Op zijn weg van het bosch naar huis kwam een man eens voorbij een
banab*, zonder bewoner. Hij vond er alleen een Pot, zacht pruttelend op
het vuur. De Pot begon te spreken [58] en vroeg hem of hij honger had.
Toen hij ten antwoord gaf: „Ik ben uitgehongerd”, zei de Pot:
„Uitstekend! Ik zal een vogelbout voor je koken”. Onmiddellijk deed de
Pot, wat hij beloofd had, en toen de man verzadigd was, stond hij op en
vervolgde zijn weg naar zijn hut.
Daar aangekomen, zette zijn vrouw visch, die zij gereedgemaakt had,
voor hem neêr. Maar de man zei, „neen, ik dank je, ik ben verzadigd”.
Zoo nu en dan verzon de man een uitvlucht, om op stap te gaan, en
verzuimde nimmer een bezoek aan den Pot te brengen. „Ik heb honger, je
moet nu eens een hapje vleesch voor me klaar maken”, zei de man.
Dadelijk begon de Pot weêr te koken en na korten tijd had hij een
stevig maal tapir-vleesch. Toen hij weder bij zijn vrouw kwam, zette
zij een cassavegerecht voor hem neêr, [59] maar haar man zei weêr: „ik
heb geen trek, mijn buik staat bol.” Nadat hij twee dagen in de hut was
gebleven en al het voedsel had geweigerd, dat zijn vrouw bij hem
bracht, bracht hij weêr een bezoek aan den gelukspot, die hem
trakteerde op vogelbout en vleesch en bij zijn thuiskomst verzekerde
hij weêr zijn vrouw, dat hij in niets trek had.
De beide zoons begonnen nu argwaan te krijgen en fluisterden tegen
elkaar: „wat moet dat toch beteekenen? Vader blijft twee volle dagen
thuis, en nog heeft hij geen trek. Hij gaat naar het bosch, en als hij
terug komt, wil hij nog niet eten. Waar haalt hij toch zijn voedsel van
daan?” De jongens besloten, hem op een afstand te bespieden en toen zij
hun vader tot bij de banab gevolgd hadden, zagen zij hem in gesprek met
den Pot en hem ten slotte een lekker maal doen.
Bij zijn terugkeer bedankte hij weêr voor hetgeen zijn vrouw hem
bracht. Maar er was een geringe voorraad eten voor de huishouding, en
de vrouw vroeg haar man daarom, om morokot* te gaan schieten. De zoons
echter begaven zich ongemerkt naar de banab, waar zij eveneens met den
Pot begonnen te spreken, en om vogels en vleesch vroegen. Nadat de
jongens zich te goed hadden gedaan, begonnen zij den Pot zóó goed
schoon te maken, dat niet de minste geur achterbleef. Even daarna kwam
de vader van den vischtocht terug en gaf den morokot aan zijn vrouw;
maar hij bedankte als gewoonlijk. „Ik heb er geen trek in, ik ben
voldaan”, zei hij weêr. Stilletjes sloop hij weêr weg naar zijn
Gelukspot in het bosch, en vroeg hem weêr, voor hem te willen koken,
maar hij wilde niet meer koken, noch voor hem, noch voor iemand anders;
zóó schoon hadden ze den Pot* gemaakt. De man begon toen te jammeren,
maar de Pot zei: „je bent begeerig geweest; je hebt niets van het
gevogelte en het vleesch aan je vrouw en kinderen gegeven; je hebt
alles alleen opgegeten.”