NO. 39. DE LEGENDE VAN ARIMORIBO EN JOROBODIE. (C.)

Lang geleden, voor nog Paramaribo was gesticht [90], bevond zich ter

plaatse, waar nu het Fort Zeelandia ligt, de hoofdplaats der Arowakken

[91]. Een zekere Arimoribo was hun opperhoofd; hij woonde op de plaats

van het tegenwoordige Gouvernementshuis. Een in de nabijheid in de

Suriname-rivier mondende kreek werd Parimoribo genoemd (d.i. kreek van

Arimoribo [92]).

Het ontbrak Arimoribo niet aan krijgsvolk. Op zijn wenk greep heel de

stam naar de wapenen. Dit mocht echter niet gebeuren, wanneer niet de

piaiman was geraadpleegd en de beschermgeesten goed gestemd schenen.

Tijdens een groot feest nu begon onder de bedwelming der feestvreugde

de gebruikelijke schildwacht, een op een staak gestoken houten raaf

[93], eensklaps te weeklagen, welk onheilspellend teeken de vreugde

voor een onbeschrijfelijk misbaar deed plaats maken. Allen sprongen op

en ziet .... op de rivier naderden schepen met zeilen van ongekende

grootte. Zulke dingen hadden de Indianen nog nooit gezien. Meer

verbaasd dan bevreesd vroegen zij zich af, wat voor wezens dat wel

konden zijn, die met zulke reusachtige vleugels zich over het water

heen bewogen. Het moesten reusachtige vleermuizen zijn, besloten ten

slotte de wijzen onder hen. Maar die vleermuizen naderden en spoedig

bleek het, dat zij soldaten en ook vuurwapenen met zich meevoerden.

Voor de eerste maal maakten de Indianen met blanke menschen kennis.

Het sprak van zelf, dat de piaimannen onmiddellijk aan het werk gingen,

want er was immers geen krachtiger middel van tegenweer dan de

piai-kunst. Vóór alles moest deze worden aangewend; en zóó krachtig

slaagde deze, dat drie schepen tot zinken werden gebracht. Hoewel de

Indianen ook van hun pijlen gebruik maakten, moesten zij zich, toen hun

voorraad verschoten was, in de bosschen terugtrekken. Van dien tijd

dagteekent het, dat de Indianen zich in onderaardsche woningen gingen

verschuilen, zooals er nog heden ten dage te Onoribo en Topibo aan de

Para [94] bestaan. Deze woningen bestonden echter reeds in oude tijden,

toen de vaderen hunner vaderen het land bewoonden [95] en de seizoenen

niet waren zooals zij thans zijn [96]. Want telkens als de droge tijd

intrad, heerschte er een zóó ontzettende koude over de wereld, dat

iedereen er van bibberde en de voorvaderen der Arowakken zich

genoodzaakt zagen, bedoelde holen te graven, teneinde zich tegen de

koude te beschermen [97]. Wat kwamen deze nu aan het nageslacht als

kostbare schuilplaatsen te stade!

Omtrent dezen tijd werd de zoo beroemde Jorobodie geboren, een Arowak,

die zich zou onderscheiden door zijn onverzoenlijken haat tegen de

blanken, en wiens beeltenis, zooals zijn nazaten beweren, nog boven het

Gouvernementshuis in Paramaribo [98] prijkt.

Jorobodie was een dracht van niet meer dan drie weken, die zich

wonderbaarlijk snel ontwikkelde, en wiens optreden algemeen ontzag

inboezemde. Hij toog ten strijde tegen de blanken, die niets tegen hem

vermochten, en versloeg hen. Geen vuur deerde hem, geen staal trof hem,

geen gewicht was zwaar genoeg, om hem te doen zinken. Alle banden

werden door hem verbroken en toen de blanken hem eindelijk in een vat

hadden gesloten, en hem aan het water hadden prijsgegeven, deed hij een

tijger tot zich naderen, stak hem door een gaatje zijn staart toe en

zoo werd hij overal heengesleept, waar hij maar wilde. Nooit werd een

zonderlinger vaartuig door zulk een dier, en nog wel onbeteugeld,

voortgetrokken.

Zooals het mannen betaamt, wien men een buitengewone roeping toedicht,

was ook Jorobodie in ieder opzicht een wonder van kracht en slimheid

[99]. Zijn voedsel bestond uitsluitend uit krabben, en dit sober

voedsel maakte hem tot den man van kracht, den trots zijner natie. Wee!

den Caraïb, die hem aandurfde! Wie slechts de hand uitstak, was een man

des doods! Zijn groote verdienste voor de Arowakken bestond echter

hierin, dat hij de schrik der blanken was. Deze toch waren toenmaals

hunne grootste vijanden [100], die hen niet alleen tot slaven maakten,

maar hen ook naar zee voerden, waar zij, na met teer bestreken te zijn,

levend verbrand werden.

Maar deze wreedheden zouden niet ongewroken blijven. Tot nu toe hadden

de Indianen steeds een rustige zee gekend. De booten voeren zonder

roeiriemen of parels* door eigen kracht op zee en rivier. De Boa

constrictor* diende als ankertouw en loopplank tevens. Zelfs meerde

deze de boot aan strand en oever vast.

Dit alles hield echter op, toen de menschen slecht werden. Geen kwaad

toch kan ongestraft blijven. Toen bijv. eens een Indiaan van den

kapitein een boot had geleend en deze niet terug bracht, werd hij

gestraft. Hij veranderde n.l. in een duizendpoot*, en werd vader van

die millioenen veelbeenige stekelige dieren, die nu door iedereen

zoozeer gevreesd worden.

Op hetzelfde oogenblik veranderde alles in de natuur. Tot nu toe hadden

de rivieren, evenals de zee, onveranderlijke stroomingen. Eb en vloed

kende men te voren niet. Nadat de ongehoorzaamheid in de wereld was

gekomen, kwam er eb en vloed; de bruisende baren kwamen opzetten,

waartegen de booten niet langer bestand waren.

De vaartuigen moesten verbeterd worden en het varen vorderde voortaan

stuurmanskunst. De toestanden waren dus sedert Jorobodie’s leven wel

heel erg veranderd. Nochthans waarborgden verschillende onthoudingen

[101] de Indianen voor verdere onheilen. Wanneer zij bijv. maar

zorgden, op zee niet den naam te noemen der dingen, wier daarin

huizende geest zij hadden te vreezen, zouden zij steeds voor stormweer

gevrijwaard blijven. Het woord „krab” mocht o.a. volstrekt niet genoemd

worden, want anders zou de Geest opeens duizenden krabben uitbraken.

Het ergste van alles voor de Indianen was wel, dat die ellendige

blanken zich aan dit alles niet storen wilden, zoodat zij het laatste

overblijfsel van den gelukstaat verloren deden gaan. Welk een schat was

voor hen in die omstandigheden een man van zulk een overwicht als

Jorobodie was!

Maar helaas! hij kwam ten val en wel door een vrouw, die hij geschaakt

had [102] en waardoor hij den haat zijner natie op den hals haalde. Het

aannemen van een spin, hem door zijn vrouw aangeboden, richtte

Jorobodie ten gronde, want nauwelijks had hij deze met de woorden „zoek

uwen weg”, door haar uitgesproken, aangenomen of Jorobodie was niet

meer.

De held was gevallen [103].

Mythen en sagen uit West-Indië · 第 48 / 174 题