NO. 40. UITDRIJVEN VAN EEN PRIESTER UIT DEN INDIAANSCHEN HEMEL.

Penalo ame weipiompo. Eertijds enz. voor nog de grootvader van mijn

grootmoeder geboren was, werden de oevers der Boven-Marowijne door

talrijke Indianen bewoond. Maar hun aantal slonk bij den dag, wijl zij

veel te lijden hadden van allerlei booze geesten, die zich niet door

piaien lieten verdrijven. Vele Roodhuiden verlieten dan ook de behekste

streken, ten einde zich te begeven naar Mazwano, een plaats, die zij

reeds menigmaal in hunne droomen hadden bezocht. Ontelbare Roodhuiden

woonden daar in kampen, die elken morgen schitterend verlicht werden

door de morgenzon.

In het midden stond het wonderkamp van Tamoesi*. De grond was wit als

het glinsterende witte kwartszand der savanne. Wit was ook de kleur van

de wateren, die door dit aardsche Paradijs vloeiden.

De Indiaansche God zag er geweldig uit. Zijn huid had, zooals van zelf

spreekt, een roode kleur. Hij was versierd met vederen, franjes en

kralen. In zijn hand hield Hij een ongehoord groote malaka*, waarin

zich de geesten bevonden van alle wezens; de steel was als een Boa

bewerkt.

Wanneer Tamoesi aan het piaien was, kon het geluid dagreizen ver

gehoord worden. Priesters en andere Booze Geesten vluchtten dan ijlings

naar de duistere wateren, zoodat de omtrek der Mazwano steeds rein en

wit bleef. Daar toch heerschte slechts gelukzaligheid. Men dronk en

danste er den geheelen dag. Overal liepen beeldschoone vrouwen den

mannen achterna. Ziekten en sterfgevallen kwamen er nooit voor, terwijl

Tamoesi van tijd tot tijd nederdaalde, ten einde met zijn geliefde,

roode kinderen feest te vieren. Geen wonder, dat de Indianen, die na

het doorstaan van vele duistere gevaren dit lustoord wisten te

bereiken, geen lust gevoelden tot hun familie terug te keeren.

Door de piaimannen werd het losbreken der Booze Geesten toegeschreven

aan een Pater, aan wien het gelukt was, vele Indianen tot het

Christendom te bekeeren. En, zeiden zij, zoo dit niet ophield, zou de

Marowijne geheel ontvolkt worden, wijl alle Indianen zich naar het

Paradijs zouden begeven.

De Priester, die van zijn volgelingen vernomen had, wat de Roodhuiden

tot de Mazwano aantrok, besloot een bezoek aan de plaats te brengen.

Zulk een stoutmoedig plan verbaasde den Indianen ten zeerste. Ga niet,

waarschuwden zij, want Paters worden niet in de Mazwano toegelaten. De

Priester luisterde echter niet, doch vertrok, vergezeld van eenige

zijner bekeerlingen, in een boot. De reis duurde drie weken.

De piaimannen in de Mazwano waren door den Dubbelgeest in kennis

gesteld, dat er gevaar naderde in den vorm van een Pater. Tamoesi was

juist afwezig, en men besloot eens te probeeren, den stoutmoedige

zedenprediker te bekeeren tot een piaiman. Alle slangenpriesters togen

aan het werk. Zij piaiden de wateren, zoodat het vaartuig met groote

snelheid naar de Mazwano werd aangetrokken. Nauwelijks hadden echter de

Priester en zijn volgelingen voet aan wal gezet, of de wateren liepen

terug, het vaartuig met zich sleurende.

In het Paradijs der Roodhuiden werd lustig feestgevierd. De lucht

daverde van het geroffel der samboela’s* en het eentonig geluid der

kwama’s*. Het aantal vrouwen was zóó groot, dat de Indianen, die in

hunne hangmatten lagen, slechts de hand behoefden uit te strekken, om

een wonderschoon meisje te grijpen. Niemand voelde ooit honger, doch

slechts een voortdurenden dorst naar paiwarri*.

Bij het aanschouwen van dit, in zijn oogen zoo vreeselijk Paradijs, kon

de Priester niet nalaten een zucht te slaken. De piaimannen lieten hem

evenwel geen tijd tot bedenken. „Welkom vriend, in de Mazwano”, riepen

zij hem toe, „gij zult hier een heerlijk leventje hebben”.

Verscheidene beeldschoone meisjes naderden thans met kalebassen vol

drank. De Priester weigerde echter. „Wat”, riepen de piaimannen uit,

„drinkt gij niet?” „Ja”, antwoordde de Pater, „maar slechts met mate”.

„Danst gij?” „Neen”. „Hebt gij geen vrouwen?” „O! Neen”.

„Dan”, schreeuwden de piaimannen gebelgd, „moet gij nog de genoegens

van het leven leeren kennen”. Zij wierpen zich nu op den weerloozen

Pater, rukten hem de kleeren van het lijf, besmeerden zijn leelijk, wit

lichaam met mooie, roode koesoewé*, trokken hem een kamisa* aan en

versierden hem met vederen, koralen en franjes. Toen werden hem opnieuw

kalebassen met drank aangeboden.

„Drink”, riepen de piaimannen. De Priester weigerde echter, doch toen

hij de dreigende aangezichten en de opgeheven apoetoe’s* om zich heen

zag, dronk hij achtereenvolgens drie kalebassen leeg. „Braak”, werd hem

toegebulderd. En hij braakte, waarna hem wederom drank werd aangeboden.

Toen moest hij dansen en zingen, totdat hij van uitputting neêrviel en

in een hangmat werd gelegd, om zijn roes uit te slapen.

Toen hij den volgenden morgen wakker werd, voelde de Pater iets naast

zich in de hangmat. Hij keek en daar lag een beeldschoon Indiaansch

meisje. Vlug (volgens de verteller uiterst vlug) sprong hij op en wilde

hij wegvluchten. Maar de piaimannen grepen hem aan, en riepen hem toe:

„Nu kent gij de genoegens van het Paradijs; wilt gij hier blijven?”

„Neen”, antwoordde de Pater.

Weder togen nu de piaimannen aan het werk; de wateren stroomden nu

opwaarts en brachten de boot van den Pater met zich mede. Maar toen de

Priester instapte, zag hij slechts één zijner volgelingen, een blanke,

aan het roer staan. De overigen, alle Roodhuiden, waren voor de

verleiding bezweken en hadden zich voor goed in de Mazwano gevestigd.

Weder keerde nu de koers van het water. Het vaartuig schoot

stroomafwaarts, en eerst na een langen vermoeienden tocht gelukte het

beide mannen het dorp der bevriende Indianen aan de Marowijne te

bereiken.

Eenige vrouwen waren er juist bezig, cassave-brood te bakken, toen een

harer toevallig opkeek en een gil van ontzetting slaakte. „In de verte

komen witte Indianen”, riep zij. Allen vluchtten dadelijk in de hutten,

waar zij door de paloeloe*-bedekking heen naar de komenden gluurden.

De mannen van het dorp liepen hen echter tegemoet, en den Pater

herkennende, riepen zij uit: „Wij hebben U wel gewaarschuwd, niet naar

de Mazwano te gaan; maar gij hebt ons niet willen gelooven”.

„Gij hebt gelijk”, antwoordde de Priester, en hij vertelde alles wat

hem daar was overkomen; toen hij eindelijk was gekomen aan het

Indiaansche meisje, dat hij bij zijn ontwaken in de hangmat gevonden

had, barstten zij allen in een schaterlach uit. Hun verstand ging het

te boven, dat iemand zoo iets kon weigeren.

De verteller begreep echter zeer goed, dat in een dergelijk Paradijs de

Paters, die juist matigheid en kuischheid prediken, niet kunnen geduld

worden.

Mythen en sagen uit West-Indië · 第 49 / 174 题