Bokoe-Bokoe, de nachtuil, was getrouwd met de zuster van de vleermuis
en nam des nachts haar broêrs meermalen mede, om in de Indianen-hutten
op roof uit te gaan. Eens op een nacht kwamen zij langs een hut, waarin
het volk juist bezig was, op den barbakot visch te roosteren. Om de
menschen schrik aan te jagen, zongen zij luidkeels: bokoe! bokoe!
bokoe! waardoor zij de bewoners op de vlucht joegen, zoodat zij
gelegenheid kregen, de visch te stelen. Het drietal haalde in meerdere
hutten denzelfden streek uit, totdat de uil op zekeren dag aan zijn
kornuiten meêdeelde, dat hij voor eenigen tijd op reis moest en dat zij
zich tijdens zijne afwezigheid maar wat moesten behelpen en goed deden,
’s nachts binnenshuis (d.i. in het bosch) te blijven, daar er anders
zeker iets minder prettigs met hen zou gebeuren. Maar niet zoodra had
Bokoe-bokoe zijn hielen gelicht, of zwager Vleermuis nam nu in zijn
plaats zijn broêr op den rooftocht meê.
Eens op een nacht kwamen de beide vleermuizen weêr aan een hut, waar
visch geroosterd werd, en daar zij nu den uil niet bij zich hadden en
dus niet zoo duidelijk bokoe! bokoe! bokoe! konden roepen als te voren,
werd het volk ook niet zoo bang en liep het niet zoo ver weg, zoodat
het in staat was te zien, dat de vleermuizen het waren, die hun die
poets bakten. Maar de vleermuizen, die zich niet lieten afschrikken en
dachten, dat zij ongestraft hun slag zouden kunnen slaan, kwamen den
volgenden avond terug, toen een deel van de menschen reeds in hun
hangmatten lag, anderen nog rustig bijeenzaten. De snoodaards dachten
zeker, dat er niets met hen gebeuren kon en lachten van vreugde Chi!
Chi! Chi! Maar de hutmeester nam zijn boog en schoot een pijl, voorzien
van een prop was [51], een der vleermuizen tegen het lijf, waardoor
deze bedwelmd neêr viel. Zijn broêr, die onmiddellijk naar het bosch
gevlucht was, ontmoette daar Bokoe-bokoe, die juist van zijn reis
teruggekeerd was en aan wien hij den vroegen dood van zijn broêr
vertelde. Maar het verlies schrikte hen niet af, zoodat zij er den
volgenden nacht met hun tweeën op uittrokken. Het geluid hunner stemmen
bracht, nu Uil er bij was, weêr zulk een opschudding onder het
Indianenvolk teweeg, dat allen weêr de vlucht naar het bosch namen en
Bokoe-bokoe met zijn schoonbroêr de visch kon wegnemen. Toen zij nu op
den barbakot ook de doode vleermuis ontdekten, namen zij het lichaam
van hun verwante meê naar huis, waar zij flink op de plek begonnen te
kloppen, waar hij met den pijl geraakt was; dit bracht het dier weêr
bij, daar het vuur deze plek niet had aangedaan, en als te voren begon
de tot het leven weêr terug geroepen vleermuis te lachen, Chi! chi!
chi!
Hoewel nu Bokoe-bokoe den volgenden avond verhinderd was zijn beide
schoonbroêrs te vergezellen, herhaalden deze toch hun nachtelijken
strooptocht, en zooals van zelf sprak, was het volk weêr minder
bevreesd, zoodat een der vleermuizen een schot in zijn achterste
ontving.
Den volgenden nacht keerde nu Bokoe-bokoe met zijn schoonbroêr terug en
evenals de eerste keer vonden zij op den barbakot weêr de gedoode
vleermuis. Weêr namen zij het lichaam meê naar huis; maar toen zij weêr
op het lichaam klopten, wilde het leven niet terugkeeren; het was te
veel geroosterd boven het vuur.
De overlevende vleermuis echter gaat nu altijd voort met het volk en
zijn gevogelte uit te zuigen [52], of hen op andere wijze te hinderen,
terwijl de verschijning van Bokoe-bokoe voortaan altijd ongeluk
beteekent. Wanneer het bokoe! bokoe! bokoe! des nachts wordt gehoord,
beteekent dit steeds ziekte of dood.