnen in te richten, en eindelijk, na schildwachten te

hebben uitgezet, zich ter ruste begaven.

Den geheelen nacht bleef Kenaime, bibberend van angst en koude, in den

boom verborgen, en toen het licht werd, staarde hij vol ontzetting in

de gebroken oogen, die hem uit het hangende hoofd van zijn vader

tegenblikten.

Den volgenden dag verlieten de Itioto’s de plaats, en toen zij uit het

oog van Kenaime verdwenen waren, daalde hij van den boom af, zette het

hoofd van zijn vader in een pasrie* en toog hij er mede op weg naar

zijn moeder. Deze weende, wrong zich de handen, maar het hielp niets.

De vrienden van den verslagene trokken er onmiddellijk op uit om hem te

wreken, maar de moordenaars waren verdwenen, en op de plaats vonden zij

slechts gebroken en afgekloven beenderen.

Kenaime begroef het hoofd van zijn vader in het woud en bedekte de plek

met een grooten steen.

De vierjarige zoon van Mapajawari was van dien dag af geheel veranderd.

Hij lachte niet meer, en wanneer zijn makkertjes vroolijk oelana*

speelden, zat hij in een hoek der hut droomerig te staren naar den kant

van waar de Itioto’s gekomen waren.

Jaren verliepen er, gedurende welke Kenaime tot een schoonen jongeling

opgroeide. Geen zijner stamgenooten overtrof hem in het zwaaien met den

apoetoe* of in het verduren van pijnen [112]. Zijn pijlen misten nimmer

het doel, terwijl hij zich op meesterlijke wijze wist te dekken tegen

de pijlen der vijanden.

De oude moeder van Kenaime had nu sedert eenigen tijd groote

hoeveelheden cassave verzameld, om paiwarri te bereiden, want er zou

feest gevierd worden. Uitnoodigingen daarvoor waren overal rondgezonden

in den vorm van touwtjes met knoopen [113], zoodat op den dag van het

feest een menigte Roodhuiden zich in het dorp van Kenaime ophielden.

Lustig werd er op los gedronken. De kalebassen met drank gingen

onophoudelijk van hand tot hand. Men juichte, men braakte, men zong,

tot opeens te midden der algemeene feestvreugde Kenaime verscheen, den

pas opgegraven schedel van Mapajawari omhoog houdend. Te midden der

feestvierenden zette hij hem op den grond neêr, en den strijdknots

opheffende, brulde en hitste hij den strijdzang en danste hij den

strijddans.

„Jakono”* riep hij, „wie helpt mij thans mijn vader te wreken?” Alle

aanwezige jongelingen sprongen op, en het voorbeeld van hun vriend

volgende, zwoeren zij den dood aan de moordenaars van Mapajawari. Allen

dansten nu den knotsdans en zongen den zang; er werd gebruld, gehitst,

gesist, gekropen, evenals Tijgers en Worgslangen. De jongelingen waren

in Kenaima’s* veranderd.

De piaimannen togen onmiddellijk aan het werk en spoedig was ook de

verzekering gekregen van den Dubbelgeest, dat de strijd goed zou

afloopen.

In twee groote Kanoa’s* verlieten de strijders, allen gewapend met

vergiftige pijlen en voorzien van knotsen ter dikte van kleine

boomstammen, de plaats, waar de moord op Mapajawari geschied was. Elke

drie dagen ging een berichtgever naar het dorp terug, zoodat men daar

steeds op de hoogte bleef van wat er onderweg gebeurde. Geen vuur werd

op den tocht ontstoken en steeds stonden schildwachten op den uitkijk.

De strijders hadden nu de dorpen der Itioto’s, de zoogenaamde

Pawana*’s, bereikt. Deze waren echter van hun komst verwittigd en

liepen hen tegemoet, uitroepende: „Wij hebben Mapajawari niet gedood,

wij waarschuwden zelfs tegen den moord, zoodat wij bijna zelf zijn

opgegeten. Zij, die den vader van Kenaime hebben opgegeten, moeten

jelui zoeken in de dorpen der Jawa-Konejenje*. Maar deze menscheneters

beschouwen ons als vrienden, zoodat we u als vrienden tot hen zullen

leiden.”

Zoo gezegd zoo gedaan. Te zamen met de Pawana’s bereikten de wrekers na

een maan* de dorpen der Itioto’s. Reeds van verre hielden allen de

knotsen omhoog, uitroepende: „Vrede, vrienden!”

De Itioto’s niet wetende, wie de vreemde krijgslieden waren, ontvingen

hen met open armen. Zelfs werd ter hunner eere een feest gevierd.

Kenaime echter gaf zijn vrienden last, op het feest niet te drinken, en

te wachten op het sein, dat hij hen te middernacht zou toeroepen. Dan

moesten zij opspringen en den strijd beginnen.

De Itioto’s dronken lustig door, tot ze allen smoordronken waren, maar

de Caraïben en Pawana’s waren nuchter gebleven, daar zij den drank

ongemerkt uit de kalebassen op den grond hadden uitgegoten. Zij hielden

zich echter of ook zij beneveld waren en, zoodra de Itioto’s hunne

hangmatten hadden opgezocht, wisten de gasten van hen gedaan te

krijgen, dat ieder een Caraïb of een Pawana bij zich nam, nadat deze

voorgewend hadden, naar warmte te verlangen in den koelen nacht. Zoo

lag aan het einde van het feest een nuchtere Caraïb of Pawana naast een

dronken menscheneter, wachtende op het afgesproken sein van hun

aanvoerder.

Eensklaps weerklonk een vreeselijk gebrul en een holle stem riep

donderend de woorden:

„Mapajawari joepoebombo toetoeroetoe”.

Het was Kenaime, die in den hollen schedel van zijn vader den aanval

blies. Alle Caraïben en Pawana’s sprongen op. De dronken Itioto’s

trachtten te vluchten, doch van alle kanten klonk het brullend en

hitsend: Sla dood, verworg, mik op den neus; geen genade; spaar

vrouwen, noch kinderen, noch grijsaards. En te midden van het

verschrikkelijke bloedbad toeterde Kenaime voortdurend in den schedel

van zijn vader.

Slechts enkele, ik geloof zes, Itioto’s ontsnapten, om de tijding der

nederlaag naar de verder gelegen dorpen over te brengen. Mapajawari was

gewroken. De overwinnaars sneden de hoofden der verslagen Itioto’s af

en hingen ze op aan de takken der omliggende boomen. In het midden

zetten zij den schedel van Mapajawari op een staak, opdat hij zou

kunnen oordeelen over de wraak van zijn zoon.

Zonder verdere ongevallen bereikten de strijders weder hunne dorpen,

waar zij met vreugde ontvangen werden. Feesten volgden elkander op.

Jonge meisjes bezongen hun moed en ouden van dagen prezen hun list.

En sedert dien tijd hebben de kannibalen zich nooit meer aan de

Coppename vertoond. [114]

Mythen en sagen uit West-Indië · 第 56 / 174 题