Eens op een dag ontmoette Tijger vriend Tamanoea* in het bosch en nam
hem in de maling om zijn grappigen bek en zijn wonderlijke lompe
voeten. „Geeft niets”, zei Tamanoea, „al is mijn bek lang en dun, en
mijn voet lomp, toch kan ik, als het moet, even goed vleesch eten als
jij, en als het er op aankomt, ben ik ook even sterk als jij.” „O,
neen! dat heb je mis!” antwoordde Tijger. Zij begonnen nu te
redetwisten. Ten slotte beweerde Tamanoea, dat hij wel eens een pijp in
den mond van Tijger zou willen zien, en toen deze daarop zijn kaken
wijd openzette en zijn slagtanden liet zien, lachte Tamanoea hem
hartelijk uit, uitroepende: „ik geef daar weinig voor”. Dit ergerde
Tijger, die van zijn kant vroeg, in Tamanoea’s mond te mogen zien. Toen
deze deed, wat Tijger vroeg, riep deze uit: „Wat, durf jij beweren, dat
je vleesch kan eten? Ik geloof er niets van; je hebt in je leven nog
geen stukje vleesch geproefd”. „Je liegt”, antwoordde Tamanoea, „want
dezen morgen heb ik mij nog te goed gedaan aan het overschot van een
hert, dat jij hebt laten liggen. Als je mijn verteringsresten maar eens
goed bekijkt, zal je moeten bekennen, dat ik minstens evenveel vleesch
heb gegeten als jij”. Zij kwamen nu overeen, onmiddellijk het bewijs te
leveren, nadat Tamanoea gedaan had weten te krijgen, dat zij, terwijl
zij bezig waren, beiden de oogen zouden sluiten. Maar niet zoodra
hadden zij zich neergezet, of Tamanoea opende heimelijk zijn oogen en
verwisselde haastig zijn excrementen voor die van zijn tegenpartij.
„Doe je oogen open”, riep nu Tamanoea, waarna beiden het resultaat in
oogenschouw gingen nemen. Toen nu Tijger het verteringsoverschot van
Tamanoea bekeek, begreep hij er niets van, en moest hij bekennen, dat
zijn tegenstander inderdaad dien morgen vleesch had gegeten en nog wel
een groote hoeveelheid ook.
Tijger begon nu te piekeren over hetgeen zijn eigen maal had
opgeleverd, en zei: „Nog nooit is me zoo iets overkomen; ik moet
stellig ziek zijn”. „Ziek ben je zeker”, antwoordde Tamanoea, „en
slapjes ook; want hoewel mijn voeten zoo lomp zijn, door bij het loopen
mijn teenen steeds naar buiten te buigen, [39] kan ik toch even hard
vooruitkomen als jij”.
Tijger werd door deze laatste grootspraak zóó geprikkeld, dat hij zich
tot den strijd gereed maakte. Hij deed een sprong, maar op het zelfde
oogenblik boog Tamanoea zijn kop voorover, en Tijger bij zijn ribben
grijpend [40] was hij nu meester in den strijd, en perste hij hem zóó
hevig samen, dat Tijger dood neêrviel. [41]