NO. 44. DE LEGENDE VAN POST SOMMELSDIJK.

Eertijds werden de negerslaven door de blanken gruwelijk mishandeld,

zoodat zij in menigte naar de bosschen vluchtten, waar zij de

bescherming inriepen van Konokokoeja*, de Geestmoeder der wouden. Deze

verhoorde hunne smeekbeden en kwam tot hen in de gedaante van een

Indiaanschen piaiman. „Ik zal u uit de handen der blanken redden,”

sprak zij, „maar gij moet mijne bevelen trouw opvolgen.”

De negers stemden toe. De geestenbezweerder piaaide toen den omtrek op

zoodanige wijze, dat er overal vergiftige pijlen te voorschijn kwamen,

die allen met hunne punten naar ééne richting toewezen. Vervolgens trok

zij naar de plantage Asati en bevrijdde veertig negers.

De blanken waren woedend. Onder commando van een kapitein zonden zij

soldaten, om de weggeloopen slaven te achterhalen, die echter door den

Piaiman veilig voorbij de vergiftigde pijlen waren geleid. Toen nu de

soldaten verschenen, trad deze te voorschijn en schoot met een

swaroedaroe* den kapitein dood.

Onder de blanken ontstond nu een hevige paniek. Zij vluchtten naar alle

richtingen; overal floten onzichtbare pijlen [108], door onzichtbare

strijders afgeschoten, door de lucht, waardoor vele soldaten gedood

werden.

De negers en hunne bondgenooten namen nu alles wat de blanken hadden

achtergelaten, mede, en daaronder bevond zich ook een groote pot.

Onmiddellijk togen piaiman en obiaman* nu gezamenlijk aan het werk en

bereidden uit de lichamen der gevallen blanken een obiapiaai* van zulk

een sterkte als nog nooit te voren was bereid. Met dit toovermiddel

vulden zij den pot, die vooraf met den naam Konoko-dakodwada* gedoopt

was.

Negers en Indianen trokken nu naar Saloewa, een arm der Mapanakreek, en

zetten daar den pot zóó neêr, dat de opening naar de monding der kreek

wees, zoodat al de tooverij den blanken zou toestroomen, wanneer zij

het zouden wagen, hier binnen te dringen.

Het gebeurde werkelijk zoo, want toen de blanken, vol woede over den

dood hunner kameraden, de kreek wilden opvaren, werden hunne oogen

verduisterd door het toovermiddel, zoodat zij de monding van het

kreekje niet konden zien.

Konokokoeja leidde daarop de negers naar Pramaka, waar de blanken hen

nimmer hebben kunnen bereiken, maar alvorens zich weêr in het bosch

terug te trekken, zei de Geestmoeder der wouden tot de Indianen, die de

slaven zoo goed geholpen hadden: „Alle menschen, die in huizen wonen,

van den Gouverneur tot den laagsten neger, zijn slaven. Alleen zij, die

in kampen in het woud en op de savanne* wonen, zijn vrije,

onafhankelijke menschen.” [109]

Dit is de reden, waarom de Indianen nimmer huizen hebben gebouwd, maar

zich met eenvoudige hutten vergenoegen.

Mythen en sagen uit West-Indië · 第 53 / 174 题