Langen tijd geleden, leefde er in het gebergte [48] een reusachtige
vleermuis, die vrees en schrik verspreidde onder de Makoesi-Indianen*.
Niet zoodra was de zon in het Westen nedergedaald, of het groote
afschuwelijke dier verliet zijn onbekend verblijf, fladderde over hunne
vóór dien tijd zoo ongelukkige woonplaatsen en schoot pijlsnel naar
beneden, om den eerste den beste, dien het buiten de hut aantrof, van
den grond te lichten. Het wezen droeg daarop het slachtoffer in zijn
vervaarlijke klauwen naar zijn onbekend nest en verslond het daar.
Angstig bracht men den avond in de Indianen-kampen door, en de morgen
brak dikwijls met geweeklaag aan, wanneer twee, soms zelfs drie
dorpsgenooten gemist werden; geen nacht ging er voorbij zonder een
ontvoering en de stam verminderde dagelijks, zoodat zijn geheele
vernietiging nabij scheen.
De piaiman was steeds ijverig in de weêr, om den Geest uit te drijven,
maar telkens kwam het gevreesde geheimzinnige dier terug; mannen
trokken er op uit, om het verblijf van den vervloekten moordenaar op te
sporen, maar zij konden het nergens vinden—Makoenaima was blijkbaar
niet met hen.
Om den stam voor uitsterven te behoeden, verrees er nu een oude vrouw
uit haar hangmat en verklaarde aan het volk, dat zij zich wilde
opofferen ter wille van hare mede-stamgenooten. Nadat de zon was
ondergegaan, plaatste zij zich met een overdekten vuurstok [49] in het
midden van het dorp, terwijl haar dorpsgenooten, gebukt en angstig in
hun hutten zaten af te wachten, wat gebeuren zou. Men hoorde het
fladderen van de reusachtige vleugels, en begreep, dat de heldin in
zijn vreeselijke klauwen was vastgegrepen, en meêgenomen werd naar het
geheimzinnige knekelhuis.
Nauwelijks was het slachtoffer omhoog geheven, of het ontdeed den
vuurstok van zijn omkleedsel, en deze wierp nu, evenals de Zon, zijn
vurige stralen achterwaarts [50] zoodat het volk beneden kon zien,
welken weg het zou moeten volgen, om het kerkhof der verloren broeders
te vinden.
De hooge vlammen, die den volgenden morgen uit het brandende nest
opstegen, wezen nu de verblijfplaats van het monster aan. Het volk
wachtte geen oogenblik, om er op uit te trekken, en het gelukte den
moordenaar te dooden. De geschiedenis vertelt niet, of de oude vrouw
voor haar heldhaftige daad heeft moeten boeten; maar wel is het bekend,
dat een stapel gebleekte beenderen de plaats aanwijst, waar eenmaal het
nest van den roover zich bevond.