NO. 16. HARIWALI EN DE WONDERBOOM. (A.)

Hariwali was een knappe, ijverige piaiman, die een groot deel van zijn

tijd besteedde aan het openkappen van het bosch voor zijn twee vrouwen.

[42] In de hut, die hij met de vrouwen en kinderen bewoonde, hield ook

zijn broeder verblijf. Wanneer hij de boomen aan het vellen was, gingen

de vrouwen om beurten naar het veld, om hem kassiri* te brengen.

Op een keer gebeurde het nu, dat toen een der beide vrouwen als

gewoonlijk met de verfrissching voor hem op weg was, zij haar

schoonbroêr ontmoette, die eenige strengen itiriti* droeg, om er korven

van te vlechten. „Hallo!” zei hij, „waar ga je heen?” waarop de vrouw

antwoordde: „ik ga kassiri aan mijn man brengen, die op het veld

is—maar je bevalt mij. Hou je ook van mij?” „Neen” zei hij, „dat heb je

mis, en als ik van je hield, zou mijn broêr, die immers piaiman is, er

spoedig achterkomen”. Maar de vrouw hield aan, probeerde hem te vleien,

waarop zij eindelijk haar armen om zijn hals sloeg. Hij was maar een

mensch, en liet zich ten slotte de liefkozingen van zijn schoonzuster

welgevallen, nadat zij hem verzekerd had, dat haar man nooit te weten

zou kunnen komen, dat zij hem bedrogen had.

Nadat zij weder elk hun eigen weg waren gegaan, brak de vrouw nog voor

zij het veld bereikt had, haar kalebas, en verwondde zich de knie aan

een puntig stammetje, waardoor ze begon te bloeden. Toen Hariwali haar

zoo langzaam, kreupel loopend zag aankomen, vroeg hij haar, wat er

gebeurd was. Zij kon niets anders doen, dan op de schram en het bloed

van de gewonde knie te wijzen, en hem te vertellen, dat zij een ongeluk

had gehad en gestruikeld was over een boomstronk. Maar haar man was een

listige piaiman, en wist heel goed wat er gebeurd was, en hoewel hij

toen niets liet merken, besloot hij zich niet alleen op haar, maar ook

zijn andere vrouw te zullen wreken. Hij wilde haar nu zoo gauw mogelijk

kwijt zijn, en verzocht haar, dadelijk terug te gaan.

Den volgenden morgen vroeg hij de vrouwen, hem te willen vergezellen,

daar hij wilde gaan visschen en haar noodig had, om zijn vuur aan te

leggen en zijn eten te koken. Toen zij goed en wel aan den poel waren

aangekomen en de vrouwen het vuur gereed hadden, bracht haar man een

schildpad, die zij levend op de heete asch neerlegden. Het dier kroop

echter onmiddellijk van zijn onaangenaam verblijf weg. Dit was het

kwade voorteeken, dat beider dood voorspelde. De piaiman had haar n.l.

betooverd en zij dachten, dat zij de schildpad reeds gedood hadden.

„Maar misschien is het vuur niet heet genoeg”, dacht de trouwelooze

echtgenoote; „ik ga nog wat droog hout halen.” Toen zij nu het hout aan

het breken ging, bleek het buitengewoon hard te zijn, hetgeen haar deed

uitroepen: Tata-Ketaiaba (=hard om te breken); maar nauwelijks had zij

deze woorden uitgesproken, of zij vloog weg in de gedaante van een

valk, een boel-tata, die zoo vaak zijn huiveringwekkend boel-tata laat

hooren. Hariwali had dit gedaan.

Zijn andere vrouw had het erg warm gekregen, en ging daarom even naar

de rivier, om een bad te nemen, maar nauwelijks was zij ondergedoken of

Hariwali veranderde haar in een bruinvisch*. Zij was de eerste

bruinvisch, die de rivieren ooit hebben voortgebracht. Toen Hariwali nu

op deze wijze zijn vrouwen had gestraft, was de beurt aan zijn broêr.

Hoe zou hij nu dezen laten boeten voor hetgeen hij jegens hem misdreven

had?

Toen Hariwali in zijn hut terugkeerde, stond hij, dien hij zocht, juist

gereed om met pijl en boog op jacht te gaan. Hij begroette hem niet.

Hij had zijn maatregelen genomen, en deze hadden goede uitwerking, want

terwijl diens pijlen nooit misten, troffen zij nog dienzelfden middag

ongeloofelijk ver van het doel. Zijn broêr gaf het echter niet op en

probeerde andermaal een vogel te raken, maar ook nu doodde hij het dier

niet, dat slechts enkele veeren liet vallen. „Doe dat niet meer”, zei

de vogel, „en kijk nu eens achter je”. En zoo waar, toen hij zich

omdraaide, zag hij een uitgestrekt watervlak, en ontdekte hij tot zijn

schrik, dat hij op een eiland was.

Maar hoe daar nu vandaan te komen? Hij wandelde heen en weêr, naar alle

kanten zocht hij een uitweg, tot hij ten slotte een pad vond, maar geen

gewoon pad, maar Jawahoe’s pad, dat leidde naar het verblijf van den

Geest. Toen hij daar aankwam, pakte de Jawahoe hem beet en nam hem al

zijn beenderen uit het lijf, [43] behalve die van zijn vingers. Jawahoe

was zoo vriendelijk dit te doen, opdat hij niet ontvluchten zou. De

Geest legde hem nu in de hangmat en verzorgde hem zoo goed hij maar

kon. De beenderen hing hij in een bundel op onder het dak van de hut.

Deze Jawahoe was een echte huisvader met een menigte zoons, die altijd

met hun pijl en boog bezig waren. Wanneer nu hun pijlen stomp werden,

behoefden zij maar naar de hangmat van den gevangene te gaan, om ze te

scherpen aan diens beenige vingertoppen.

Al dien tijd jammerde Hariwali’s moeder des nachts over haar afwezigen

zoon, die op zoo geheimzinnige wijze verdwenen was; maar ten laatste

kreeg de piaiman, die zijn broêr door nooit falende tooverkunsten aan

de macht van den Geest had overgeleverd, medelijden met haar, en keerde

hij naar zijn hut terug. Zoodra hij zijn moeder zag, beduidde hij haar,

dat zij alles wat zij in de hut hadden, bijeen moest pakken, om ten

spoedigste van de plaats weg te gaan; want dat zij allen het dorp voor

altijd zouden moeten verlaten, wanneer hij er met zijn broêr zou

terugkeeren.

De nacht vóór het vertrek liet de piaiman met zijn tooverrammelaar het

shak shak hooren, waarmede hij zijn Geestenvrienden opriep—en ziet, den

volgenden morgen vlogen er een menigte papegaaien over zijn hut. Zijn

kinderen maakten hem er opmerkzaam op en hij had nog juist tijd, de

vogels toe te roepen, een zaad van zekeren boom te laten vallen, van

wiens bast de Indiaansche medicijnmeesters bij hunne genezingen gebruik

maken. De vogels voldeden onmiddellijk aan het verzoek en hoewel de

jongens het zaad hadden zien vallen, konden zij het nergens vinden.

Hariwali had er echter dadelijk zijn voet op gezet. Daar kinderen er

niets meê te maken hadden, wat hij ging doen, zei hij, dat er geen zaad

gevallen was en dat zij zich zoo gauw mogelijk moesten verwijderen. Het

jonge volk mag immers niet zien wat de oude piaiman voor kunsten

uitvoert!

Zoodra Hariwali alleen was, legde hij het zaad in den grond, op

dezelfde plek, waar het was neêrgevallen, en nadat hij den zelfden

avond zijn tooverkunsten met den rammelaar herhaald had, stond den

volgenden morgen op de plek een statige boom. Zoodra Hariwali nu de

vrucht van zijn kunde had gezien, riep hij zijn moeder, wie hij

gelastte, alles wat zij bij elkander had gepakt, aan de takken van den

boom te hangen, en te wachten, tot hij met zijn broeder zou

terugkeeren.

Zoodra hij nu op de woonplaats van Jawahoe was aangekomen, waar hij de

geheele familie afwezig vond, nam hij zijn gevangen broeder uit de

hangmat, trok den bundel beenderen van het bladerdak der hut en maakte,

dat hij met zijn last wegkwam. Maar ongelukkig kwam de Geest eerder

terug, dan hij gedacht had, en deze, ziende dat de hangmat leeg was en

de beenderen verdwenen waren, begreep dadelijk, wat er gebeurd was. Hij

ontdekte spoedig het versche spoor en zond zijn honden vooruit, om de

vluchtelingen op te sporen. Arme Hariwali, arme broêr! Deze hoorden het

blaffen van de honden en het fluiten van den Geest, maar zij hadden nog

juist den tijd, om in het hol van een armadil* te kruipen. Pas waren

zij er in, of Jawahoe kwam aanrennen, die hen toeriep, onmiddellijk te

voorschijn te komen, want anders zou hij hen met een stok doorboren. De

vluchtelingen lagen echter diep en laag en antwoordden niet. Jawahoe,

daarop woedend geworden, bracht een stok met een harden stoot in het

hol, maar Hariwali greep hem vast en veranderde het harde voorwerp

onmiddellijk in een kapassi-slang*.

Jawahoe nu, denkende, toen hij de slang zag, dat hij zich vergist had

en het spoor der vluchtelingen kwijt was geraakt, verwijderde zich nu

en ging elders zoeken. Toen Hariwali zich overtuigd had, dat het gevaar

voorbij was, plaatste hij de beenderen weêr in het lichaam van zijn

broeder en toog met hem op weg naar zijn dorp.

Hoe verheugd was zijn moeder, haar beide zoons weêr te zien! Zij had

inmiddels alles aan de takken van den zwaren boom opgehangen, en had

zich met haar dochter en kleinkinderen voor een lange reis gereed

gemaakt. Toen het avond begon te worden, klommen zij allen, groot en

klein in de onderste takken, waarop zij beschutting vonden onder het

dichte gebladerte, terwijl Hariwali nog hooger klom en hier met zijn

tooverrammelaar begon te werken.

Midden in den nacht voelde de familie beneden plotseling, dat de boom

begon te schudden; zij hoorde rommelende geluiden, gevolgd door

trillingen, en kregen de gewaarwording, dat de boom zijn wortels uit

den zandachtigen bodem begon los te maken, en op het punt was, er

vandoor te gaan. [44] Juist waren ze voornemens de lange reis te

ondernemen, toen Hariwali’s zuster, haar oogen naar beneden richtend,

zich herinnerde, dat zij haar kwejoe* in de hut had achtergelaten. Zij

riep haar broeder boven in den boom toe: Dekeweyo-daiba (ik heb mijn

voorschoot vergeten) en toen zij ten antwoord kreeg, dat zij het moest

gaan halen, veranderde zij op het oogenblik, dat zij haar hut had

bereikt, in een wicissi-eend*. Nog altijd kan men deze eend

„dekeweyo-daiba” hooren roepen, hoewel niet zoo duidelijk, als wanneer

de woorden langzaam zouden worden uitgesproken.

Wat de rest van de familie betreft—wel, wij weten, dat de boom ergens

heen vloog, maar nooit hebben wij iets van de menschen vernomen, die er

op waren, toen hij van de plaats, waar hij zoo gauw gegroeid was,

vertrok.

Mythen en sagen uit West-Indië · 第 29 / 174 题