Er leefde eens een man, die twee schoonbroêrs had. Terwijl hij de
ongelukkigste van alle stervelingen was, kwamen zij tegen den avond
geregeld met een goede hoeveelheid wild huiswaarts, en daarom zeiden
zij tot elkaar: „Daar hij geen geluk heeft, zullen wij hem zien kwijt
te raken”. Zij namen hem op een goeden dag meê naar het bosch. Zij
waren er al een eind in, toen zij hun verlangen meêdeelden,
afzonderlijk te gaan jagen. Zij zouden één kant uitgaan, hij een
anderen, terwijl zij elkander op een bepaalde plek zouden ontmoeten. De
weg, dien de beide broêrs hem hadden aangewezen, leidde naar het leger
van Tobe-horoanna*, maar hij, wien zij het slachtoffer wilden laten
worden, wist dat niet.
Hij begon nu te dwalen en kwam eindelijk aan een breed pad, wat hem
deed uitroepen: „Waar ga ik heen?” Zoo in zich zelf sprekend, trof een
hard geruisch zijn oor. Wat het was, wist hij niet. Op een antwoord
behoefde hij echter niet lang te wachten, want spoedig daarna zag hij
Tobe-horoanna naderen. Zoo gauw hij kon rende hij naar een enormen
boom, achtervolgd door Zwarte Tijger. Beiden begonnen nu achter elkaar
om den boom heen te loopen en toen het de man eindelijk gelukt was,
vlak achter het beest te komen, sneed hij het de hielpezen door. Tijger
zat nu neêr, want hij kon niet meer loopen en de man had nu
gelegenheid, het dier een pijl in zijn nek te schieten en met een mes
den doodsteek te geven. Daarop begaf hij zich naar huis terug.
De schoonbroêrs, wetende, welk een slecht jager hij was, waren niet
eens naar de afgesproken plaats gegaan, overtuigd, dat hij er niet meer
zou zijn. Maar toen hij de hut binnentrad, waren zij hoogst verrast en
maakten zij hun verontschuldigingen, teneinde hun misdadige bedoelingen
te verbergen, zeggende: „Wij waren op de plek, waar wij je zouden
ontmoeten, maar je waart er niet. Wij riepen je, maar we kregen geen
antwoord. Wij dachten natuurlijk, dat je dood was en wij gingen weg.
Maar we keerden terug, om nog eens te zien of je niet kwaamt”, en
dergelijke verontschuldigingen meer. Dat was alles maar gelogen.
Toen de man nu vertelde, dat hij Tobe-horoanna had gedood, konden zijn
schoonbroêrs, evenmin als hun oude vader, dit gelooven en drongen er op
aan, zelf te gaan kijken. Zij gingen er toen heen, en toen zij op een
afstand Zwarte Tijger op den grond zagen liggen, durfden zij niet
naderbij te komen, totdat de jager, uitroepende: „alles bij hem is
dood, dood, dood!” en willende toonen, dat hij de waarheid sprak, op
het doode lichaam sprong en zegevierend er op heen en weêr begon te
dansen. Alleen de oude man durfde dichtbij komen; zijn twee zoons
bleven bang.
Het gezelschap keerde nu huiswaarts. En daar was de oude man zóó
verrukt over hetgeen zijn schoonzoon gedaan had, dat hij hem ook zijn
andere dochter tot vrouw gaf, zoodat de nu gevierde jager in het
vervolg twee vrouwen had. Zijn schoonbroêrs bouwden nu een grootere hut
voor hem en hij werd de Ai-ja’mo (hoofdman) van het dorp.
Onze vriend voelde zich echter niet op zijn gemak, nu den naam te
hebben, ook bij de jacht op alle andere dieren steeds geluk te hebben,
omdat hij Tobe-horo-anna had weten te bemachtigen. „Wie zou hij beter
kunnen raadplegen in deze moeilijkheid”, dacht hij, „dan Wau-oeta, de
Regenkikvorsch*” [79]. Hij ging op weg en vond een boom, waarin zij
woonde; hij posteerde zich onder aan den boom en begon te roepen, haar
vragend, hem te willen helpen. Maar hij kreeg geen antwoord, en hij
bleef roepen en weeklagen, totdat het donker werd. Telkens herhaalde
hij zijn vraag, of zij hem de dingen wilde zeggen, die hij zoo graag
wilde weten. De nacht viel in, en nog had hij geen antwoord. Maar hij
hield aan, want hij dacht, dat Wau-oeta wel zou komen, zooals de meeste
vrouwen doen, die eindelijk toegeven, wanneer zij ten slotte medelijden
met den man krijgen, als zij hem zoo hooren schreien [80] aan den boom.
Toen hij nu zoo lang beneden aan den boom stond te wachten, zag hij een
lange rij vogels naar hem toe komen, allen in geregelde volgorde naar
de grootte. De kleine Doroquara [81] liep voorop en pikte even op zijn
voet met den snavel, om hem bekwaam te maken in het schieten van haar
soortgenooten; en dit ging met alle vogels tot de grootste toe zoo
voort.
Ge ziet, dat Wau-oeta medelijden met hem begon te krijgen; maar hij
wist dat natuurlijk niet. Nadat alle vogels met hem gereed waren,
kwamen alle ratten in de volgorde hunner grootte, gevolgd door de
Acouri, de Labba*, het Hert, het Boschvarken tot aan den Tapir toe.
Toen al deze dieren hem voorbij waren gegaan, en met de tong zijn voet
even gelikt hadden, opdat hij op jacht naar hun soortgenooten geluk
mocht hebben, kwamen ook de tijgers, die van de kleine tot de groote
hetzelfde deden en ... eindelijk de slangen, die, na ook met haar tong
haar plicht gedaan te hebben, langzaam wegkropen. Met dit alles ging
geruimen tijd voorbij, en eerst met het aanbreken van den dag was aan
den optocht een einde gekomen, zoodat de man met zijn geweeklaag kon
ophouden.
Toen het goed dag was geworden, zag hij een vreemde gestalte naar zich
toekomen. Het was Wau-oeta, die een vreemdsoortigen pijl in de hand
had. „Zoo, waart gij het”, zei ze, „die al dat lawaai van nacht maakte
en mij uit den slaap hield?” „Ja”, antwoordde de man, „ik was het”.
„Wel”, zei Wau-oeta, „kijk eens langs je arm, van je schouder tot je
hand”. Hij keek, en zag dat hij met een soort schimmel [82] bedekt was.
Hij keek ook naar zijn anderen arm en zag precies hetzelfde. Toen hij
van Wau-oeta gehoord had, dat het deze schimmel was, die hem zoo
ongelukkig op de jacht maakte, wreef hij zijn armen goed af.
De pijl van Wau-oeta zag er, zooals ik zei, zeer vreemd uit. Hij was in
drie of vier stukken gebroken [83] en ieder stuk was gespleten.
Wau-oeta ruilde dezen pijl voor den zijnen en verzocht hem, den hare te
willen probeeren om naar een lange liaan te schieten, die op grooten
afstand naar beneden hing, en .... ja, de pijl trof doel. Toen hij weêr
den pijl op den boog zette, vroeg Wau-oeta hem in de lucht te willen
schieten, en .... onbegrijpelijk, in welke richting hij ook zijn pijl
wegschoot, telkens als hij de aarde bereikte, raakte hij een dier:
eerst een Doroquara, en zoo voort in dezelfde volgorde, als waarin de
vogels hem aan zijn voet hadden gepikt, tot den powies* toe. En het
vreemde was, dat als hij schoot, hij zelf den pijl niet kon zien.
Toen hij nu met schieten op den grond begon, raakte de pijl
achtereenvolgens een rat, een Acouri enz. tot hij eindelijk een
prachtigen tapir schoot. Eindelijk kwamen de tijgers en de slangen aan
de beurt, in de volgorde waarin zij hem gelikt hadden.
Toen al dit wild bijeen was, schonk Wau-oeta hem voor goed den
merkwaardigen pijl, in ruil voor den zijne, doch op uitdrukkelijke
voorwaarde, dat hij tegen niemand zou zeggen, wie hem een zóó zeldzamen
pijl had gegeven. Ze zei hem daarop vaarwel en vertrok.
Onze vriend keerde nu naar zijn twee vrouwen terug, en natuurlijk werd
nu zijn naam, dien hij reeds wegens het dooden van Tobe-horo-anna had,
nog veel grooter. Iedereen werd echter nieuwsgierig, om te weten, waar
hij die kennis vandaan had gekregen en probeerde hem uit te hooren,
maar hij weigerde, trouw aan zijn gegeven woord, iets te zeggen. Zijn
schoonbroêrs dachten: laten wij onzen tijd afwachten, en toen er een
groot paiwarri-feest zou plaats hebben, haalden zij hem over, dit bij
te wonen; en ... het is al weêr dezelfde geschiedenis: drank werd zijn
verderf. Zijn tong kwam los en hij vertelde alles wat er gebeurd was.
Den volgenden morgen, toen hij weêr geheel was bijgekomen, wilde hij,
als gewoonlijk, zijn pijl grijpen, die Wau-oeta hem gegeven had, maar
zijn vroegere pijl lag er weêr voor in de plaats—en van dat oogenblik
was hij al zijn geluk weêr kwijt.