Verhit door den drank van een groot paiwarri-feest, nam een Indiaan
zijn weg naar het water, om zich te baden en wat op te frisschen. Toen
hij er aankwam, ontmoette hij Amanna, een van de geesten der
Okoyoemo’s, een aantrekkelijke jonge vrouw, die hem vroeg, haar in het
water te vergezellen. Eerst had hij er wel wat op tegen, maar toen zij
bleef aanhouden, kon hij ten slotte niet langer aan haar
bekoorlijkheden weêrstand bieden. Toen hij op het laatste oogenblik
toch niet nalaten kon, haar toe te voegen, dat hij er haast zeker van
was, dat men hem zou willen verdrinken, voegde zij hem toe: „Wees niet
bevreesd, ik zal goed op je passen en zorgen, dat er geen kwaad met je
gebeuren kan”. Zij doken nu samen onder, en toen zij op den bodem van
het water aankwamen, zag hij een aantal hutten, vol met volk, waaronder
vele jonge vrouwen. Hij voelde zich nu erg tevreden, vooral toen deze
hem drank aanboden. Amanna verbood hem er echter van te gebruiken en
nam hem meê naar haar ouden vader, die hem hartelijk verwelkomde en
zijn dochter op het hart drukte, goed op hem te letten.
Dit deed zij ook.
In dien tusschentijd was de moeder over het lange wegblijven van haar
zoon ongerust geworden; zij volgde het spoor, dat helaas naar de rivier
leidde. „Mijn arme zoon zal verdronken zijn”, dacht zij, en zij begon
naar zijn lijk te zoeken. Maar overal te vergeefs. Zij keerde bedroefd
naar haar dorp terug, in de vaste meening, dat haar zoon dood was.
Geruimen tijd was er voorbijgegaan, toen de man het verlangen kreeg, om
zijn moeder een bezoek te brengen. Hij rees uit het water omhoog en
sloeg den weg in naar zijn oude woonplaats. De moeder, verheugd haar
zoon weêr te zien, vroeg hem, waar hij al dien tijd was geweest; en hij
vertelde, dat hij een verre wandeling had gemaakt. De oude vrouw was
echter met dit antwoord niet tevreden, en zei tot haar zoon: „Je moet
niet meer van me weggaan, want ik ben oud en lijd honger; je jongere
broêr kan mij niet ondersteunen en ik heb geen andere kinderen dan
jelui beiden”.
Maar haar zoon, die een wilden aard had, luisterde niet en vertrok nog
dienzelfden namiddag naar zijn vrouw, de Watergeest, terug. Ditmaal
bleef hij nog veel langer weg dan de eerste maal. Toen hij nu na zijn
tweede afwezigheid weêr eens naar zijn moeder kwam zien, vond hij haar
met zijn kleinen broêr weêr aan het drinken van paiwarri. De jongen
begon hem uit te vragen, waarom hij toch bij het Okoyoemo-volk verblijf
hield. Dit verontrustte hem, en onder het uitroepen van: „Hoe durf je
me zoo’n vraag te doen?” holde hij weg en verdween hij weêr onder
water, waar hij nog langer bleef dan den tweeden keer.
Er verliep nu weêr een lange tijd, gedurende welke Amanna hem drie
kinderen had geschonken, en toen de man weêr zijn wensch te kennen gaf,
zijn moeder te willen bezoeken, voegde hij er bij, dat hij graag zou
zien, dat Amanna hem vergezelde. Zij vond het goed, op voorwaarde, dat
de kinderen thuis zouden blijven.
Toen het paar in de ouderlijke hut aankwam, was de oude moeder met haar
zoon weêr bezig met het drinken van paiwarri, maar ditmaal was de broêr
bepaald dronken, en weêr kon deze niet laten de vraag te doen, of hij
onder het Okoyoema-volk bleef wonen? Ja, dat doe ik, zei de man
geprikkeld, en hier heb je mijn vrouw Amanna, die tot die natie
behoort!
Zoodra Amanna dit hoorde, holde zij naar de waterkant, en plonste zij
onder water. Haar man vluchtte haar na, maar niet zoodra was hij ook
onder water gekomen, of zijn vrienden en verwanten vermoordden hem,
omdat hij aan zijn moeder haar naam had genoemd, en verteld had, waar
zij van daan kwam.