NO. 15. TIJGER EN MIERENETER. (C.)

Eens op een dag ontmoette Tijger vriend Tamanoea* in het bosch en nam

hem in de maling om zijn grappigen bek en zijn wonderlijke lompe

voeten. „Geeft niets”, zei Tamanoea, „al is mijn bek lang en dun, en

mijn voet lomp, toch kan ik, als het moet, even goed vleesch eten als

jij, en als het er op aankomt, ben ik ook even sterk als jij.” „O,

neen! dat heb je mis!” antwoordde Tijger. Zij begonnen nu te

redetwisten. Ten slotte beweerde Tamanoea, dat hij wel eens een pijp in

den mond van Tijger zou willen zien, en toen deze daarop zijn kaken

wijd openzette en zijn slagtanden liet zien, lachte Tamanoea hem

hartelijk uit, uitroepende: „ik geef daar weinig voor”. Dit ergerde

Tijger, die van zijn kant vroeg, in Tamanoea’s mond te mogen zien. Toen

deze deed, wat Tijger vroeg, riep deze uit: „Wat, durf jij beweren, dat

je vleesch kan eten? Ik geloof er niets van; je hebt in je leven nog

geen stukje vleesch geproefd”. „Je liegt”, antwoordde Tamanoea, „want

dezen morgen heb ik mij nog te goed gedaan aan het overschot van een

hert, dat jij hebt laten liggen. Als je mijn verteringsresten maar eens

goed bekijkt, zal je moeten bekennen, dat ik minstens evenveel vleesch

heb gegeten als jij”. Zij kwamen nu overeen, onmiddellijk het bewijs te

leveren, nadat Tamanoea gedaan had weten te krijgen, dat zij, terwijl

zij bezig waren, beiden de oogen zouden sluiten. Maar niet zoodra

hadden zij zich neergezet, of Tamanoea opende heimelijk zijn oogen en

verwisselde haastig zijn excrementen voor die van zijn tegenpartij.

„Doe je oogen open”, riep nu Tamanoea, waarna beiden het resultaat in

oogenschouw gingen nemen. Toen nu Tijger het verteringsoverschot van

Tamanoea bekeek, begreep hij er niets van, en moest hij bekennen, dat

zijn tegenstander inderdaad dien morgen vleesch had gegeten en nog wel

een groote hoeveelheid ook.

Tijger begon nu te piekeren over hetgeen zijn eigen maal had

opgeleverd, en zei: „Nog nooit is me zoo iets overkomen; ik moet

stellig ziek zijn”. „Ziek ben je zeker”, antwoordde Tamanoea, „en

slapjes ook; want hoewel mijn voeten zoo lomp zijn, door bij het loopen

mijn teenen steeds naar buiten te buigen, [39] kan ik toch even hard

vooruitkomen als jij”.

Tijger werd door deze laatste grootspraak zóó geprikkeld, dat hij zich

tot den strijd gereed maakte. Hij deed een sprong, maar op het zelfde

oogenblik boog Tamanoea zijn kop voorover, en Tijger bij zijn ribben

grijpend [40] was hij nu meester in den strijd, en perste hij hem zóó

hevig samen, dat Tijger dood neêrviel. [41]

Mythen en sagen uit West-Indië · 第 28 / 174 题