Eertijds werden de negerslaven door de blanken gruwelijk mishandeld,
zoodat zij in menigte naar de bosschen vluchtten, waar zij de
bescherming inriepen van Konokokoeja*, de Geestmoeder der wouden. Deze
verhoorde hunne smeekbeden en kwam tot hen in de gedaante van een
Indiaanschen piaiman. „Ik zal u uit de handen der blanken redden,”
sprak zij, „maar gij moet mijne bevelen trouw opvolgen.”
De negers stemden toe. De geestenbezweerder piaaide toen den omtrek op
zoodanige wijze, dat er overal vergiftige pijlen te voorschijn kwamen,
die allen met hunne punten naar ééne richting toewezen. Vervolgens trok
zij naar de plantage Asati en bevrijdde veertig negers.
De blanken waren woedend. Onder commando van een kapitein zonden zij
soldaten, om de weggeloopen slaven te achterhalen, die echter door den
Piaiman veilig voorbij de vergiftigde pijlen waren geleid. Toen nu de
soldaten verschenen, trad deze te voorschijn en schoot met een
swaroedaroe* den kapitein dood.
Onder de blanken ontstond nu een hevige paniek. Zij vluchtten naar alle
richtingen; overal floten onzichtbare pijlen [108], door onzichtbare
strijders afgeschoten, door de lucht, waardoor vele soldaten gedood
werden.
De negers en hunne bondgenooten namen nu alles wat de blanken hadden
achtergelaten, mede, en daaronder bevond zich ook een groote pot.
Onmiddellijk togen piaiman en obiaman* nu gezamenlijk aan het werk en
bereidden uit de lichamen der gevallen blanken een obiapiaai* van zulk
een sterkte als nog nooit te voren was bereid. Met dit toovermiddel
vulden zij den pot, die vooraf met den naam Konoko-dakodwada* gedoopt
was.
Negers en Indianen trokken nu naar Saloewa, een arm der Mapanakreek, en
zetten daar den pot zóó neêr, dat de opening naar de monding der kreek
wees, zoodat al de tooverij den blanken zou toestroomen, wanneer zij
het zouden wagen, hier binnen te dringen.
Het gebeurde werkelijk zoo, want toen de blanken, vol woede over den
dood hunner kameraden, de kreek wilden opvaren, werden hunne oogen
verduisterd door het toovermiddel, zoodat zij de monding van het
kreekje niet konden zien.
Konokokoeja leidde daarop de negers naar Pramaka, waar de blanken hen
nimmer hebben kunnen bereiken, maar alvorens zich weêr in het bosch
terug te trekken, zei de Geestmoeder der wouden tot de Indianen, die de
slaven zoo goed geholpen hadden: „Alle menschen, die in huizen wonen,
van den Gouverneur tot den laagsten neger, zijn slaven. Alleen zij, die
in kampen in het woud en op de savanne* wonen, zijn vrije,
onafhankelijke menschen.” [109]
Dit is de reden, waarom de Indianen nimmer huizen hebben gebouwd, maar
zich met eenvoudige hutten vergenoegen.