Er gingen eens vijf mannen gezamenlijk op jacht. Zij hadden zich echter
te diep het bosch in begeven, om nog vóór den nacht huiswaarts te
kunnen keeren, zoodat zij, toen de duisternis hen overviel, een banab*
bouwden. Den volgenden morgen trokken zij in verschillende richtingen
het bosch in. Laat in den avond waren allen in de tijdelijke
verblijfplaats teruggekeerd, behalve één. Drie van hen beweerden, dat
hij zeker door een tijger verslonden was, maar toen zij de zaak nader
gingen overleggen, herinnerden zij zich, dat zij geen enkel tijgerspoor
hadden gezien. De hoofdman was dichter bij de waarheid, toen hij zei:
„Neen! Hij moet verdwaald zijn”. [53] Dit was ook werkelijk, wat er met
den vijfden man gebeurd was. Hij was al dieper en dieper het bosch
ingedrongen, en was door de duisternis overvallen, waardoor hij zijn
weg niet terug had kunnen vinden. Hij was toen in alle richtingen gaan
zoeken en had zich eindelijk onder een boom te slapen gelegd.
Nu en dan vloog er een Poe-yoe, een lichtkever* om zijn rustplaats
heen, die hem vroeg, wat hij daar zoo alleen uitvoerde. „Ik ben den weg
kwijt geraakt”, antwoordde hij, waarop het insekt aanbood, hem den weg
te wijzen. Maar de verdwaalde kon niet gelooven, dat zoo’n klein ding
in staat zou zijn, hem te helpen. Eerst toen de lichtkever hem
vertelde, dat hij voornemens was, zich te gaan warmen aan het echte
vuur, dat zijn vrienden bij de banab hadden ontstoken, stemde hij toe
en volgde hij het insekt.
Toen de beide vrienden het kampement in het oerwoud naderden, hoorden
zij in de verte reeds menschelijke stemmen. „Luister”, zei de kleine
kever, „hier zijn je gezellen. We zullen er heengaan”. Toen zij
eindelijk de banab hadden bereikt, vloog de lichtkever vooruit en
vertelde aan de jagers, dat hij hun verloren metgezel kwam brengen.
Onmiddellijk daarna trad deze binnen, en de vier vrienden waren
verheugd hem weêr te zien.
NO. 23. DE BINA [54], DE WEDER IN HET LEVEN GEROEPEN VADER EN DE
SLECHTE VROUW. (W.)
In een der Warrau-dorpen leefde een man met zijn vrouw en zijn beide
kinderen. Zijn schoonbroêr woonde bij hem in. Eens op een morgen
begaven man en vrouw zich naar den kostgrond en droegen den broeder op,
om te gaan visschen, zoodat zij bij hun thuiskomst wat te eten zouden
hebben. Toen zij echter terugkwamen van hun werk, zagen zij, dat de
broêr geluierd had en dat hij niet eens buiten de hut was geweest; ja,
dat hij zelfs het weinige, dat er nog van den vorigen dag was
overgebleven, had opgegeten. Dit maakte hem boos en hij zei tot zijn
schoonbroêr: „Ik moet naar het land gaan, om het terrein in orde te
brengen. Ik moet in het bosch gaan, om mij wild te verschaffen, en in
mijn bootje de rivier opvaren, om visschen te vangen. Ik moet al het
werk doen, terwijl jij niets uitvoert en alle dagen maar ligt te
luieren in je hangmat. Al ben ik vermoeid, toch moet ik weêr uitgaan,
om visch te gaan halen.”
Terwijl hij dit op een alles behalve vriendelijken toon zei, nam hij
zijn harpoen-lans* en toog op weg naar de kreek. De schoonbroêr nam op
zijn beurt zijn kapmes, en na het gescherpt te hebben, volgde hij den
man in zijn korjaal. Beide mannen ontmoetten elkander juist op het
oogenblik, toen de echtgenoot met zijn boot terug wilde keeren, nu hij
een grooten visch had weten te bemachtigen. „Hallo! nu al terug!” zei
de schoonbroêr. „Ja”, antwoordde de ander, „ik heb een grooten visch
geschoten, hier is hij”. „Nu, leen mij dan je lans”, zei de eerste
weêr, „ik wil zien, of ik ook zoo’n grooten visch kan schieten als
jij”. Toen beide korjalen naast elkander lagen, hief de man zijn lans
omhoog en wilde het wapen juist naar de boot van zijn schoonbroêr
richten, toen hij op hetzelfde oogenblik door het kapmes werd
getroffen, waarmeê hij twee sneden ontving, die hem dood deden
neêrvallen.
De moordenaar probeerde nu het lijk kwijt te raken en het in het water
te werpen. Maar zijn zuster, die haar broêr zijn kapmes had zien
scherpen, was in toorn de hut uitgeloopen, en had, bevreesd dat hij er
iets kwaads meê voor had, tegen haar kinderen gezegd: „jelui oom is
zeker boos over iets; hij scherpt zijn houwer, en is jelui vader
achterna gegaan. Laten we gaan zien, wat hij wil gaan doen”.
Met haar beide kinderen was zij haar broêr gevolgd en zij kwam juist
aan bij de rivier op het oogenblik, dat hij probeerde, het doode
lichaam overboord te werpen. „Neen, doe dat niet, broêr”, zei ze. „Nu
je hem gedood hebt, moet je zijn lijk meê naar zijn hut nemen en hem
daar begraven”. Hij deed, wat hem werd gevraagd, nam het lijk meê in
zijn korjaal en begon een boom te vellen, om hout te hebben voor zijn
laatste rustplaats. In dien tusschentijd zond de vrouw van den
vermoorde hare kinderen naar diens broêr en oude moeder, met de
boodschap, dat zij niet ongerust moesten zijn, maar eens moesten komen.
Moeder en zoon lieten niet op zich wachten en toen zij naderbij kwamen,
zagen zij, dat hij juist gereed was gekomen met het uithollen van den
stam, de lijkkist in de hut had gebracht en nu bezig was een graf te
graven. De broêr van den vermoorde was woedend, maar zijn moeder zei:
„Hinder de man niet: wij willen eerst eens zien, wat de weduwe denkt te
doen”. Deze wachtte bij het graf met een kapmes in haar hand en zei tot
den moordenaar, wat haast te maken.
Toen de delver met het graf gereed was, liet hij de kist er in zakken,
legde hij er het lijk in, dat hij netjes gekleed had en met verf en
sieraden had opgetooid, en gaf het zijn mes, zijn vischhaken en andere
voorwerpen van zijn voormalig bezit meê. Toen hij eindelijk met zijn
nog met bloed bevlekte handen begonnen was, het graf met aarde dicht te
werpen, trof zijn zuster, die achter hem stond, hem met haar kapmes in
den nek en na enkele oogenblikken bloedde de delver dood.
Er werd nu een tweede graf naast het eerst gegravene gedolven, en
daarin legde de zuster hem, zooals hij in zijn naaktheid was, neder,
zonder kleeding, zonder sieraden, zonder zijn bezittingen, want zij
voelde niet het minste medelijden of spijt jegens haar broêr.
Den zelfden dag vertrokken de moeder en de broeder weêr naar hun
woonplaats, na de weduwe te hebben overgehaald, bij hen haar intrek te
nemen en de kinderen mede te nemen. Dadelijk na aankomst in het
verblijf der oude moeder nam haar zoon de zorg voor de weduwe op zich,
legde haar in zijn hangmat en zei tegen zijn vrouw, dat hij liever deze
vrouw nam, omdat deze kinderen had, en zij hem geen kinderen kon
schenken.
In het nieuwe verblijf voelden de kinderen van de weduwe zich weinig op
hun gemak. Iederen morgen, nadat zij wat hadden gegeten, begaven zij
zich zoo gauw zij konden naar het graf van hun vader en keerden zij
eerst laat op den dag terug. Op den derden dag van hun bezoek aan het
graf ontmoetten zij een Heboe*, maar de kinderen herkenden hem niet. De
Heboe sprak tot hen: „Wanneer jelui je vader weêr terug wilt hebben,
moet je een blad van een zekeren boom (hij noemde den boom) plukken en
er mede over het graf heen en weêr wrijven. Dan zal hij verschijnen”.
[55] „Maar we kennen den boom niet”, antwoordden zij, en toen de kleine
man eenige bladen van den bedoelden boom had geplukt, wees hij hun, hoe
zij de bladeren over den grond moesten wrijven, waar hun vader lag
begraven, en drukte hen op het hart, dit den volgenden morgen dadelijk
te doen en dan ’s middags terug te komen. Hun vader zouden zij dan
zien.
Den anderen morgen volgden de kinderen op, wat de Heboe had gezegd, en
toen zij des middags terug kwamen, zat hun vader in de hut. Hij ging
naar hen toe en zei: „Haal wat water voor mij: ik heb dorst”. Nadat hij
wat gedronken had, vroeg hij: „Waar is jelui moeder?” Toen hij hoorde,
dat ze bij haar schoonmoeder woonde, droeg hij hen op, haar te gaan
halen. Toen de kinderen bij hun moeder kwamen en haar alles hadden
verteld, wat ze gezien hadden, riep zij uit: „Hoe kan dat nu? Hoe kan
jullie vader mij roepen, hij is immers dood?” Zij wilde er eerst niets
van gelooven, maar toen de jongens bleven aandringen en al maar riepen:
„Kom toch moeder, ga toch meê, alles is waar wat wij vertelden”, volgde
zij haar kinderen. Zij weigerde echter haar hangmat meê te nemen, want
zij kon nog altijd het verhaal niet gelooven.
Toen zij met de kinderen bij het graf gekomen was, kon zij haar oogen
niet gelooven. Want haar man zat zoowaar in levenden lijve in de hut.
Het was haar echte man, die daar tegenover haar zat. Het eerste wat hij
vroeg was: „Waar is je broêr?” waarop zij antwoordde: „Wat, ik doodde
hem en begroef zijn lijk naast het jouwe”. „Nu”, zei haar man, „hem zal
je nooit terug zien”.
Hoewel hij erg slap was, na al wat hij geleden had, was hij binnen een
week weêr geheel de oude van voorheen, daar hij door zijn vrouw zóó
teederlijk verzorgd werd, dat hij zijn gezondheid spoedig weêr terug
kreeg.
NO. 24. HOE EEN JONG WARRAU-INDIAANTJE UIT DE HANDEN DER CARAÏBEN
ONTKWAM. (W.)
Een aantal vrouwen en meisjes trokken er eens op uit om wilde
ananassen* te zoeken. Zij vertrokken van haar dorp in een groote
korjaal en landden ten slotte nabij een savanne*, waarop deze vruchten
veel plegen voor te komen. Nadat zij een poos hadden omgezworven en een
voldoend aantal dezer lekkere vruchten bijeen hadden, zetten zij zich
in een kring neêr, om ze op te eten, terwijl zij druk lachten en
babbelden, zooals vrouwen dit gewoon zijn te doen.
Nu hadden zij een kleinen jongen meêgenomen, die in een overhangenden
boom was geklommen, waaraan de korjaal was vastgebonden, en waarin hij
de wacht hield. De jongen was bang en had een gevoel, dat er iets zou
gaan gebeuren. [56]
Na een poos riep hij de vrouwen toe, dat eenige mannen de rivier kwamen
overzwemmen; maar de vrouwen staken er den gek meê, en riepen hem toe:
„Het is best, laten ze maar komen! Wij zullen ons best met hen
vermaken”. De mannen waren echter menschenetende Caraïben; want pas
hadden ze den oever bereikt, of ze wierpen zich op de vrouwen,
slachtten ze allen en begonnen het vleesch te koken. De jongen in den
boom trilde van angst en schrik, maar durfde niet naar beneden te
komen. De Caraïben bewaakten de korjaal om te zien of de een of ander
de boot zou komen halen, maar op onregelmatige tusschenpoozen liepen
zij heen en weêr van de plek van den misdaad naar de landingsplaats.
Gedurende een van deze oogenblikken zag de jongen kans, vlug van den
boom af te komen, en nadat hij zijn pijl in stukken had gebroken [57]
en de stukken over zijn lichaam had gewreven, om zich dapper te maken,
sprong hij in de korjaal en parelde hij zoo hard hij kon naar het
midden der rivier.
Maar de Caraïben hadden gezien wat hij deed en schreeuwden: „Keer om,
keer terug, je zuster leeft nog en roept om je”. Maar de jongen wist
wel beter, zoodat hij stevig doorparelde en veilig in zijn dorp kwam.
Hier vertelde hij zijn vader en anderen, wien het ongeluk getroffen had
en wat er gebeurd was. Deze haastten zich naar de plaats des onheils,
maar toen zij er aankwamen, hadden de Caraïben reeds de vlucht genomen,
zoodat zij geen betaling ontvingen (= niet gewroken konden worden).