NO. 21. DE UIL EN ZIJN SCHOONBROEDERS VLEERMUIS. (W.)

Bokoe-Bokoe, de nachtuil, was getrouwd met de zuster van de vleermuis

en nam des nachts haar broêrs meermalen mede, om in de Indianen-hutten

op roof uit te gaan. Eens op een nacht kwamen zij langs een hut, waarin

het volk juist bezig was, op den barbakot visch te roosteren. Om de

menschen schrik aan te jagen, zongen zij luidkeels: bokoe! bokoe!

bokoe! waardoor zij de bewoners op de vlucht joegen, zoodat zij

gelegenheid kregen, de visch te stelen. Het drietal haalde in meerdere

hutten denzelfden streek uit, totdat de uil op zekeren dag aan zijn

kornuiten meêdeelde, dat hij voor eenigen tijd op reis moest en dat zij

zich tijdens zijne afwezigheid maar wat moesten behelpen en goed deden,

’s nachts binnenshuis (d.i. in het bosch) te blijven, daar er anders

zeker iets minder prettigs met hen zou gebeuren. Maar niet zoodra had

Bokoe-bokoe zijn hielen gelicht, of zwager Vleermuis nam nu in zijn

plaats zijn broêr op den rooftocht meê.

Eens op een nacht kwamen de beide vleermuizen weêr aan een hut, waar

visch geroosterd werd, en daar zij nu den uil niet bij zich hadden en

dus niet zoo duidelijk bokoe! bokoe! bokoe! konden roepen als te voren,

werd het volk ook niet zoo bang en liep het niet zoo ver weg, zoodat

het in staat was te zien, dat de vleermuizen het waren, die hun die

poets bakten. Maar de vleermuizen, die zich niet lieten afschrikken en

dachten, dat zij ongestraft hun slag zouden kunnen slaan, kwamen den

volgenden avond terug, toen een deel van de menschen reeds in hun

hangmatten lag, anderen nog rustig bijeenzaten. De snoodaards dachten

zeker, dat er niets met hen gebeuren kon en lachten van vreugde Chi!

Chi! Chi! Maar de hutmeester nam zijn boog en schoot een pijl, voorzien

van een prop was [51], een der vleermuizen tegen het lijf, waardoor

deze bedwelmd neêr viel. Zijn broêr, die onmiddellijk naar het bosch

gevlucht was, ontmoette daar Bokoe-bokoe, die juist van zijn reis

teruggekeerd was en aan wien hij den vroegen dood van zijn broêr

vertelde. Maar het verlies schrikte hen niet af, zoodat zij er den

volgenden nacht met hun tweeën op uittrokken. Het geluid hunner stemmen

bracht, nu Uil er bij was, weêr zulk een opschudding onder het

Indianenvolk teweeg, dat allen weêr de vlucht naar het bosch namen en

Bokoe-bokoe met zijn schoonbroêr de visch kon wegnemen. Toen zij nu op

den barbakot ook de doode vleermuis ontdekten, namen zij het lichaam

van hun verwante meê naar huis, waar zij flink op de plek begonnen te

kloppen, waar hij met den pijl geraakt was; dit bracht het dier weêr

bij, daar het vuur deze plek niet had aangedaan, en als te voren begon

de tot het leven weêr terug geroepen vleermuis te lachen, Chi! chi!

chi!

Hoewel nu Bokoe-bokoe den volgenden avond verhinderd was zijn beide

schoonbroêrs te vergezellen, herhaalden deze toch hun nachtelijken

strooptocht, en zooals van zelf sprak, was het volk weêr minder

bevreesd, zoodat een der vleermuizen een schot in zijn achterste

ontving.

Den volgenden nacht keerde nu Bokoe-bokoe met zijn schoonbroêr terug en

evenals de eerste keer vonden zij op den barbakot weêr de gedoode

vleermuis. Weêr namen zij het lichaam meê naar huis; maar toen zij weêr

op het lichaam klopten, wilde het leven niet terugkeeren; het was te

veel geroosterd boven het vuur.

De overlevende vleermuis echter gaat nu altijd voort met het volk en

zijn gevogelte uit te zuigen [52], of hen op andere wijze te hinderen,

terwijl de verschijning van Bokoe-bokoe voortaan altijd ongeluk

beteekent. Wanneer het bokoe! bokoe! bokoe! des nachts wordt gehoord,

beteekent dit steeds ziekte of dood.

Mythen en sagen uit West-Indië · 第 34 / 174 题