NO. 14. DE BEDRIEGER BEDROGEN. (C.)

Tawaroe-wari, een Caraïb, was eens op een dag zoo gelukkig een jongen

arend te vangen. Hij bracht het dier naar zijn hut en maakte het

spoedig geheel tam. Tawaroe-wari moest er nu geregeld op uitgaan, om

jonge baboens voor hem te schieten. De brulapen vonden dit alles

behalve prettig en zij belegden een groote vergadering, waarin zij

beslisten, dat wanneer de man zich weêr in hunne nabijheid vertoonde om

een hunner te dooden, zij hem in handen zouden zien te krijgen en hem

aan een boom zouden ophangen. Toch schoot Tawaroe-wari korten tijd

daarna weêr een baboen. Een menigte baboens daalden toen uit de boomen

neêr, omsingelden en grepen hem. Daarna hingen zij hem met een liaan,

die zij uit de boomen los maakten, op, en, na hem op vreeselijke wijze

bevuild te hebben, lieten zij den man aan zijn lot over. Voor zij allen

vertrokken, riepen zij: „zoo is het goed; nu zullen de arenden hem

komen opeten.” Maar deze deden het niet, want al spoedig daalde een

groote arend, die den man van verre had geroken, tot dicht bij hem

neêr, en vroeg hem, waarom hij op deze wijze was opgehangen. „Alleen,

omdat ik baboens heb geschoten”, antwoordde hij. Toen de arend verder

vroeg, voor welk doel hij ze noodig had en hij ten antwoord gaf, dat

het was om voor een jongen arend, dien hij in zijn hut verzorgde, eten

te hebben, maakte de vogel onmiddellijk de lianen los, gaf hem de

vrijheid, en daarbij nog twee baboens voor den baby-arend meê, die hij

nog gauw even had bemachtigd.

Mythen en sagen uit West-Indië · 第 27 / 174 题