De geest van het kind is ten nauwste met den vader verbonden; hij tuurt
op hem, volgt hem, waar hij ook gaat, en gedurende den eersten tijd is
hij even innig met den vader vereenigd als hij het met zijn eigen
kinderlichaam is, waarin hij kortelings is binnengedrongen. Hoe kan dan
de vader naar het bosch en naar den kostgrond gaan, om bijl en kapmes
te gebruiken, wanneer de geest van het kind, die hem overal volgt, zich
als een tweede schim tusschen deze werktuigen en het hout of de
veldvruchten plaatst? Hoe kan hij in een boom klimmen, wanneer de geest
van het kind dit eveneens probeert te doen, en dan natuurlijk zal
vallen, zoodat dan het kind in zijn hangmat kwaad zal overkomen? Hoe
kan hij jagen, wanneer de pijl misschien den hem vergezellende geest
van het kind zal doorboren, wat ongetwijfeld de dood van het kind in
zijn hangmat tengevolge zou hebben? Wanneer de vader, door bosch en
akker dwalend, een tairoe*-blad ziet, dat volkomen gelijkt op een
korjaal, varende op de rivier en voorzien van een heel kleine zitbank
en daarin een miniatuur-pagaai, of wanneer hij over een omgevallen boom
klautert... zal hij het kind dan niet verstoren? Want, wanneer de vader
door het water waadt, zal de geest van zijn kind dan niet de kleine
tairoeblad-korjaal moeten voort pagaaien, of wanneer hij over den boom
tracht te komen, zullen dan de dunne stammetjes, die er tegen aan zijn
komen te liggen, den geest van het kind niet in staat stellen, om te
probeeren hem te volgen?... Niettegenstaande de grootste waakzaamheid,
zal de kleine Geest verloren kunnen gaan, zoodat het lichaam in het
hangmatje dan zal gaan kwijnen en sterven, indien ten minste de piaiman
niet zoo gelukkig is, het terug te winnen.
NO. 34. DE HUID VAN DEN REUZENSLANG OF HOE DE VOGELS HUN TEGENWOORDIG
GEVEDERTE KREGEN.
Er leefde lang geleden een reusachtige water-camoedi* met een zeldzaam
mooi gevlekte schubbenhuid: rood, geel, groen, zwart en wit kwam er in
de mooiste patronen op voor. Het dier werd zulk een schrik voor alle
levende schepsels, dat menschen en vogels, die in die dagen groote
vrienden waren, zich eindelijk vereenigden, om het monster te
vernietigen. De huid van het ondier zou aan den eersten te beurt
vallen, wien het gelukken zou, het gevaarte uit het water te krijgen.
Iedereen was echter bevreesd het aan te grijpen, maar ten slotte durfde
de kormorant* het aan; deze stormde op den waterkant los, waaruit het
monster een eind kaarsrecht omhoog rees, en schoot een pijl op zijn nek
af—maar geen gewone pijl, doch een, die met een lijn aan een
overhangenden boom was vastgemaakt—en met dit wapen werd het beest ten
slotte aan land getrokken, waar het nu gevild werd.
Kormorant eischte nu de huid op, maar de andere strijders, die niet
dachten, dat hij ooit in staat zou zijn, nu ook de zware huid weg te
dragen, zeiden: „je kunt haar hebben”.
Kormorant knikte nu de andere vogels toe, alsof hij zeggen wilde:
„jullie moet me helpen”, en toen zij allen het nu, ieder een deel van
het vel vastgrijpend, klaarspeelden, de huid van den grond te lichten
en naar een afgelegen plaats te dragen, zei Kormorant: „jelui kunt nu
de huid zóó verdeelen, dat ieder dat deel krijgt, dat hij bij het
wegdragen heeft beet gehad”.
Iedere vogel droeg nu zijn last op den rug weg, en sedert dien tijd is
iedere vogel gemerkt met de tint van dat deel der slangenhuid, dat hij
bij het dragen heeft vastgehouden: de Ara’s met rood en blauw of groen
en geel enz ... maar Kormorant kreeg als zijn aandeel de sombere tint
van den slangenkop. Maar hij was er meê tevreden.