NO. 43. LEGENDE VAN PARAMARIBO.

Penalo ame weipiompo. Eertijds, voor nog de grootvader van mijn

grootmoeder geboren was, werden de oevers der Suriname-rivier door

talrijke Caraïben bewoond, die gelukkig en tevreden met elkander

leefden tot op een goeden dag een schip de rivier binnenzeilde en het

anker liet vallen vóór de plaats, waar thans het fort Zeelandia staat.

De kapitein kwam aan wal en werd vriendelijk door de Indianen

ontvangen. „Ik ben door mijn Koning gezonden”, zei hij, „om U in zijn

naam om dit land te verzoeken”. „Neen”, antwoordde de hoofdman, „laat

hem zelf komen, want wij onderhandelen niet met ondergeschikten”.

Wat de kapitein ook deed, het Indiaansche opperhoofd liet zich niet

bepraten. Hij vertrok dan ook en keerde na eenigen tijd met den koning

terug. Deze begon niet terstond met de Indianen te onderhandelen, doch

liet hen eerst flink drinken. Toen allen dan ook smoordronken waren,

vroeg hij hun: „geef mij dit land ten geschenke”. En zij antwoordden:

„Neem het vriend, maar geef ons drank”.

Toen de Roodhuiden, na hun roes te hebben uitgeslapen, beseften, wat ze

hadden gedaan, kregen zij berouw. Maar het was te laat, het eenmaal

gegeven woord mocht niet verbroken worden.

De koning bouwde nu een huis naast de plaats, waar thans de

Sommelsdijksche kreek, die bij de Caraïben Paramoeloe heet, in de

Suriname-rivier uitloopt. Later kwamen er meer blanken en zoo ontstond

de stad Paramaribo. [107]

Mythen en sagen uit West-Indië · 第 52 / 174 题