In lang vervlogen tijden, zoo vertellen onze voorouders, bevonden zich
boven den Potaro-val* meerdere Indianen-dorpen. In een der hutten
woonde een oude man, die half blind en een ieder tot last was. Want,
hoewel hij vroeger sterk en vlug was geweest, werden zijn arme lijdende
voeten door een menigte zandvlooien* geplaagd, die er zich venijnig
hadden ingegraven. De oude, hulpelooze man had steeds meer verzorging
noodig—en dit verdroot den jongeren, die er ten slotte de brui van
gaven en uitriepen: „Wat helpt dat? Laten we hem laten liggen en laat
hem maar schreeuwen! Wie er lust in heeft, ga zijn gang. Hij is een
lastige, afzichtelijke oude man geworden. Wat is er aan te doen? Allen
wenschen zijn dood”. Niemand wilde echter het hoofd van den armen man
klieven. „Laat hij gaan naar het land der Geesten”, riepen sommigen,
„de rivier zal hem er wel brengen; als zijn lijden nog langer
voortduurt, zal hij toch sterven. Wij kunnen hem niet meer helpen; wij
zondigen dus niet”.
Toen zei de kapitein: „Breng een korjaal, [45] leg er den oude in, maar
verzuim vooral niet, al hetgeen hij bezit er ook in te leggen; laat
hier niets van hem achterblijven, want wij wenschen geen voordeel, doch
willen alleen aan zijn lijden een einde maken. Wij zenden hem naar een
andere wereld, en laten hem niet met ledige handen gaan; want anders
zouden we zondigen”.
De jongeren gehoorzaamden. Zij brachten den gevraagden korjaal, legden
den ouden man met zijn bezittingen er in, duwden het vaartuigje vooruit
en zagen hem langzaam stroomafwaarts drijven. Het geraas van den
naderenden waterval moet voor hem een benauwende droom geweest zijn,
maar zijn angst duurde niet lang, want—slechts eenige oogenblikken
daarna stortte het bootje met het slachtoffer en al zijn zandvlooien
naar omlaag.
Het kan zijn, dat het jonge volk, dat zoo wreed was geweest, spijt
heeft gehad, niet anders gehandeld te hebben; het is niet bekend, want
het is al heel, heel lang geleden. Maar wel weten we, dat de
klokkenvogel*, met zijn wit gevederte, in de buurt nog altijd
voortgaat, des nachts zijn klokkentonen te laten hooren.
Sommige Indianen weten echter te vertellen, dat toen de man de
afschuwelijke tuimeling over den val maakte, onzichtbare krachten
tusschenbeide gekomen zijn, die, om zijn arm gebeente te redden, boot,
met alles wat er in was, in steenen veranderd hebben. Ieder, die de
rotsen daar nu ziet, zal de boot in de gedaante van een puntigen rots
duidelijk herkennen en, niet ver van daar, de in steen veranderde
pagaai. Het is echter niet zoo duidelijk, waar de man zelf gebleven is.
„Want”, beweren de Indianen, die beneden den val wonen, „daar een
sterke stroom de hardste rotsen afslijpt, zullen eerst zijn ooren en
zijn neus, vervolgens zijn vingers en zijn teenen afgeslepen zijn,
zoodat zijn lichaam misschien in het zand beneden den val is
overgegaan”.