Penalo ame weipiompo. Eertijds, voor nog mijn grootvader geboren was
enz. was een Roodhuid bezig, boomen om te hakken, teneinde een
kostgrond aan te leggen. Het werk vermoeide hem, zoodat het zweet hem
langs het lichaam liep, en de mooie roode koesoewe*, waarmede hij zich
had ingesmeerd, geheel werd weggewasschen. Hij zuchtte luide en
verwenschte zijn ongelukkig lot. Doch ziet, als uit de lucht verschenen
twee mannen, die hem medelijdend aanzagen. „Waarom zucht gij zoo”,
vroegen zij hem. „Ach”, luidde het antwoord, „ziet gij niet, hoe hard
ik moet werken? En als ik des nachts wil uitrusten, gonzen de muskieten
mij om de ooren; ik ben de ongelukkigste Indiaan van mijn stam.”
„Wel”, zeiden de vreemdelingen, „we zijn met uw lot begaan, kom met ons
meê; want we zijn juist op weg naar een plaats, waar niemand behoeft te
werken.”
De Roodhuid stemde toe en vertrok met zijn beide geleiders. Maanden
duurde de reis. Vele gevaren hadden zij te overwinnen, maar eindelijk
stonden de drie reizigers voor een groote poort. Zij klopten aan. „Wie
daar?” klonk het van binnen. „Roodhuiden, goede menschen, zonder
toelala.” [104]
De poort werd ontsloten door een grooten, krachtigen Pater, die de
Indianen welkom heette in het paradijs der Blanken.
De drie Roodhuiden traden schoorvoetend binnen en keken om zich heen.
Voor zoover het oog reikte, zagen zij niets dan zwartgerokte Priesters,
die hen toeriepen, dat elke Indiaan maar één vrouw mocht hebben, en dat
er geen jenever, brandewijn enz. te drinken viel.
Zij werden gedoopt en herdoopt. Eindelijk bereikten zij den zetel van
den Tamoesi der Blanken. Hij was zóó oud als de Roodhuiden nog nooit
een mensch hadden gezien. Een lange, witte baard hing tot aan zijn
voeten, maar Zijn hoofd was kaal. Hij zat op een soort van hobbelstoel,
prachtig versierd met tijger-, boa- en stinkvogelkoppen. Aan Zijn zijde
lag een groot kruisbeeld. Zijn lichaam was gehuld in een langen rok,
zooals de Paters ze thans dragen.
De Indianen traden eerbiedig nader. Tamoesi glimlachte en zei: „Welkom,
mijne roode kinderen, gij zijt zeker vermoeid van den langen tocht,
laten we ververschingen gaan gebruiken”. Hij stond op en den Roodhuiden
bij de hand nemende, leidde Hij hen rond in het Paradijs. Overal langs
de straten waren prachtige kerken, waar den geheelen dag psalmen werden
gezongen. Slechts hier en daar liep een blanke met zijn vrouw. Toch was
hun aantal zeer gering, in aanmerking genomen de ontelbare Paters, die
overal, waar Tamoesi zich vertoonde, voor Hem nederknielden.
Tusschen de kerken in zagen de Indianen eenige herbergen, waar
limonade, sodawater, kassiri enz. gratis werd geschonken aan een ieder,
die er om vroeg. Een dezer plaatsen traden zij binnen, en toen zij er
weêr uitkwamen glommen hunne aangezichten van genoegen. Vol vreugde
zeiden zij tot Tamoesi: „Wij willen altijd bij U blijven”.
Zij gingen verder. Langs den weg lagen eenige Indianen te slapen. De
Roodhuiden knikten elkander veelbeteekenend toe, doch zwegen. Zij
kwamen vervolgens bij plaatsen, waar visschen van zelf uit de
masoewa’s* aan de barbakot gingen hangen. Pijlen, door niemand
afgeschoten, snorden door de lucht en troffen wegvluchtende Tapirs en
Agoeti’s, die, na hun eigen vleesch in stukken te hebben gesneden, zich
zelf kookten en roosterden. Enkele Indiaansche vrouwen lagen naast de
matapi’s*, maar de cassave-wortels schrapten zich zelf, persten zich
zelf uit, en sprongen dan in de pannen, om gebakken te worden.
De Indianen waren verrukt; en dat vooral, toen Tamoesi aan elk een
mooie vrouw schonk, en hij op staanden voet een huwelijk voltrok. Af en
toe gingen zij herbergen binnen; en elken keer kwamen zij er vroolijk
weêr uit. Eindelijk begon een der Roodhuiden met onvaste schreden te
loopen, daarbij onbetamelijke liedjes zingende en probeerende, Tamoesi
op heel familiare wijze te omhelzen.
Tamoesi keek den slingerenden Indiaan achterdochtig aan. Maar, toen bij
den tweeden en derden zich dezelfde verschijnselen begonnen te
vertoonen, begreep hij alles. Bulderend riep hij uit: „Dronken Indianen
in het Paradijs; dat is iets ongehoords.” En de Roodhuiden, die zoo
zalig langs den weg lagen uit te rusten, sliepen inderdaad hun roes
uit!
Alle Indianen in het Paradijs verzamelden zich nu om Tamoesi. Zij
verzekerden Hem, dat het niet hun schuld was, maar dat de Blanken hen
den drank hadden geschonken. „Dat is niet waar”, zei Hij, „want nog
nooit heb Ik hier in den hemel een dronken Pater of Blanke gezien”.
Tamoesi gaf nu bevel, alle sodawater, limonade, kassiri enz. bij Hem te
brengen. Van alles dronk hij een kalebas vol, maar, daar Hij geen
verstand van zulke dingen had, verklaarde Hij, dat alles in orde was,
en dat de ververschingen zeer goed smaakten! En toch, zoowel het
sodawater als de limonade en de kassiri waren even rijk aan alkohol als
zuivere jenever. Geen wonder dan ook, dat de Roodhuiden zich bedronken;
de verleiding was te groot voor hen. De Priesters en andere Blanken
dronken met mate, zoodat zij nooit dronken werden.
Tamoesi gebood daarom den Roodhuiden, dat zij onmiddellijk den Hemel
moesten verlaten. Alle Caraïben, Arowakken, Warrau’s enz. vertrokken,
en aan de poort riep Tamoesi hen nog na: „Door uw dronkenschap hebt gij
het Paradijs verloren; thans zult ge werken en het zweet, dat uit uw
lichaam stroomt, zal wegwasschen de koesoewé*, waarmeê ge u besmet.
Maar, als ge niet meer drinkt, zal de poort weêr voor u geopend
worden.”
Alle Indianen keerden nu ontmoedigd tot hunne stamgenooten terug, aan
wien zij hunne ondervinding vertelden, en menigmaal verschijnt in hun
droom het Paradijs der Priesters en Blanken aan de verrukte blikken van
den Roodhuid, vooral als hij bezig is boomen te kappen en het werk zoo
nu en dan door een dutje onderbreekt. Bij zijn ontwaken zucht hij dan
luide. Maar niemand verschijnt weêr, om hem den weg te wijzen naar het
voor hem onbereikbare Paradijs. En klagend neemt hij weêr zijn bijl op
en hakt woedend in den stam der omliggende boomen, totdat het zweet hem
uit de poriën vloeit en de koesoewé, waarmeê hij zijn lichaam insmeert,
wegwascht, zooals Tamoesi voorspeld had.