NO. 42. BEZOEK VAN CARAÏBEN AAN MACOESILAND. (C.)

In oude tijden kwamen de Indianen veel talrijker voor dan thans. Zij

leefden tevens gelukkiger, want er was overvloed van wild, terwijl het

in de rivieren en kreken krioelde van visschen.

Van de Indianenstammen, met welke de Caraïben in die tijden in

betrekking stonden, werden vooral de Macoesi’s als goede vrienden

beschouwd. Deze stam woonde ver over de Corantijn naar den kant der

Orinoco.

Om hun land te bereiken, moesten de Caraïben van Suriname weken lang

reizen en allerlei gevaren doorstaan. Dit hield de treklustigen niet

terug, en toen nu eens een aantal Macoesi’s een Surinaamsch

Caraïben-dorp hadden bezocht, besloten een twintigtal Kalienja’s* aan

Macoesiland een tegenbezoek te brengen.

De piaiman riep den Dubbelgeest op en deze voorspelde, dat de tocht

goed zou afloopen. Vroolijk vertrokken onze jongelieden dan ook en na

een voorspoedige reis bereikten zij de plaats hunner bestemming.

Zij vonden daar alles in rep en roer, daar Kenaima’s* zich in den

omtrek vertoond hadden.

De Macoesi’s ontvingen hunne vrienden met open armen en stonden hun

zelfs de beste en grootste hut van het dorp af. Zij waarschuwden hen

echter niet te gaan slapen, daar het zou kunnen gebeuren, dat de

Kenaima’s nog dien zelfden nacht een aanval op het dorp zouden doen.

Maar de Caraïben, vermoeid van hun langen tocht, hadden rust noodig en

de piaiman gelastte, dat, terwijl tien man sliepen, de overigen zouden

waken. Daartoe moesten zij langwerpige kijkgaten in de wanden der hut

maken.

Om negen uur des avonds verschenen werkelijk de Kenaima’s [105].

Onhoorbaar als slangen kropen ze over den grond. Het gelukte hen echter

niet, de Kalienja’s te verrassen. Integendeel, toen zij de hut genaderd

waren, werden zij van uit de kijkgaten door een hagelbui van pijlen

begroet, zoodat zij genoodzaakt waren, zich in allerijl in het bosch

terug te trekken. De Caraïben achtervolgden hen en slaagden er in,

velen te dooden.

De piaiman, die onmiddellijk geraadpleegd werd, vond evenwel, dat, hoe

goede vrienden de Macoesi’s ook waren, hun land veel te gevaarlijk voor

een Kalienja was, zoodat tot den terugtocht besloten werd.

Maar nauwelijks op weg, bleek het, dat de Kalienja’s door talrijke

Kenaima’s achtervolgd werden. De piaiman gelastte onmiddellijk, dat

allen zouden beginnen te zingen, te lachen en pijlen af te schieten, om

de vervolgers in den waan te brengen, dat zij met een groot leger te

doen hadden. Deze list gelukte uitstekend en zingende en lachende

bereikten de Kalienja’s de Corantijn. Toen eerst konden zij uitrusten,

want de Kenaima’s waren niet in staat—waarom weet men niet—de Corantijn

over te steken [106], en nu nog, zoo besluit de legende, kunnen deze

Kenaima’s het hollandsche grondgebied niet binnendringen, omdat allen

ongedoopte heidenen zijn!

Mythen en sagen uit West-Indië · 第 51 / 174 题