Wij, Arowakken hebben in den strijd met de Kalienja’s het laatste woord
gehad. Eens was het, dat wij onze vijanden in een hinderlaag wisten te
lokken. Boven een waterval hadden wij drijvende boomstammen geplaatst,
waarachter een deel onzer strijders verborgen was, terwijl de overigen
zich langs den oever verscholen hadden.
Toen nu de Caraïben, na met veel moeite hunne booten langs den waterval
naar boven te hebben gesleept, de vaartuigen weêr te water lieten,
zagen zij opeens tot hunne verbazing boomstammen aandrijven, en wel met
zulk een geweld, dat de booten zonken. Woeste kreten weerklonken op
hetzelfde oogenblik van den oever, gevolgd door een hagelbui van
vergiftige pijlen. Wie niet getroffen werd, geraakte in den bruisenden
waterval.
Slechts een gewonde jongeling ontsnapte. Tot zijn stamgenooten
teruggekeerd, gaf hij hun den raad, den strijd op te geven. Den
volgenden dag trokken de overgebleven Caraïben met omhoog gehouden
pijlen den Arowakken tegemoet, en er werd vrede gesloten. En zoo
eindigde de laatste der Indiaansche broederoorlogen. [110]