NO. 38. DE LEGENDE VAN LETTERHOUTSTOMP.

Penalo ame weipiompo. Eertijds, voor nog de grootvader van mijn

grootmoeder geboren was, kwamen de Indianen veel talrijker voor dan

thans. Zij leefden tevens gelukkiger, wijl de macht der toenmalige

piaimannen de booze Geesten overal in bedwang hield. Paiwarri ontbrak

nooit; kinderen gehoorzaamden hunnen ouders; nimmer doofden de

barbakot-vuren uit, wijl het wild altijd in overvloed voorhanden was en

de visschen in de kreken krioelden.

Maar dit aardsche paradijs veranderde, toen aan onze kusten schepen vol

strijders verschenen, aan wier hoofd stond een man, genaamd Paira-oende

of Paira-oendepo, d.w.z. Letterhoutstomp. Hij was een blanke, die de

algemeene opmerkzaamheid tot zich trok door zijn vreemd uiterlijk; zijn

mond bevond zich nl. ter plaatse, waar bij gewone menschen de borst

moet zijn. [84]

Letterhoutstomp was een menscheneter. Moordend en roovend trok hij

langs onze kusten. Wee! den Indianen, die in zijne handen vielen, want

levend werden ze verbrand of gevild en opgegeten!

Overal waar Paira-oende verscheen, vluchtten de roodhuiden naar alle

richtingen, doch hij vervolgde hen onmeêdoogend, tot zij ten einde raad

besloten zich te vereenigen, om aan het geweld een einde te maken.

Bij de beraadslagingen, die volgden, voerden de verschillende

piaimannen het hoogste woord. En nadat zij door hunne bezweringen den

slangengeest bekoord hadden, gaven zij te kennen, dat de Geest van Twee

Lichamen [85] bevolen had, dat alle Indianen zich moesten terugtrekken

op een bepaald tabbertje* (of tabbetje) in de nabijheid eener groote

savanne*. Daar herhaalden de gezamenlijke piaimannen hunne bezweringen,

met het gevolg, dat toen Stomp, die, het gebeurde hoorende, in kokende

woede naderde, het tabbertje begon te bewegen [86] en acht dagen lang

zich niet liet zien.

Paira-oendepo zocht overal naar de verdwenen Indianen, doch hen niet

vindende, kon hij hen ook niet dooden, integendeel was hij verplicht

tot den terugtocht, waarna de Roodhuiden weder uit het tabbertje te

voorschijn kwamen. Maar nauwelijks had Letterhoutstomp dit vernomen, of

hij vervaardigde een vreeselijken kaaiman als vaartuig, om daarmede met

één slag de Roodhuiden uit te roeien. Deze gingen toen kampen maken in

de nabijheid van een rots, genaamd Kaiwiri-oendepo, of Skroertjes stomp

[87]. Daar hielden de gezamenlijke piaimannen weêr een geweldige

bezwering, ten einde den Dubbelgeest te bekoren en van hem te

verkrijgen, dat hij den Kaaiman [88] zou inslikken. Dagen lang duurden

de ceremoniën en van zulk een invloed waren de smeekbeden op het hart

van den Slangegeest, dat deze beloofde alles te zullen doen, wat zijne

roode kinderen verlangden.

Letterhoutstomp naderde Kwaloe (Akaloe der Franschen?), het riviertje,

waar de Indianen zich verzameld hadden, van uit de plaats waar thans de

Fransche gevangenen verblijven (St. Laurent). Trotsch stevende hij in

zijn vreemd vaartuig de Marowijne op, ten einde de Roodhuiden

onverhoeds op het lijf te vallen. Maar ziet, eensklaps verhief zich een

Geest van Bekoring uit het water op, en Paira-oendepo werd met huid en

haar ingeslokt, terwijl zijn vaartuig van den oever (van de Kwaloe)

dreef tot een plaats, waar het nog te zien is als een steenen kaaiman,

die op een anderen steen rust.

Een verschrikkelijk gejubel weerklonk van alle zijden. Duizenden met

veeren versierde Caraïben dansten den overwinningsdans en te midden der

algemeene feestvreugde werd de gebeurtenis vereeuwigd op den

Temere-rots [89], die thans nog in de Marowijne staat....

In ’t stroomgebied der Marowijne,

Bezongen door het golfgeklots,

Staat, prijkende in al haar glorie,

D’wijd vermaarde Temere-rots,

Die eeuwen lang reeds heeft gedragen

Het teeken van den zwaren strijd,

Toen Paira-oende werd verslagen

Door Piai van den ouden tijd.

Die blanke in zijn Kaaiman-vaartuig,

Had aan zijn borst een grooten mond,

Waarmede hij in koelen bloede

Rood menschenvleesch als prooi verslond.

Maar ziet, het water rees verbolgen,

De Worgslang der Piai verscheen,

En Houten Stomp, hij werd verzwolgen;

Zijn Kaaiman werd een dubb’le steen.

Victorie! juichten duizend kelen,

Alom weerklonk de zegezang:

Ons bloed is weêr in bloed gewroken

Aan U de eer, o, Geest der Slang!

Toen naderde een oude Piaiman

En grifte in het hard graniet,

Paira-oende en zijn Kaaiman,

Zooals gij dien nog heden ziet.

Mythen en sagen uit West-Indië · 第 47 / 174 题