NO. 17. DE LEGENDE VAN DEN OUDEN MAN’S VAL.

In lang vervlogen tijden, zoo vertellen onze voorouders, bevonden zich

boven den Potaro-val* meerdere Indianen-dorpen. In een der hutten

woonde een oude man, die half blind en een ieder tot last was. Want,

hoewel hij vroeger sterk en vlug was geweest, werden zijn arme lijdende

voeten door een menigte zandvlooien* geplaagd, die er zich venijnig

hadden ingegraven. De oude, hulpelooze man had steeds meer verzorging

noodig—en dit verdroot den jongeren, die er ten slotte de brui van

gaven en uitriepen: „Wat helpt dat? Laten we hem laten liggen en laat

hem maar schreeuwen! Wie er lust in heeft, ga zijn gang. Hij is een

lastige, afzichtelijke oude man geworden. Wat is er aan te doen? Allen

wenschen zijn dood”. Niemand wilde echter het hoofd van den armen man

klieven. „Laat hij gaan naar het land der Geesten”, riepen sommigen,

„de rivier zal hem er wel brengen; als zijn lijden nog langer

voortduurt, zal hij toch sterven. Wij kunnen hem niet meer helpen; wij

zondigen dus niet”.

Toen zei de kapitein: „Breng een korjaal, [45] leg er den oude in, maar

verzuim vooral niet, al hetgeen hij bezit er ook in te leggen; laat

hier niets van hem achterblijven, want wij wenschen geen voordeel, doch

willen alleen aan zijn lijden een einde maken. Wij zenden hem naar een

andere wereld, en laten hem niet met ledige handen gaan; want anders

zouden we zondigen”.

De jongeren gehoorzaamden. Zij brachten den gevraagden korjaal, legden

den ouden man met zijn bezittingen er in, duwden het vaartuigje vooruit

en zagen hem langzaam stroomafwaarts drijven. Het geraas van den

naderenden waterval moet voor hem een benauwende droom geweest zijn,

maar zijn angst duurde niet lang, want—slechts eenige oogenblikken

daarna stortte het bootje met het slachtoffer en al zijn zandvlooien

naar omlaag.

Het kan zijn, dat het jonge volk, dat zoo wreed was geweest, spijt

heeft gehad, niet anders gehandeld te hebben; het is niet bekend, want

het is al heel, heel lang geleden. Maar wel weten we, dat de

klokkenvogel*, met zijn wit gevederte, in de buurt nog altijd

voortgaat, des nachts zijn klokkentonen te laten hooren.

Sommige Indianen weten echter te vertellen, dat toen de man de

afschuwelijke tuimeling over den val maakte, onzichtbare krachten

tusschenbeide gekomen zijn, die, om zijn arm gebeente te redden, boot,

met alles wat er in was, in steenen veranderd hebben. Ieder, die de

rotsen daar nu ziet, zal de boot in de gedaante van een puntigen rots

duidelijk herkennen en, niet ver van daar, de in steen veranderde

pagaai. Het is echter niet zoo duidelijk, waar de man zelf gebleven is.

„Want”, beweren de Indianen, die beneden den val wonen, „daar een

sterke stroom de hardste rotsen afslijpt, zullen eerst zijn ooren en

zijn neus, vervolgens zijn vingers en zijn teenen afgeslepen zijn,

zoodat zijn lichaam misschien in het zand beneden den val is

overgegaan”.

Mythen en sagen uit West-Indië · 第 30 / 174 题