Ik vertel hier nog een andere krabbengeschiedenis, waarvan de held niet
van zijn onbekwaamheid, doch van zijn luiheid schade ondervond.
Een groot gezelschap toog in een groote korjaal op reis, om krabben te
vangen; elk van hen had twintig korven meêgenomen, en als zij ergens
aan land gingen uitrusten, hielden zij zich met hunne afwerking
onledig. Zij hadden immers niets, wat hen afleidde, want zij hadden
hunne vrouwen thuis gelaten, die zouden zorgen de paiwarri bij hun
terugkeer gereed te hebben.
Langs een der kreekjes, die zij voor rustplaats hadden uitgekozen,
zagen zij een kleine Maripa-palm*, die een grooten tros rijpe vruchten
droeg. Nadat zij den tros hadden afgeplukt, begaven zij zich er mede in
de boot, en begonnen zij zich aan het smakelijke vruchtvleesch te goed
te doen. De held van dit verhaal vroeg zijn reisgenooten, de zaden voor
hem te willen bewaren. Zij voldeden aan zijn verzoek, en des nachts
vóór de aankomst aan het uitgekozen krabbenoord, vulde hij er zijn
korven mede. Den volgenden morgen begaf het gezelschap zich aan land
voor de krabbenvangst, uitgezonderd onze luie vriend, die in de boot
bleef zitten, en geen voet in het water zette. Hij was niet onbedreven
in de krabbenvangst, doch was te lui, en rekende er op, dat de anderen
hem wel zouden voorzien. Maar dit gebeurde niet, want zij waren
onderling overeengekomen, hem geen krab te geven. Alzoo gebeurde het,
dat, toen zij de terugreis aanvaarden, de luiaard zijn manden slechts
met palmpitten gevuld had.
In den nacht bereikte het gezelschap het dorp en allen zochten dadelijk
hunne hangmatten op. Den volgenden morgen droegen zij hun vrouwen op,
de korven met krabben te gaan halen, die zij aan den waterkant hadden
achter gelaten [78]. De vrouw van den luiaard, die de mand met
palmpitten had gehaald, vroeg haar man, waar zijn krabben waren, en
ontving ten antwoord, dat zij ze zou vinden op den bodem der manden en
dat zij had te wachten, totdat de andere vrouwen de korven geledigd
zouden hebben. Zij deed dit, maar toen zij geen krabben zag, ging zij
met de korven naar haar moeder en liet haar zien, welk soort krabben
haar man had thuis gebracht. De oude vrouw was daar weinig over
gesticht en zei tot haar dochter: „Gooi het zoodje in een grooten pot,
en kook het net zoo lang, tot de harde schillen barsten.” Alle vrouwen
echter deelden van haar voorraad aan de teleurgestelde ieder een mand
met krabben uit, maar op voorwaarde, dat zij er niets van aan haar man
zou geven.
Allen, behalve een, vergastte zich nu aan een heerlijk maal, met de
inmiddels gereed gemaakte paiwarri opgediend. De oude moeder nam een
kalebas, gevuld met de gekookte palmpitten en zette deze voor haar
nietswaardigen schoonzoon neêr. Deze was wel genoodzaakt er van te
eten, al was het niet, omdat hij honger had, dan vooral, omdat hij zijn
schaamte wilde verbergen, toen geen van allen hem wat van hun krabben
meedeelde.
Deze straf genas hem van zijn luiheid, want bij de eerstvolgende
gelegenheid, dat men weêr op krabbenvangst uitging, bracht hij voor
zijn vrouw geen palmzaden, maar krabben mede.