Lang geleden, voor nog Paramaribo was gesticht [90], bevond zich ter
plaatse, waar nu het Fort Zeelandia ligt, de hoofdplaats der Arowakken
[91]. Een zekere Arimoribo was hun opperhoofd; hij woonde op de plaats
van het tegenwoordige Gouvernementshuis. Een in de nabijheid in de
Suriname-rivier mondende kreek werd Parimoribo genoemd (d.i. kreek van
Arimoribo [92]).
Het ontbrak Arimoribo niet aan krijgsvolk. Op zijn wenk greep heel de
stam naar de wapenen. Dit mocht echter niet gebeuren, wanneer niet de
piaiman was geraadpleegd en de beschermgeesten goed gestemd schenen.
Tijdens een groot feest nu begon onder de bedwelming der feestvreugde
de gebruikelijke schildwacht, een op een staak gestoken houten raaf
[93], eensklaps te weeklagen, welk onheilspellend teeken de vreugde
voor een onbeschrijfelijk misbaar deed plaats maken. Allen sprongen op
en ziet .... op de rivier naderden schepen met zeilen van ongekende
grootte. Zulke dingen hadden de Indianen nog nooit gezien. Meer
verbaasd dan bevreesd vroegen zij zich af, wat voor wezens dat wel
konden zijn, die met zulke reusachtige vleugels zich over het water
heen bewogen. Het moesten reusachtige vleermuizen zijn, besloten ten
slotte de wijzen onder hen. Maar die vleermuizen naderden en spoedig
bleek het, dat zij soldaten en ook vuurwapenen met zich meevoerden.
Voor de eerste maal maakten de Indianen met blanke menschen kennis.
Het sprak van zelf, dat de piaimannen onmiddellijk aan het werk gingen,
want er was immers geen krachtiger middel van tegenweer dan de
piai-kunst. Vóór alles moest deze worden aangewend; en zóó krachtig
slaagde deze, dat drie schepen tot zinken werden gebracht. Hoewel de
Indianen ook van hun pijlen gebruik maakten, moesten zij zich, toen hun
voorraad verschoten was, in de bosschen terugtrekken. Van dien tijd
dagteekent het, dat de Indianen zich in onderaardsche woningen gingen
verschuilen, zooals er nog heden ten dage te Onoribo en Topibo aan de
Para [94] bestaan. Deze woningen bestonden echter reeds in oude tijden,
toen de vaderen hunner vaderen het land bewoonden [95] en de seizoenen
niet waren zooals zij thans zijn [96]. Want telkens als de droge tijd
intrad, heerschte er een zóó ontzettende koude over de wereld, dat
iedereen er van bibberde en de voorvaderen der Arowakken zich
genoodzaakt zagen, bedoelde holen te graven, teneinde zich tegen de
koude te beschermen [97]. Wat kwamen deze nu aan het nageslacht als
kostbare schuilplaatsen te stade!
Omtrent dezen tijd werd de zoo beroemde Jorobodie geboren, een Arowak,
die zich zou onderscheiden door zijn onverzoenlijken haat tegen de
blanken, en wiens beeltenis, zooals zijn nazaten beweren, nog boven het
Gouvernementshuis in Paramaribo [98] prijkt.
Jorobodie was een dracht van niet meer dan drie weken, die zich
wonderbaarlijk snel ontwikkelde, en wiens optreden algemeen ontzag
inboezemde. Hij toog ten strijde tegen de blanken, die niets tegen hem
vermochten, en versloeg hen. Geen vuur deerde hem, geen staal trof hem,
geen gewicht was zwaar genoeg, om hem te doen zinken. Alle banden
werden door hem verbroken en toen de blanken hem eindelijk in een vat
hadden gesloten, en hem aan het water hadden prijsgegeven, deed hij een
tijger tot zich naderen, stak hem door een gaatje zijn staart toe en
zoo werd hij overal heengesleept, waar hij maar wilde. Nooit werd een
zonderlinger vaartuig door zulk een dier, en nog wel onbeteugeld,
voortgetrokken.
Zooals het mannen betaamt, wien men een buitengewone roeping toedicht,
was ook Jorobodie in ieder opzicht een wonder van kracht en slimheid
[99]. Zijn voedsel bestond uitsluitend uit krabben, en dit sober
voedsel maakte hem tot den man van kracht, den trots zijner natie. Wee!
den Caraïb, die hem aandurfde! Wie slechts de hand uitstak, was een man
des doods! Zijn groote verdienste voor de Arowakken bestond echter
hierin, dat hij de schrik der blanken was. Deze toch waren toenmaals
hunne grootste vijanden [100], die hen niet alleen tot slaven maakten,
maar hen ook naar zee voerden, waar zij, na met teer bestreken te zijn,
levend verbrand werden.
Maar deze wreedheden zouden niet ongewroken blijven. Tot nu toe hadden
de Indianen steeds een rustige zee gekend. De booten voeren zonder
roeiriemen of parels* door eigen kracht op zee en rivier. De Boa
constrictor* diende als ankertouw en loopplank tevens. Zelfs meerde
deze de boot aan strand en oever vast.
Dit alles hield echter op, toen de menschen slecht werden. Geen kwaad
toch kan ongestraft blijven. Toen bijv. eens een Indiaan van den
kapitein een boot had geleend en deze niet terug bracht, werd hij
gestraft. Hij veranderde n.l. in een duizendpoot*, en werd vader van
die millioenen veelbeenige stekelige dieren, die nu door iedereen
zoozeer gevreesd worden.
Op hetzelfde oogenblik veranderde alles in de natuur. Tot nu toe hadden
de rivieren, evenals de zee, onveranderlijke stroomingen. Eb en vloed
kende men te voren niet. Nadat de ongehoorzaamheid in de wereld was
gekomen, kwam er eb en vloed; de bruisende baren kwamen opzetten,
waartegen de booten niet langer bestand waren.
De vaartuigen moesten verbeterd worden en het varen vorderde voortaan
stuurmanskunst. De toestanden waren dus sedert Jorobodie’s leven wel
heel erg veranderd. Nochthans waarborgden verschillende onthoudingen
[101] de Indianen voor verdere onheilen. Wanneer zij bijv. maar
zorgden, op zee niet den naam te noemen der dingen, wier daarin
huizende geest zij hadden te vreezen, zouden zij steeds voor stormweer
gevrijwaard blijven. Het woord „krab” mocht o.a. volstrekt niet genoemd
worden, want anders zou de Geest opeens duizenden krabben uitbraken.
Het ergste van alles voor de Indianen was wel, dat die ellendige
blanken zich aan dit alles niet storen wilden, zoodat zij het laatste
overblijfsel van den gelukstaat verloren deden gaan. Welk een schat was
voor hen in die omstandigheden een man van zulk een overwicht als
Jorobodie was!
Maar helaas! hij kwam ten val en wel door een vrouw, die hij geschaakt
had [102] en waardoor hij den haat zijner natie op den hals haalde. Het
aannemen van een spin, hem door zijn vrouw aangeboden, richtte
Jorobodie ten gronde, want nauwelijks had hij deze met de woorden „zoek
uwen weg”, door haar uitgesproken, aangenomen of Jorobodie was niet
meer.
De held was gevallen [103].