verteld door Chekilli, Keizer der Roven- en Beneden Creek-Indianen, te
Savannah in Georgia in het jaar 1735, in tegenwoordigheid van den
Gouverneur Oglethorpe, van Koning Antichi, Hoogste opperhoofd van de
stad der Cowetaws, van andere Koningen en van dertig krijgers.
Op zekeren dag opende de Aarde zich in het Westen, waar haar mond is.
De Aarde brak open en de Cussitaws traden uit haar mond te voorschijn
[115], en vestigden zich in de nabijheid. Maar de Aarde begon angstig
te worden en haar kinderen op te eten. Dientengevolge begaven de
Cussitaws zich westwaarts. Eenigen van hen keerden echter terug en
kwamen weder op de plaats, waar zij geweest waren, en zetten zich daar
neêr. De meesten bleven echter achter, daar zij zagen, dat het zoo het
beste was. Hunne kinderen werden echter door de Aarde opgegeten, zoodat
ook zij, geheel ontmoedigd, den kant uitgingen, waar de Zon uit de
Aarde opstijgt.
Op hun tocht kwamen zij aan een modderige, dicht begroeide, vuile
rivier, kampeerden er en bleven er één nacht over. Den volgenden dag
zetten zij hun reis voort en kwamen zij reeds den anderen dag aan een
roode, als bloed uitziende rivier. Zij bleven aan deze rivier en
leefden gedurende twee jaar van haar visschen; maar er waren daar lage
rivierstanden, wat hen niet beviel, en waarom zij er niet wilden
blijven. Zij gingen toen naar het einde van die bloedige rivier en
hoorden toen een geluid als van den donder. Zij begaven zich vervolgens
naar de plek, van waar het geluid kwam. In het eerst zagen zij een
rooden damp en daarna een berg, die donderde; en op dien berg hoorden
zij een geluid, alsof hij aan het zingen was. Zij zonden er toen
menschen heen, om te zien wat dat was; het bleek een groot vuur te
zijn, dat in de hoogte spoot en dat een zingend geluid maakte. Deze
berg noemden zij Koning der Bergen. Hij dondert nog tot op dezen dag en
de menschen zijn er bang voor.
Hier ontmoetten zij toen menschen van drie verschillende stammen. Zij
hadden iets genomen en gered van het vuur van den berg en op dezelfde
plaats leerden zij ook planten en vele andere dingen kennen.
Uit het Oosten kwam toen een wit vuur naar hen toe, dat zij echter niet
wilden gebruiken.
Van Wahalle kwam toen een vuur, dat blauw was; maar ook dit wilden zij
niet gebruiken.
Uit het Westen kwam daarna een vuur, dat zwart was; en ook dit beviel
hen niet.
Ten laatste kwam er een vuur uit het Noorden [116], dat rood en geel
was. Dit mengden zij met het vuur, dat zij van den berg hadden genomen
en dit is het vuur, dat zij nog dagelijks gebruiken; ook dit zingt
somtijds.
Op den berg was een paal, die voortdurend heen en weêr ging en een
geluid gaf; maar zij konden de manier niet vinden, om hem tot rust te
brengen. Ten slotte namen zij een moederloos kind en sloegen het tegen
den paal, totdat het dood was. Zij namen nu den paal op en steeds
dragen zij dien nog met zich, als zij ten strijde trekken. Deze paal
was gelijk een houten tomahawk*, die zij nu nog in den strijd gebruiken
en nog altijd van hetzelfde hout gemaakt wordt.
Zij vonden hier ook vier [117] planten of wortels, die voor hen hunne
deugden bezongen en openbaarden. Ten eerste: Pasaw, de
ratelslangwortel; ten tweede: Micoweanochaw, de roode wortel; ten
derde: Sowatchko, die als wilde venkel groeit en ten vierde:
Eschalapootchke, kleine tabak.
Deze planten, vooral de Ratelslangwortel en de Kleine Tabak, gebruiken
zij als de beste medicijn voor reinigingsdoeleinden op hunne púskita*.
Gedurende deze pustika vasten zij en brengen zij offers aan de eerste
vruchten.
Sedert zij de weldaden van deze planten leerden kennen, hebben hunne
vrouwen op bepaalde tijden een apart vuur en zonderen deze zich dan
voor de zuivering van de mannen af. Als zij dit nalaten, zal de kracht
der vier planten verloren gaan en zullen de vrouwen niet gezond
blijven.
In die tijden ontstond er nu een strijd over de vraag, wie de oudste
der stammen was en wie van hen alles regelen zou. Zij kwamen ten slotte
overeen, dat, daar zij tot vier stammen behoorden, zij vier palen
zouden planten en deze met een soort klei rood zouden kleuren, die
eerst geel is en door branden rood wordt. Zij zouden daarna ten strijde
trekken en de oudste zou die zijn, welke zijn paal met de scalpen der
vijanden het eerst van onderen tot boven zou hebben bedekt.
Allen probeerden het nu en de Cussitaws waren de eersten, die hun paal
bedekten en wel zóó dik, dat van het hout niets te zien was. Daarom
werden de Cussitaws door allen als de oudste stam beschouwd. Den
Chickasaws gelukte het, ook hun paal te bedekken en daarna ook den
Atilamas; maar de Obikaws konden hun paal slechts tot kniehoogte
bedekken.
In dien tijd leefde er nu een groote vogel, blauw van kleur, met een
lange staart en vlugger dan de arend. Deze vogel verscheen iederen dag
en doodde en at een van het Indianenvolk op. Daarom besloten zij, een
beeld te maken in den vorm eener vrouw, en dit zetten zij op den weg
van den vogel neêr. De vogel kwam terug, droeg het beeld weg, en
behield het langen tijd, tot hij het eindelijk terugbracht. Zij lieten
toen het beeld alleen, in de hoop, dat het iets zou voortbrengen. Na
langen tijd kwam er een roode rat [118] uit te voorschijn en daarom
gelooven zij, dat de vogel de vader van de rat is.
Er werd toen raad met de rat gehouden, ten einde te beslissen, hoe zij
haren vader zouden kunnen dooden. De vogel had boog en pijlen en er
werd besloten, dat de rat de boogpees zou doorknagen, zoodat de vogel
zich niet meer zou kunnen verdedigen. Zoo gezegd zoo gedaan, en het
volk kon toen den vogel dooden. Deze vogel noemen zij Koning der
vogels. Zij denken, dat ook de arend een koning is, en zij dragen
daarom zijn veeren, als zij ten strijde trekken of vrede sluiten.
Wanneer hun vijand met witte veeren en een witten mond nadert en als
een arend schreeuwt, mogen zij hem niet dooden.
Zij verlieten nu deze plaats en kwamen aan een wit voetpad. Het gras en
alles in het rond was wit, en zij waren vast overtuigd, dat hier
menschen moesten geweest zijn. Zij kruisten nu het pad en sliepen in de
nabijheid. Daarna keerden zij terug, om te zien welk soort pad en welk
volk het was, dat hier was geweest, daar zij geloofden, dat het voor
hen beter zou zijn, het pad te volgen. Zij volgden het pad en kwamen
aan een kreek, Coloosehutche genoemd (Coloose-kreek), omdat het hier
rotsachtig was en er dampen opstegen.
Zij kruisten het pad nu in de richting der zonopkomst en kwamen bij een
volk en aan een stad, Coosaw geheeten. Hier bleven zij vier jaar. De
Coosaws klaagden, dat een wild beest op hen aasde, dat zij menscheneter
noemden of leeuw [119] en dat het in een rotsspelonk verblijf hield. De
Cussitaws zeiden, dat zij het beest zouden zien te dooden. Zij groeven
een kuil en legden er een net van hickory-bast naast. Daarna bedekten
zij den kuil met kruislings er over heen gelegde takken, zoodat de
leeuw hen niet zou kunnen volgen; en, naar de plaats gaande, waar hij
zijn leger had, wierpen zij een tooverrammelaar in het hol. De leeuw
kwam toen in grooten angst te voorschijn en vervolgde hen door het
struikgewas heen. Zij vonden het toen beter, dat er een zou sterven en
namen daarom een moederloos kind en wierpen het voor het beest, toen
het nabij den kuil kwam. De leeuw besprong het slachtoffer en viel in
den kuil, waarover zij nu het net heenwierpen, en waarna zij het beest
met vlammend hout konden dooden. Zijn beenderen bewaren zij tot heden
toe; aan één zijde zijn zij rood, aan de andere blauw.
Daar de leeuw gewoon was, om de zeven dagen een uit het volk te dooden,
bleven zij, nadat zij het beest hadden gedood, nog zeven dagen op deze
plaats. Ter herinnering aan zijn dood vasten zij, wanneer zij zich tot
den oorlog voorbereiden, zes dagen lang [120] en trekken er den
zevenden dag op uit. Als zij de beenderen meenamen, zouden zij geluk
hebben.
Na vier jaar verlieten zij de Coosaws en kwamen zij aan een rivier, die
zij Nowhawpe noemen (nu Callisihutche). Zij bleven er twee jaar en daar
zij geen koren* hadden, leefden zij van wortels en visch; zij maakten
bogen, en pijlpunten vervaardigden zij van bevertanden en steen.
Gespleten riet gebruikten zij als messen.
Zij kwamen toen, steeds verder trekkend, aan een kreek, die zij
Wattoohawka- (Whooping-) kreek noemden, om het geschreeuw van
kraanvogels*, die daar in menigte waren. Hier sliepen zij één nacht.
Den volgenden dag bereikten zij een rivier, waarin een waterval was,
die zij Aphoosa pheeskaw noemden. Zij trokken de rivier over en kwamen
aan een hoogen berg, waar menschen woonden, die zij voor de makers van
het witte pad hielden. Zij maakten nu witte pijlen, waarmeê zij hen
beschoten, om te zien of het goede menschen waren. Maar het volk nam
hunne witte pijlen, verfde die rood en schoot op hen, om te zien of zij
goede menschen waren.
Toen zij deze aan hun Hoofdman toonden, zei deze, dat dit geen goed
teeken was; wanneer de pijlen, die zij terugschoten, wit waren geweest,
hadden zij er heen moeten gaan en eten aan hun kinderen moeten brengen;
maar nu zij rood waren, deden zij beter te vertrekken. Doch enkelen
hunner togen op weg, om te zien wat voor menschen zij waren. Zij vonden
er echter ledige hutten en zagen een spoor, dat naar de rivier leidde;
daar zij echter geen spoor aan de overzijde zagen, geloofden zij, dat
het volk in de rivier gegaan was en niet weêr te voorschijn zou komen.
Op deze plaats is een berg, Moterell geheeten, die een geluid maakt als
een trom [121]. Zij denken, dat het volk daar nu woont. Aan alle kanten
hooren zij het geluid, als zij ten strijde trekken.
Zij volgden de rivier, tot zij aan een waterval kwamen, waar zij hooge
rotsen zagen; en op de rotsen vonden zij bogen. Nu geloofden zij, dat
het volk, waarvan het witte pad afkomstig was, daar woonde.
Op hunne tochten hadden zij steeds twee verkenners, die zij vóór de
hoofdmacht vooruit lieten gaan. Deze verkenners bestegen een hoogen
berg en zagen van daar een stad. Zij schoten toen witte pijlen in de
stad, maar het volk schoot weêr roode terug.
Toen begonnen de Cussitaws angstig te worden en besloten zij de stad
aan te vallen, zoodat zij dan allen een woning zouden hebben, als zij
haar genomen zouden hebben.
Zij wierpen steenen in de rivier om haar te kunnen overgaan, namen de
stad, waarvan de bewoners platte hoofden hadden, en doodden allen op
twee na. Toen zij deze, die gevlucht waren, achtervolgden, troffen zij
een witten hond aan, die zij neêrsloegen. Daarna zetten zij de
vervolging voort, maar de vluchtelingen ontkwamen. Zij hadden toen een
wit pad bereikt, en zagen de rook van een stad. Nu dachten zij, het
volk gevonden te hebben, dat zij zoo lang gezocht hadden. Dit is de
plek, waar nu de stam der Palachucolas woont, van welke Tomochichi
[122] afkomstig is.
De Cussitaws naderden met bloedige voornemens, maar de Palachucolas
gaven hun zwarten drank, als een teeken van vriendschap en zeiden tot
hen: „Onze harten zijn wit, en de uwen moeten ook wit zijn en jelui
moeten de bloedige tomahawk* neêrleggen en je lichamen toonen als een
bewijs, dat zij altijd wit zullen zijn.” Maar niettemin bleven zij voor
den tomahawk gestemd; de Palachucolas wisten hen echter te overreden en
begroeven het wapen onder hun slaapplaatsen. De Palachucolas gaven hun
ook witte veeren en stelden hun voor, een gemeenschappelijk Hoofd te
kiezen.
Sedert dien tijd leven beide stammen eendrachtig samen. Één deel
vestigde zich aan de eene oever der rivier, een ander deel aan de
andere. De Indianen aan de eene oever zijn de Cussitaws, die aan de
andere de Cowetas. Zij vormen nu één volk, dat de voornaamste steden
der Boven- en Beneden Creek-Indianen bewoont [123].
Toch kunnen de Cussitaws, die eerst den rooden rook en het roode vuur
zagen en bloedige steden maakten, hun roode harten niet verlaten, die
echter nu aan de eene zijde wit, aan de andere zijde rood zijn.
Zij weten nu, dat het witte pad het beste is geweest. Want hoewel
Tomochichi een vreemdeling was, zien zij nu in, dat hij hen goed heeft
gedaan. Want hij kwam om den grooten Koning te zien met gouverneur
Oglethorpe en hem te hooren vertellen, en zij hadden geluisterd en
geloofden het verhaal.