Penalo ame weipiompo. Eertijds, voor nog de grootvader van mijn
grootmoeder geboren was, leefden er talrijke Indianen langs de oevers
der Coppename. Zij waren gelukkig, want overal kwam het wild talrijk
voor en in de kreken en rivieren krioelde het van visschen.
Omstreeks dezen tijd leefden aan de Coppename een Kalienja, Mapajawari
geheeten en zijn vierjarig zoontje Kenaime. Mapajawari was een
visscher, die vooral uitmuntte in het zetten van springmanden* voor
Anjoemara’s*.
Eens op een dag nam Mapajawari zijn zoontje mede, om hem deze manier
van visschen te leeren. De manden had hij geledigd en, tevreden over de
vangst, had hij zich aan den oever te slapen gelegd, terwijl Kenaime
zich met zwemmen vermaakte.
Het begon langzamerhand laat te worden, en toen de kleine jongen,
verlangend terug te gaan, zijn vader riep, kreeg hij geen antwoord. De
vader bleef doorslapen.
Toen Kenaime nu den pot, waarin de Anjoemara’s gekookt moesten worden,
met water vulde, zag hij, toen hij het oog over de rivier liet gaan,
tot zijne verbazing een korjaal met Roodhuiden naderen. „Vader”, riep
hij verschrikt, „daar komen Itioto’s*”. Maar Mapajawari stoorde zich
niet aan het geroep en bleef doorslapen, en Kenaime, bevreesd voor het
ongewone, klom in een boom, ook om beter naar de Itioto’s te kunnen
kijken. Kort daarna waren zij nabij en landden zij op de plaats, waar
Mapajawari lag te slapen, en nog voor Kenaime goed begreep, wat er
gebeurde, lag zijn vader zielloos neêr.
De Itioto’s sneden daarop het hoofd van Mapajawari af en hingen het op
aan een tak, slechts eenige schreden verwijderd van de plaats, waar
Kenaime zich verscholen hield. Het lichaam van den verslagene sneden
zij in stukken en deze wierpen zij in den pot, die bestemd was voor de
Anjoemara’s.
Sprakeloos van ontzetting zag Kenaime dit vreeselijke schouwspel aan.
Hij zag, hoe de Itioto’s het gekookte en op den barbakot geroosterde
vleesch van zijn vaders lichaam aten en hoe zij zich, verzadigd, voor
den nacht begonnen in te richten, en eindelijk, na schildwachten te
hebben uitgezet, zich ter ruste begaven.
Den geheelen nacht bleef Kenaime, bibberend van angst en koude, in den
boom verborgen, en toen het licht werd, staarde hij vol ontzetting in
de gebroken oogen, die hem uit het hangende hoofd van zijn vader
tegenblikten.
Den volgenden dag verlieten de Itioto’s de plaats, en toen zij uit het
oog van Kenaime verdwenen waren, daalde hij van den boom af, zette het
hoofd van zijn vader in een pasrie* en toog hij er mede op weg naar
zijn moeder. Deze weende, wrong zich de handen, maar het hielp niets.
De vrienden van den verslagene trokken er onmiddellijk op uit om hem te
wreken, maar de moordenaars waren verdwenen, en op de plaats vonden zij
slechts gebroken en afgekloven beenderen.
Kenaime begroef het hoofd van zijn vader in het woud en bedekte de plek
met een grooten steen.
De vierjarige zoon van Mapajawari was van dien dag af geheel veranderd.
Hij lachte niet meer, en wanneer zijn makkertjes vroolijk oelana*
speelden, zat hij in een hoek der hut droomerig te staren naar den kant
van waar de Itioto’s gekomen waren.
Jaren verliepen er, gedurende welke Kenaime tot een schoonen jongeling
opgroeide. Geen zijner stamgenooten overtrof hem in het zwaaien met den
apoetoe* of in het verduren van pijnen [112]. Zijn pijlen misten nimmer
het doel, terwijl hij zich op meesterlijke wijze wist te dekken tegen
de pijlen der vijanden.
De oude moeder van Kenaime had nu sedert eenigen tijd groote
hoeveelheden cassave verzameld, om paiwarri te bereiden, want er zou
feest gevierd worden. Uitnoodigingen daarvoor waren overal rondgezonden
in den vorm van touwtjes met knoopen [113], zoodat op den dag van het
feest een menigte Roodhuiden zich in het dorp van Kenaime ophielden.
Lustig werd er op los gedronken. De kalebassen met drank gingen
onophoudelijk van hand tot hand. Men juichte, men braakte, men zong,
tot opeens te midden der algemeene feestvreugde Kenaime verscheen, den
pas opgegraven schedel van Mapajawari omhoog houdend. Te midden der
feestvierenden zette hij hem op den grond neêr, en den strijdknots
opheffende, brulde en hitste hij den strijdzang en danste hij den
strijddans.
„Jakono”* riep hij, „wie helpt mij thans mijn vader te wreken?” Alle
aanwezige jongelingen sprongen op, en het voorbeeld van hun vriend
volgende, zwoeren zij den dood aan de moordenaars van Mapajawari. Allen
dansten nu den knotsdans en zongen den zang; er werd gebruld, gehitst,
gesist, gekropen, evenals Tijgers en Worgslangen. De jongelingen waren
in Kenaima’s* veranderd.
De piaimannen togen onmiddellijk aan het werk en spoedig was ook de
verzekering gekregen van den Dubbelgeest, dat de strijd goed zou
afloopen.
In twee groote Kanoa’s* verlieten de strijders, allen gewapend met
vergiftige pijlen en voorzien van knotsen ter dikte van kleine
boomstammen, de plaats, waar de moord op Mapajawari geschied was. Elke
drie dagen ging een berichtgever naar het dorp terug, zoodat men daar
steeds op de hoogte bleef van wat er onderweg gebeurde. Geen vuur werd
op den tocht ontstoken en steeds stonden schildwachten op den uitkijk.
De strijders hadden nu de dorpen der Itioto’s, de zoogenaamde
Pawana*’s, bereikt. Deze waren echter van hun komst verwittigd en
liepen hen tegemoet, uitroepende: „Wij hebben Mapajawari niet gedood,
wij waarschuwden zelfs tegen den moord, zoodat wij bijna zelf zijn
opgegeten. Zij, die den vader van Kenaime hebben opgegeten, moeten
jelui zoeken in de dorpen der Jawa-Konejenje*. Maar deze menscheneters
beschouwen ons als vrienden, zoodat we u als vrienden tot hen zullen
leiden.”
Zoo gezegd zoo gedaan. Te zamen met de Pawana’s bereikten de wrekers na
een maan* de dorpen der Itioto’s. Reeds van verre hielden allen de
knotsen omhoog, uitroepende: „Vrede, vrienden!”
De Itioto’s niet wetende, wie de vreemde krijgslieden waren, ontvingen
hen met open armen. Zelfs werd ter hunner eere een feest gevierd.
Kenaime echter gaf zijn vrienden last, op het feest niet te drinken, en
te wachten op het sein, dat hij hen te middernacht zou toeroepen. Dan
moesten zij opspringen en den strijd beginnen.
De Itioto’s dronken lustig door, tot ze allen smoordronken waren, maar
de Caraïben en Pawana’s waren nuchter gebleven, daar zij den drank
ongemerkt uit de kalebassen op den grond hadden uitgegoten. Zij hielden
zich echter of ook zij beneveld waren en, zoodra de Itioto’s hunne
hangmatten hadden opgezocht, wisten de gasten van hen gedaan te
krijgen, dat ieder een Caraïb of een Pawana bij zich nam, nadat deze
voorgewend hadden, naar warmte te verlangen in den koelen nacht. Zoo
lag aan het einde van het feest een nuchtere Caraïb of Pawana naast een
dronken menscheneter, wachtende op het afgesproken sein van hun
aanvoerder.
Eensklaps weerklonk een vreeselijk gebrul en een holle stem riep
donderend de woorden:
„Mapajawari joepoebombo toetoeroetoe”.
Het was Kenaime, die in den hollen schedel van zijn vader den aanval
blies. Alle Caraïben en Pawana’s sprongen op. De dronken Itioto’s
trachtten te vluchten, doch van alle kanten klonk het brullend en
hitsend: Sla dood, verworg, mik op den neus; geen genade; spaar
vrouwen, noch kinderen, noch grijsaards. En te midden van het
verschrikkelijke bloedbad toeterde Kenaime voortdurend in den schedel
van zijn vader.
Slechts enkele, ik geloof zes, Itioto’s ontsnapten, om de tijding der
nederlaag naar de verder gelegen dorpen over te brengen. Mapajawari was
gewroken. De overwinnaars sneden de hoofden der verslagen Itioto’s af
en hingen ze op aan de takken der omliggende boomen. In het midden
zetten zij den schedel van Mapajawari op een staak, opdat hij zou
kunnen oordeelen over de wraak van zijn zoon.
Zonder verdere ongevallen bereikten de strijders weder hunne dorpen,
waar zij met vreugde ontvangen werden. Feesten volgden elkander op.
Jonge meisjes bezongen hun moed en ouden van dagen prezen hun list.
En sedert dien tijd hebben de kannibalen zich nooit meer aan de
Coppename vertoond. [114]