NO. 19. DE ZON EN ZIJN BEIDE TWEELINGZOONS. (C.)

Zeer lang geleden leefde er een vrouw, aan wie de Zon* een tweeling

schonk. Het waren jongens, Pia en Makoenaima* genoemd. Eens op een dag

zei de toen nog niet geboren Pia tot zijn moeder: „Laten wij gaan en

onzen vader gaan opzoeken. Wij zullen U den weg wijzen, en als wij op

pad zijn, moet gij voor ons mooie bloemen plukken.” De moeder liep naar

het Westen [46] om haar man te ontmoeten, en terwijl zij aan het

bloemen plukken was, struikelde zij, waardoor zij zich verwondde en

viel. Zij betichtte nu van dit ongeluk hare nog ongeboren kinderen; en

nadat zij hen beknord had en hun vroeg, welken weg zij verder moest

volgen, weigerden zij het te zeggen.

Zoo kwam het, dat zij een verkeerden weg insloeg en eindelijk met den

gewonden voet en doodmoe aan een vreemdsoortige hut kwam. De hut was

het eigendom van Tijger’s moeder, Kono(bo)-aroe, de Regenkikvorsch*, en

toen de uitgeputte wandelaarster ontdekte waar zij was, zei ze tot de

oude vrouw, dat zij groote spijt had, hier gekomen te zijn, daar zij

gehoord had, hoe wreed haar zoon was. De huisvrouw, die medelijden met

haar had, beduidde haar, dat zij niet bang behoefde te zijn, maar

verborg haar voor alle veiligheid in den kassiripot en smeet haastig

het deksel er op.

Toen Tijger des nachts thuis kwam, begon hij overal rond te snuiven.

„Moeder”, zei hij, „ik ruik iemand, wie heb je hier?” En ofschoon zij

volhield, dat zij niemand voor hem had, om zijn maal te doen, was

Tijger niet tevreden en ging zelf op onderzoek uit. Eindelijk ontdekte

hij het angstige schepsel in den kassiri-pot.

Toen hij nu de arme vrouw met één slag gedood had, ontdekte hij de nog

niet geboren kinderen. Hij toonde ze aan zijn moeder, die hem aanried,

goed op ze te passen en ze zorgvuldig te verplegen. Tijger deed wat hem

gezegd was: hij wikkelde ze in een bundel katoen, om ze warm te houden

en ziet, den volgenden morgen waren ze al zóó groot geworden, dat ze

begonnen te kruipen. Nog een dag later waren ze nog meer gegroeid, en

dat ging zoo voort, tot dat ze reeds na verloop van een maand volwassen

waren.

Tijger’s moeder zei, dat zij nu wel pijl en boog zouden kunnen

hanteeren, waarmede zij den powies* moesten schieten, omdat het deze

vogel was geweest, die hun moeder gedood had.

Pia and Makoenaima gingen nu de volgenden dag op jacht en schoten een

powies. Dat ging lang goed; iederen dag brachten zij powies mede. Maar

toen zij weêr eens op een powies mikten, riep den vogel hen toe, dat

het niet een powies was geweest, die hun moeder gedood had, maar Tijger

zelf, terwijl hij er de noodige inlichtingen bij gaf, hoe zij Tijger

moesten dooden.

De beide jongens schrokken hevig, toen zij dit hoorden. Zij spaarden

den vogel; maar toen zij met leêge handen van de jacht terugkwamen,

maakten zij hun moeder wijs, dat de powies hun pijlen en boog had

weggenomen. Deze leugen hadden ze maar verzonnen, om de kans te hebben,

nieuwe en betere wapens te maken. Zij hadden hun wapens ergens in het

bosch verborgen.

Nadat zij nu met hunne krachtiger wapens gereed waren, bouwden zij een

stellage tegen een boom, klommen er in en schoten, toen Tijger voorbij

kwam, op hem, zoodat hij morsdood neêrviel. Haastig daalden zij naar

beneden, renden naar de hut en schoten nu ook zijn moeder neêr.

De beide jongens vervolgden nu hun weg en kwamen ten laatste aan een

groep Kankantries, bij een hut, waarvoor een stokoude vrouw zat, die in

werkelijkheid een kikvorsch* was. Zij namen bij haar hun intrek en

gingen iederen dag op jacht. Iederen keer, wanneer zij van de jacht

terugkeerden, vonden zij cassavebrood gereed staan, dat hun gastvrouw

gebakken had. „Dat is erg vreemd”, zei Pia tot zijn tweelingbroeder,

„wij zien hier geen kostgronden, en kijk nu eens, hoeveel cassave de

oude ons wel voorzet. Wij moeten eens goed op haar letten.”

Den volgenden morgen bleven zij, in plaats van hun jachtterrein op te

zoeken, in de buurt en verscholen zij zich achter een boom, van waar

zij alles konden zien, wat er in en om de hut gebeurde. Zij zagen toen,

dat de oude een witte vlek op haar schouders had, dat zij telkens zich

voorover boog en in deze vlek beet, waaruit onmiddellijk cassavemeel

begon neêr te vallen.

Bij hun thuiskomst weigerden de jongens nu van de cassave te eten, nu

zij wisten, waar zij vandaan was gekomen.

Den volgenden dag plukten zij nu een hoeveelheid katoen [47] van de

boomen en spreidden dit op den bodem uit. „Wat doen jelui daar?” vroeg

de oude. „Wel, we maken iets heel moois voor je. Die zachte zitplaats

zal je bevallen”, antwoordden de jongens. De oude was er erg blij meê;

maar niet zoodra was zij op het zachte bed gaan zitten, of de jongens

staken het in brand. De huid van de oude werd nu zóó erbarmelijk

geschroeid, dat haar huid vol met rimpels trok. Dit leelijke, ruwe vel

heeft de Regenkikvorsch altijd behouden.

Pia en Makoenaima zetten nu hun reis verder voort, om hun vader te

ontmoeten en kwamen al heel gauw aan de woning van Maipoeri*, den

Tapir, waar zij drie dagen bleven. Op den derden avond keerde Maipoeri

glanzend en vet van zijn dagelijksche wandeling terug. De jongens, die

wilden weten, hoe hij het wel aanlegde, er zoo doorvoed uit te zien,

volgden den anderen morgen vroeg zijn spoor, dat leidde naar een

pruim*. Hier aangekomen, begonnen ze zóó hard aan den boom te schudden,

dat alle vruchten, rijp en onrijp, op den grond vielen.

Toen Maipoeri zich den volgenden morgen weêr dacht te goed te kunnen

doen, maar bemerkte, dat al zijn voedsel voor hem verloren was, keerde

hij haastig naar huis terug, ranselde de beide jongens af en verdween

haastig in het bosch. Pia en Makoenaima liepen hem achterna, volgden

den geheelen dag zijn voetspoor en haalden hem eindelijk in. Pia

beduidde zijn broêr, achter Maipoeri om te gaan en het dier naar hem

toe te drijven, en toen hij het dier zag naderen, schoot hij het een

haapoena (harpoenpijl) door het lijf, maar de lijn kwam door het nog

een eind voortloopende dier langs den armen Makoenaima en sneed hem een

been af.

Op een helderen nacht kan men ze nu nog zien: je ziet Maipoeri

(Hyaden), Makoenaima (de Pleiaden) en daaronder zijn afgesneden been

(de gordel van Orion).

Mythen en sagen uit West-Indië · 第 32 / 174 题