NO. 35. EEN WAARSCHUWING VOOR DE VROUWEN. (A.)

Jelui moeten bedenken, dat wij Arowakken in vroeger dagen nimmer een

man aan onze dochters zouden geven, wanneer hij niet te voren proeven

zijner bekwaamheid op de jacht had afgelegd, en daardoor het bewijs had

geleverd, in staat te zijn, een vrouw te kunnen onderhouden [73].

Tot deze proeven behoorde o.a. het schieten van een pijl in het nest

van een specht van uit een korjaal op de rivier, het vullen van een

zeker aantal korven met een hoeveelheid zelf gevangen krabben*, in den

loop van slechts één getij, en het schoonkappen van een stuk land

binnen een vastgestelden termijn.

De eerste proef was buitengewoon moeilijk [74] en geraakte dan ook

langzamerhand bij ons in onbruik, maar de beide anderen worden nog

steeds in eere gehouden [75].

Het was juist in de dagen, dat de eerste proef bij ons werd afgeschaft,

dat een jongen man, die aan een meisje het hof maakte, beweerde geen

moeielijkheden te zullen hebben, om in het bezit van zijn geliefde te

kunnen geraken, en meende, dat hij niets anders te doen had, dan eenige

krabben voor zijn a.s. schoonvader te vangen en een stuk land schoon te

kappen.

Toen hij zich nu naar den ouden man begaf, om de hand van zijn dochter

te vragen, kreeg hij ten antwoord, dat hij er geen bezwaar tegen had;

dat hij bij hem zijn intrek kon nemen, totdat hij hem zijne

bekwaamheden zou hebben getoond.

Er waren nu zoo wat twee of drie weken van de wittebroodsweken

verstreken, toen de oude man zijn aanstaanden schoonzoon zijn verlangen

te kennen gaf, zijn korven gereed te maken, om ermede op den

vastgestelden dag naar de zeekust* te kunnen gaan. De jongeling toog nu

met zijn kornuiten op weg, om den noodigen voorraad Itiriti* te halen

en in de hut teruggekeerd, begon hij het ijverig te snijden en tot

bundels samen te binden. Maar verder kwam hij niet, want het

mandenvlechten had hij niet geleerd.

Toen nu zijn kameraden, die reeds druk bezig waren, hunne korven te

vlechten, zagen, dat hij zijn werk had neêrgelegd, vroegen zij hem,

waarom hij niet verder ging. „Wel, ik wacht er meê, totdat ik voor de

vangst vertrek”, was zijn antwoord, beschaamd als hij was voor zijn

onbekwaamheid. „Je moet wat haast maken”, riepen zij hem toe. „Niet

noodig”, antwoordde hij, „ik heb er in het minst geen moeite meê. Ik

zal mijn manden wel maken, en krabben vangen, terwijl jelui bezig zijt,

jelui korven te vullen. Jelui zult er versteld van staan. Ik zal jelui

wel verslaan”.

Een heel gezelschap was het, dat den anderen dag den tocht naar de kust

ondernam; in de korjaal zaten de toekomstige echtgenoot, de vrouw, die

hij zich nu voor altijd zou hebben te veroveren, de oude schoonvader en

een zestal jongelieden. Toen zij eindelijk de zee hadden bereikt,

legden zij op korten afstand van de kust de boot vast, en voorzien van

hun korven, begaven allen, uitgezonderd het jonge paar, zich op het

modderige land.

Toen nu het paar alleen was, verzocht de jonge man zijn bruid de

korjaal uit te gaan, en al de kleine kassoeroe-xoewa (door andere

schrijvers kassaroa*) naar de boot te drijven. Terwijl hij nu gehurkt

in de boot bleef zitten, met de bundels wariembo-riet in zijn hand, en

probeerde een korf [76] te vlechten, zwommen de door zijn bruid

opgedreven vischjes hem voorbij. Zooals wel te voorzien was, maakte hij

geen vorderingen, en hij liet zijn bruid ten tweeden male de school

vischjes insluiten, waardoor zij teruggedreven werden en hij er dus een

ander gezicht op had. De vrouw ging er maar steeds meê voort, de visch

nu eens vooruit, dan weêr achteruit te drijven—maar het hielp hem

niets, want hij maakte geen vorderingen. De jonge vrouw begon nu

angstig te worden, en terwijl zij uit de korjaal een mand nam, baggerde

zij door het water naar de kust. Haar aanstaande man riep haar echter

terug; maar zij sloeg geen acht op zijn herhaald roepen. Men moet

weten, dat de korf, die zij had meêgenomen, heel toevallig (?) aan een

der jonge mannen van het gezelschap behoorde, waarmede zij vroeger een

liefde had gehad. Toen de vrouw nu den man in kwestie aan het strand

met de krabbenvangst bezig vond, voegde zij zich bij hem en vroeg zij

hem te mogen helpen. Wanneer hij de krabben uit de gaten haalde, dan

zou er wel eens een, dacht zij, naast haar vallen, en zou zij zoo haar

korf geleidelijk kunnen vullen.

Maar de bruidegom, het zaakje niet vertrouwend, had nu ook het strand

opgezocht, waar hij zijn bruid een van het gezelschap zag helpen. Hij

wilde nu meehelpen, maar hoe hij ook ijverig zijn handen in de gaten

stak en de gevangen dieren zijn bruid toewierp, zij deed alsof zij het

niet merkte. Hoe hij haar ook telkens toeriep: „Kijk dan toch! Zij zal

wegloopen. Doe haar toch in je korf!” zij zag niet eens op.

Met haar gezelschap, haar vroegeren beminde, deed zij geheel anders.

Zij hielp hem ijverig zijn korven te vullen, en toen zij ze allen vol

hadden, keerden zij samen naar de boot terug, om nog twee korven te

halen, die nu ook spoedig gevuld waren.

Toen nu de bruigom had moeten aanzien, dat de anderen zooveel krabben

hadden gevangen, als de korven maar konden bergen, werd hij wanhopig en

terwijl hij zijn hangmat nam, wikkelde hij er in de plooien nog zooveel

krabben in, als hij maar kon grijpen.

Het was nu tijd voor de terugreis, en toen de bruid plaats moest nemen,

ging zij, zoowaar, in plaats van naast haar bruigom, naast haar

vroegeren beminde zitten. En hoe de bruigom ook riep: „Kom hier, je zit

op een verkeerde plaats”, noch de bruid, noch haar oude vader wilden er

naar luisteren, ja, ze snauwden hem nog toe ook.

Toen nu het gezelschap van den tocht in het dorp teruggekeerd was,

zochten de mannen hun hangmatten op, terwijl de bruid voor den pot ging

zorgen. Veel werk gaf dit niet, want de krabben waren spoedig

geroosterd. Toen zij opgedischt konden worden riep de vrouw: „Vader!

het is klaar.” De oude man verliet daarop zijn hangmat en riep een voor

een de jonge mannen, ieder bij hun naam. Het laatst riep hij Satchi!

Toen nu de bruigom deze uitdrukking van teederheid hoorde, meende hij,

dat hij bedoeld was en antwoordde dus: „Wangj” (d.i. ja, dank U). „Neen

neen,” zei de vader, „ik bedoel mijn schoonzoon, dien ik van daag op de

terugreis bij mij in de boot had zitten. Hij kan korven vlechten en jij

niet.”

Beschaamd droop nu de bruigom af en zijn hangmat met het handjevol

krabben meênemend, zocht hij de hut van zijn moeder op. Deze was, wat

men noemt, een goede ziel, die dadelijk de krabben begon gereed te

maken, haar jongen een goed maal cassavepap gaf, hem troostende, zooals

alleen een moeder kan doen. Zij ried hem, nog wat geduld te oefenen,

omdat ze er zeker van was, dat het meisje ten slotte tot hem zou

terugkeeren.

Enkele dagen later nam de oude vrouw haar troostelooze zoon meê voor

een bezoek aan een harer oude vrienden, een man, die in liefdeszaken

een goed inzicht had, en daarbij zeer bedreven was in alles, wat een

Indiaan in zijn leven te pas kan komen. Zij vertelde haar vriend van de

zorg, waarin haar jongen verkeerde en verzocht hem, haar zoon te willen

onderwijzen in alles, wat de jacht betrof, maar ook in het vlechten van

koeroekoeroes*, het vervaardigen van matapis*, manaris*, pagalen* en

waaiers*—want het was immers aan zijn onkunde te danken, dat hij zijn

bruid had moeten verliezen.

De oude man wilde het uit oude vriendschap graag doen en zoo bleven

moeder en zoon meer dan een jaar bij hem inwonen, toen de leerling

eindelijk evenzeer bedreven was in al de kundigheden als zijn

leermeester.

Toen nu moeder en zoon van den ouden man dankbaar afscheid namen en

weder naar de kleine hut terugkeerden, die zij zoo lang geleden

verlaten hadden, brak er een gelukkige tijd voor beiden aan. Want nooit

hadden zij meer over gebrek aan eten te klagen. Iederen dag bracht de

zoon iets thuis en de barbakot kraakte voortdurend onder het gewicht

van het te roosteren vleesch. Eens gebeurde het nu, dat een vrouw, die

voorbij kwam, nieuwsgierig naar al die heerlijkheden keek, en dat de

oude moeder haar er wat van aanbood. Zij nam het gretig aan, en

nauwelijks was zij uit het gezicht verdwenen, of zij holde er mede naar

de hut, waar de bruid van een jaar geleden woonde, en waar zij aan

ieder, die het hooren wilde, vertelde van het verkeerde oordeel over

haar vroegeren bruidegom geveld. Had zij niet zelf, met haar eigen

oogen, al het wild gezien, dat hij geschoten had, en al de

koeroekoeroes, matapis, manaris enz., door hem zelf gevlochten.

Er ontspon zich nu een langdurig twistgesprek over het geval, dat het

verlangen bij haar opwekte den man te bezoeken, die zij en haar vader

ten onrechte versmaad hadden. Voor haar was daar ook wel aanleiding

voor. Want de ervaring van een jaar lang was voor haar een zeer

droevige geweest: te laat had zij immers ontdekt, dat haar

tegenwoordige man niet alleen niets waard was, maar daarbij zeldzaam

lui, en dat het eenige wat hij deed, was in zijn hangmat te liggen,

terwijl zij voor hem kon zwoegen.

Den volgenden morgen trok zij de stoute schoenen aan en toog zij met

haar moeder op weg, de richting naar de hut inslaand, waar de meester

woonde, wiens ijver, moed en bekwaamheid zij den vorigen dag zoozeer

had hooren prijzen. Toen zij in zijn hut aankwamen, lag de man in zijn

hangmat, zoodat zijn moeder de bezoeksters ontving. De oude vrouw zette

bankjes voor ze neêr en bracht wel wat cassave met pepers aan, maar

zocht zich te verontschuldigen, dat zij niets anders had om haar aan te

bieden. De bezoeksters zagen elkander echter ongeloovig aan, toen zij

den barbakot met het gewicht van geroosterd vleesch gewaar werden, en

toen zij ook een vollen peperpot zagen staan, konden zij hare

verlegenheid haast niet verbergen bij de gedachte, den man, van wien

toch dit alles afkomstig was, zóó slecht behandeld te hebben. De beide

vrouwen durfden niets van het aangebodene aan te raken, en wat meer is,

zij vroegen zelfs de vrouw den peperpot te verwijderen [77].

De moeder der bruid van een jaar geleden hield het niet langer uit; zij

stond op, gereed om te vertrekken, en probeerde ook haar dochter te

bewegen, zich van deze plaats te verwijderen, maar deze sprak: „Neen,

ik wil hier blijven; ik blijf bij mijn eersten man; of hij mij zal

slaan of niet, het zal mijn zorg zijn. Hij heeft immers getoond, veel

beter te zijn dan mijn tegenwoordige man.” Nauwelijks had zij dit

gezegd en was haar moeder reeds de hut uitgeloopen, of zij rende naar

de hangmat, waarin de jonge man van zijn werk lag uit te rusten en klom

er in, uitroepende: „Ik ben weêr bij je teruggekomen, mijn schat.” Maar

de man pakte haar beet, en wierp haar er uit, zeggende: „Ik heb je niet

noodig. Ik ben immers de luie, onwetende, onwaardige man, dien je een

jaar geleden versmaad hebt.” Maar zij gaf het niet op en probeerde voor

de tweede maal in de hangmat te klimmen. De man hield echter vol, en of

zij hem al „lekkere bek” noemde, hij deed of hij het niet hoorde.

Terneêrgeslagen en beschaamd droop ook zij af, en keerde zij naar haar

tweeden man terug. Haar eerste man liet zij met zijn moeder achter,

gelukkig als hij was, haar te hebben hooren heengaan.

Mythen en sagen uit West-Indië · 第 44 / 174 题