Penalo ame weipiompo. Eertijds, voor nog de grootvader van mijn
grootmoeder geboren was, kwamen de Indianen veel talrijker voor dan
thans. Zij leefden tevens gelukkiger, wijl de macht der toenmalige
piaimannen de booze Geesten overal in bedwang hield. Paiwarri ontbrak
nooit; kinderen gehoorzaamden hunnen ouders; nimmer doofden de
barbakot-vuren uit, wijl het wild altijd in overvloed voorhanden was en
de visschen in de kreken krioelden.
Maar dit aardsche paradijs veranderde, toen aan onze kusten schepen vol
strijders verschenen, aan wier hoofd stond een man, genaamd Paira-oende
of Paira-oendepo, d.w.z. Letterhoutstomp. Hij was een blanke, die de
algemeene opmerkzaamheid tot zich trok door zijn vreemd uiterlijk; zijn
mond bevond zich nl. ter plaatse, waar bij gewone menschen de borst
moet zijn. [84]
Letterhoutstomp was een menscheneter. Moordend en roovend trok hij
langs onze kusten. Wee! den Indianen, die in zijne handen vielen, want
levend werden ze verbrand of gevild en opgegeten!
Overal waar Paira-oende verscheen, vluchtten de roodhuiden naar alle
richtingen, doch hij vervolgde hen onmeêdoogend, tot zij ten einde raad
besloten zich te vereenigen, om aan het geweld een einde te maken.
Bij de beraadslagingen, die volgden, voerden de verschillende
piaimannen het hoogste woord. En nadat zij door hunne bezweringen den
slangengeest bekoord hadden, gaven zij te kennen, dat de Geest van Twee
Lichamen [85] bevolen had, dat alle Indianen zich moesten terugtrekken
op een bepaald tabbertje* (of tabbetje) in de nabijheid eener groote
savanne*. Daar herhaalden de gezamenlijke piaimannen hunne bezweringen,
met het gevolg, dat toen Stomp, die, het gebeurde hoorende, in kokende
woede naderde, het tabbertje begon te bewegen [86] en acht dagen lang
zich niet liet zien.
Paira-oendepo zocht overal naar de verdwenen Indianen, doch hen niet
vindende, kon hij hen ook niet dooden, integendeel was hij verplicht
tot den terugtocht, waarna de Roodhuiden weder uit het tabbertje te
voorschijn kwamen. Maar nauwelijks had Letterhoutstomp dit vernomen, of
hij vervaardigde een vreeselijken kaaiman als vaartuig, om daarmede met
één slag de Roodhuiden uit te roeien. Deze gingen toen kampen maken in
de nabijheid van een rots, genaamd Kaiwiri-oendepo, of Skroertjes stomp
[87]. Daar hielden de gezamenlijke piaimannen weêr een geweldige
bezwering, ten einde den Dubbelgeest te bekoren en van hem te
verkrijgen, dat hij den Kaaiman [88] zou inslikken. Dagen lang duurden
de ceremoniën en van zulk een invloed waren de smeekbeden op het hart
van den Slangegeest, dat deze beloofde alles te zullen doen, wat zijne
roode kinderen verlangden.
Letterhoutstomp naderde Kwaloe (Akaloe der Franschen?), het riviertje,
waar de Indianen zich verzameld hadden, van uit de plaats waar thans de
Fransche gevangenen verblijven (St. Laurent). Trotsch stevende hij in
zijn vreemd vaartuig de Marowijne op, ten einde de Roodhuiden
onverhoeds op het lijf te vallen. Maar ziet, eensklaps verhief zich een
Geest van Bekoring uit het water op, en Paira-oendepo werd met huid en
haar ingeslokt, terwijl zijn vaartuig van den oever (van de Kwaloe)
dreef tot een plaats, waar het nog te zien is als een steenen kaaiman,
die op een anderen steen rust.
Een verschrikkelijk gejubel weerklonk van alle zijden. Duizenden met
veeren versierde Caraïben dansten den overwinningsdans en te midden der
algemeene feestvreugde werd de gebeurtenis vereeuwigd op den
Temere-rots [89], die thans nog in de Marowijne staat....
In ’t stroomgebied der Marowijne,
Bezongen door het golfgeklots,
Staat, prijkende in al haar glorie,
D’wijd vermaarde Temere-rots,
Die eeuwen lang reeds heeft gedragen
Het teeken van den zwaren strijd,
Toen Paira-oende werd verslagen
Door Piai van den ouden tijd.
Die blanke in zijn Kaaiman-vaartuig,
Had aan zijn borst een grooten mond,
Waarmede hij in koelen bloede
Rood menschenvleesch als prooi verslond.
Maar ziet, het water rees verbolgen,
De Worgslang der Piai verscheen,
En Houten Stomp, hij werd verzwolgen;
Zijn Kaaiman werd een dubb’le steen.
Victorie! juichten duizend kelen,
Alom weerklonk de zegezang:
Ons bloed is weêr in bloed gewroken
Aan U de eer, o, Geest der Slang!
Toen naderde een oude Piaiman
En grifte in het hard graniet,
Paira-oende en zijn Kaaiman,
Zooals gij dien nog heden ziet.