NO. 25. SLUIT DE OOGEN EN DOE EEN WENSCH. (C.)

Twee jongens hadden ieder eens een springval gezet, om Maipoeri* te

verschalken. Eens op een dag kwam de jongste uit het bosch terug en

riep: ik heb een tapir gevangen. Dit maakte den oudste jaloersch, die

zei: „als je me voor den mal hebt gehouden, zal ik je vermoorden.”

Samen gingen zij toen naar het bosch en zij zagen werkelijk den tapir

met een zijner pooten gevangen in de knip. De oudste doodde het dier,

sneed het vleesch af, en nam alles voor zich alleen, alleen de

ingewanden voor den jongste overlatende. Deze liep daarop naar zijn

moeder, vertelde haar, hoe gulzig zijn broêr geweest was en haalde haar

over, om met hem naar elders te vluchten. Toen zij met hun tweeën een

grooten afstand hadden afgelegd, kwamen zij aan een hoogte. Hier sprak

de jongen: „Moeder! sluit uw oogen en zeg: ik verlang hier een veld met

bananen en patatten*, met een hut er vlak bij.” De oude moeder deed

het, en kijk! alles was er wat zij gewenscht had.

Langen tijd leefden de twee hier tevreden en gelukkig, maar de moeder

begon oud te worden. Haar zoon zei toen eens: „Moeder! Sluit uw oogen

en zeg: ik wensch weêr een jong meisje te zijn.” Zij deed wat de jongen

gezegd had, en ziet, zij was onmiddellijk een zóó lief en aantrekkelijk

meisje geworden, dat haar zoon trots op haar was, en dat het verlangen

bij hem opkwam, haar ook door anderen te laten bewonderen. Hij zei toen

weder tot zijn moeder: „Moeder! sluit uw oogen en zeg: ik wensch dat

mijn oudste zoon hier komt.” En nauwelijks had zij die woorden

uitgesproken of de oudste zoon stond vóór haar.

Zij had nu een bezoeker, en natuurlijk moesten zij paiwarri* hebben. De

jongste zoon zei al weêr aan de moeder, dat zij haar oogen moest

sluiten en drank verlangen moest en—weêr werd aan haar verlangen

voldaan en stond er een groote pot met paiwarri gereed.

Alle drie begonnen nu te drinken, totdat de oudste jongen op het laatst

zóó dronken werd, dat hij de lieftallige jonge vrouw begon te

liefkozen. „Hoe durf je dat te doen,” vermaande hem zijn jongere broêr.

„Weet je dan niet, dat zij je moeder is?” „Neen, ik weet het niet,”

antwoordde de oudste, „en wat meer is, ik geloof het niet!” Toen hij

voortging met zijn liefkozingen, begonnen de beide zoons te vechten.

Toen de oudste eindelijk uit zijn dronkenschap ontwaakte, zag hij, dat

hij geheel alleen was in een vreemde bouwvallige hut; er bleef voor hem

nu niets anders over, dan troosteloos naar zijn woonplaats terug te

keeren.

Mythen en sagen uit West-Indië · 第 36 / 174 题