Op een lange reis naar het land der steenen bijlen* kwam een groote
boot, geheel gevuld met Indianen, van een landingsplaats. Deze bevond
zich in het gebied van den vleermuizenstam, zoodat de oude man, die het
gezelschap leidde, zijn bende op het hart drukte, hunne hangmatten niet
tusschen de boomen op te hangen (zooals de Indianen in den drogen tijd
gewoon zijn te doen), omdat de vleermuizen er buitengewoon groot waren.
Hij ried den mannen daarom aan, een gesloten tijdelijke hut te bouwen,
dus een aan alle kanten gesloten banab*. Een der jongeren, die wat
vadsig was uitgevallen, had er geen lust in, de anderen met den bouw
van de schuilplaats te helpen. Hij beweerde, dat hij het niet geloofde,
dat de vleermuizen, al waren zij ook nog zoo groot, hem vóór het
aanbreken van den dag iets zouden doen. Tegen de redeneeringen van den
ouden man in, weigerde hij in de hut te kruipen, en nadat hij zijn
hangmat tusschen twee boomen had gehangen, bleef hij buiten slapen. Het
was reeds laat in den nacht, toen men binnen in de hut den buiten
gebleven tochtgenoot hoorde roepen en smeeken, binnen te mogen. Maar
zij antwoordden: „Neen, nu kunnen wij niet open doen. Je moet de
gevolgen van je weigering maar dragen!”
Toen zij nu des morgens buiten kwamen, zagen zij, dat er van hun
metgezel niets anders dan de beenderen was overgebleven. De vleermuizen
hadden hem inderdaad geheel droog gezogen. [111]